Intellectuele eigendom



Het intellectuele eigendomsrecht als rechtsgebied

Intellectuele eigendom is de term waarmee de rechten op 'voortbrengselen van de geest', dus zeg maar op ideeën en andere geestelijke prestaties, worden aangeduid. Tot de intellectuele rechten rekent men onder meer het auteursrecht, modellenrecht, merkenrecht, handelsnaamrecht en octrooirecht. Het rechtsgebied dat deze rechten regelt, vat men samen onder de term 'intellectueel recht' of 'intellectuele eigendom'.

Het intellectuele recht is als rechtsgebied de laatste jaren sterk in ontwikkeling. Steeds meer ondernemers (en ook particulieren) krijgen ermee te maken, onder meer door de opkomst van internet en het toenemende gebruik van computerprogramma's.

Op zichzelf is het intellectuele recht duidelijk en overzichtelijk. Er gelden twee basisprincipes die steeds in acht moeten worden genomen.

Intellectuele rechten zijn ten eerste absolute rechten. Zij werken tegenover iedereen, in die zin dat niemand zonder toestemming van de rechthebbende gebruik van diens geestelijke prestatie of inbreuk daarop mag maken.

Intellectuele rechten zijn ten tweede rechten op een geestelijke prestatie, derhalve op een niet tastbaar en onzichtbaar object, dit in tegenstelling tot het eigendomsrecht - eveneens een absoluut recht -, dat altijd rust op een zaak, zoals een huis of auto. Daarom moet steeds een onderscheid worden gemaakt tussen de onstoffelijke en onzichtbare geestelijke prestatie enerzijds (bijvoorbeeld een verhaal, beeld, verzonnen merknaam) en de stoffelijke en zichtbare zaak waarin die geestelijke prestatie tot uitdrukking komt (bijvoorbeeld een boek, papier, schilderijdoek, CD-schijfje). Beide basisprincipes zullen hierna nog ter sprake komen.

Het recht is pas in staat om een intellectueel recht te erkennen (en dus de rechthebbende tegen een inbreuk op zijn recht te beschermen), wanneer de daarin besloten geestelijke prestatie door middel van een bepaalde drager tot uitdrukking is gebracht. Maar vanaf dat moment is de geestelijke prestatie ook voor derden zichtbaar en derhalve toepasbaar. Het ontstaan van de geestelijke prestatie staat los van het ontstaan van het intellectuele recht daarop. De rechthebbende die zijn geestelijke prestatie als een beschermwaardig recht erkend wil zien, dient ervoor te zorgen dat hij tijdig - dat wil zeggen vóórdat anderen van zijn geestelijke prestatie gebruikmaken - daarop een intellectueel recht heeft verworven. Alleen dat recht kan hij immers tegenover iedereen uitoefenen. Alleen dan erkent het recht de geestelijke prestatie als absoluut toebehorend aan de rechthebbende en zal het hem beschermen tegen iedere inbreuk door derden.

De wijze waarop intellectuele rechten op de diverse geestelijke prestaties kunnen worden verkregen, vormt dan ook een belangrijk onderdeel van het rechtsgebied der intellectuele eigendom. Dit wordt per afzonderlijk intellectueel recht nader besproken (klik daarvoor in het linkermenu op één van de genoemde intellectuele rechten).

Een ander aspect dat bij intellectuele rechten een belangrijke rol speelt, is het onderscheid tussen de overdracht van het intellectuele recht zelf en het toekennen van een gebruikrecht. Bij de overdracht van het intellectuele recht zelf draagt de rechthebbende zijn absolute recht zelf over aan een ander. Die ander is na de overdracht de rechthebbende ('eigenaar') van het intellectuele recht geworden en kan dat met absolute werking tegenover iedereen uitoefenen. Dit houdt tevens in dat hij zijn recht weer aan een ander 'in eigendom' kan overdragen, maar hij mag evengoed aan een ander een of meer gebruiksrechten toekennen. Bij het toekennen van een gebruiksrecht - meestal in de vorm van een licentie of sublicentie - mag de ander uitsluitend voor zichzelf op een duidelijk afgebakende manier gebruikmaken van de geestelijke prestatie. De ander verkrijgt evenwel géén intellectueel recht op de geestelijke prestatie als zodanig. Hij mag die prestatie dan ook niet kopiëren of verveelvoudigen of gebruiken op een andere wijze dan die waarin de licentie voorziet. Doet hij dat toch, dan maakt hij onrechtmatig inbreuk op het intellectuele recht van de rechthebbende. Zijn gebruiksmogelijkheden zijn daardoor beperkt, zowel naar inhoud (wat) en uitvoering (hoe) als naar hoeveelheid (aantal gebruikers) en tijd (gebruiksperiode).

Tot slot dient de rechthebbende op een intellectueel recht ervoor te waken dat derden geen inbreuk daarop maken, bijvoorbeeld door zonder toestemming zijn geestelijke prestatie te gebruiken, maar ook door iets te verzinnen dat slechts op ondergeschikte punten van zijn geestelijke prestatie afwijkt. Dit laatste doet zich vaak voor. Men gebruikt een merk of model (bijvoorbeeld een fles) dat zeer veel lijkt op het merk of model van de rechthebbende, in de hoop op die manier mee te kunnen liften met diens succes. Of men wijzigt slechts enkele punten in de broncode en claimt daarmee een nieuw - eigen - computerprogramma te hebben ontwikkeld. Binnen het intellectuele eigendomsrecht worden dan ook veel procedures gevoerd waarin de rechthebbende het 'aanleunen' tegen of onbevoegd gebruiken van zijn recht aanvecht. Dit geschiedt bijna steeds door middel van een kort geding bij de rechtbank. Indien partijen er onderling niet uitkomen, zal uiteindelijk de rechter moeten beslissen of bijvoorbeeld het merk, model, boek, computerprogramma et cetera van een ander teveel gelijkenis vertoont met de reeds door het recht erkende geestelijke prestatie van de absoluut rechthebbende. Vaak is dit een persoonlijk oordeel van de rechter die toevallig op die dag zitting houdt, zodat van tevoren niet met zekerheid kan worden gezegd hoe diens beslissing zal uitvallen. De rechthebbende en diens advocaat moeten dan op grond van de feiten met behulp van hun gezonde mensenverstand zelf eerst uitmaken of er sprake is van inbreuk op een intellectueel recht. Komen zij tot de conclusie dat dit inderdaad het geval is, of dat hierover ten minste gerede twijfel bestaat, dan heeft het zin het geschil aan een rechter voor te leggen en om een definitieve beslissing te vragen. Wanneer de bovengenoemde hoofdregels goed in acht worden genomen, is het vrij eenvoudig de werking van intellectuele rechten te doorgronden.



Intellectuele rechten zijn absolute rechten

De intellectuele rechten, zoals het auteursrecht, modellenrecht, merkenrecht en octrooirecht, lijken voor wat hun juridische werking betreft enigszins op de eigendom van een zaak. Beide rechten hebben absolute werking.

De eigenaar van een zaak, bijvoorbeeld van een huis, kan zijn eigendomsrecht tegenover iedereen uitoefenen. Niemand mag zonder zijn toestemming ook maar iets met dat huis doen. Het eigendomsrecht werkt in die zin absoluut, dus tegenover iedereen ter wereld. Mocht iemand toch inbreuk maken op het eigendomsrecht, mocht een willekeurige voorbijganger bijvoorbeeld zonder toestemming van de eigenaar het huis gaan bewonen of één der ruiten ingooien, dan kan de eigenaar de hulp van politie en justitie inroepen om de naleving van zijn eigendomsrecht te effectueren. In dit geval dus om de indringer uit het huis te verwijderen respectievelijk om de vandaal tot betaling van schadevergoeding aan te spreken voor het ingooien van de ramen.

Hetzelfde geldt in principe voor de absoluut rechthebbende op een intellectueel recht. Ook hij kan zijn recht tegenover iedereen uitoefenen. Niemand ter wereld mag zonder zijn toestemming gebruikmaken van zijn door het recht erkende ideeën of geestelijke prestatie. Dat deze ideeën en geestelijke prestatie door het recht zijn erkend, betekent dat de rechthebbende op het intellectuele recht desnoods met behulp van politie en justitie de naleving van dat recht tegenover iedereen kan afdwingen. Maakt iemand inbreuk op het intellectuele recht, bijvoorbeeld door dat idee zonder toestemming te gebruiken, dan kan de rechthebbende vorderen dat degene die deze inbreuk maakt, dit gedrag staakt en dat hij de schade vergoedt die de rechthebbende van de inbreuk heeft ondervonden. Ook een intellectueel recht heeft derhalve - evenals een eigendomsrecht op een zaak - absolute werking. Ofschoon dit juridisch niet juist is (eigendom kan alleen op een zaak, dus op een stoffelijk voorwerp, en niet op een geestelijke prestatie rusten), spreekt men op grond van deze sterke gelijkenis ook wel van 'eigenaar' van het intellectueel recht en van 'intellectuele eigendom'.

Het eigendomsrecht en het absolute intellectuele recht hebben beide absolute werking. In die zin verschillen zij bijvoorbeeld van een uit een contract voortvloeiend vorderingsrecht. Bij een koopovereenkomst kan de koper vorderen dat de verkoper het verkochte huis levert en heeft de verkoper zijnerzijds recht op betaling van de afgesproken koopprijs. Maar deze rechten werken slechts relatief. De koper kan niemand anders aanspreken tot levering van het huis, alleen de verkoper. De verkoper heeft van zijn kant alleen jegens de koper recht op betaling van de koopprijs. Hij kan daarvoor bijvoorbeeld niet de buurman of de broer van de koper aanspreken. Deze rechten kunnen derhalve alleen worden uitgeoefend tegenover één specifieke persoon, namelijk de in het bijzonder aangewezen schuldenaar, en dus niet tegenover iedereen, zoals een eigendomsrecht of intellectueel recht. Dergelijke vorderingsrechten werken daarom - in tegenstelling tot eigendomsrechten en intellectuele rechten - slechts relatief.



Intellectuele rechten rusten altijd op een geestelijke (dus niet tastbare en onzichtbare) prestatie

Maar er is wel een belangrijk verschil tussen eigendomsrechten en intellectuele rechten. Een eigendomsrecht geeft aan de rechthebbende ('eigenaar') een absoluut recht op een bepaalde zaak, dus op een stoffelijk en tastbaar object. Dit kan zijn een huis of een stuk grond, maar ook een roerende zaak, zoals een fiets, een trui, een broodje of een boek.

Een intellectueel recht geeft aan de rechthebbende een absoluut recht op een geestelijke prestatie, dus op iets wat niet stoffelijk of tastbaar en ook niet direct zichtbaar is. Maar met een idee of geestelijke prestatie die alleen in het hoofd van iemand voorkomt, kan het recht geen rekening houden. Dat is praktisch onmogelijk. De geestelijke prestatie moet op een bepaalde manier tot uitdrukking zijn gebracht op een tastbare en zichtbare wijze, wil het recht daaraan enige bescherming kunnen verbinden. Hoe die geestelijke prestatie tot uitdrukking komt, doet daarbij niet ter zaken. Dit kan zijn in geschrift, bijvoorbeeld de omschrijving van een uitvinding of verhaal, maar ook door middel van tekeningen, film, foto's, video's, schilderijen, beeldhouwwerken en zelfs in normale gebruiksproducten, zoals een fles of een auto. Toch rust het intellectuele recht ook dan niet op de zaak waarin de geestelijke prestatie tot uitdrukking komt, maar op het achterliggende idee, dus op de geestelijke prestatie zelf, die niet direct zichtbaar en tastbaar is.

Een voorbeeld kan dit verduidelijken. Iemand die in de boekhandel een boek koopt, wordt eigenaar van dat boek. Hij mag dat boek - een tastbare en zichtbare zaak - op iedere denkbare wijze gebruiken (bijvoorbeeld als waaier voor de barbecue) en hij kan van iedereen verlangen dat deze zich onthoudt van het maken van inbreuk op zijn eigendomsrecht. Niemand mag het boek zomaar lenen of meenemen, laat staan vernielen. Maar het verhaal in het boek, dus zeg maar de vruchten van de geestelijke inspanningen van de schrijver, die als zodanig in dat boek tot uitdrukking komen, behoort niet aan de eigenaar van het boek toe. Dat verhaal behoort toe aan de schrijver (of diens uitgeverij). Op dat verhaal - dus op de geestelijke prestatie - rust als zodanig een aan de schrijver toekomend intellectueel recht, namelijk een auteursrecht. Dit houdt in dat de schrijver aan eenieder - en ook aan de eigenaar van het boek - kan verbieden om zijn verhaal anderszins te gebruiken dan in het boek zelf is vastgelegd, bijvoorbeeld door het zelf in een boek te herdrukken of door het op een andere wijze, zoals in een film, vast te leggen. Dat recht heeft alleen de rechthebbende op de geestelijke prestatie zelf, dus de schrijver aan wie het auteursrecht op het verhaal toekomt. Degene die het boek in de boekhandel heeft gekocht, mag derhalve weliswaar met het boek doen wat hij wil, maar hij mag geen gebruikmaken van het daarin tot uitdrukking komende verhaal, de geestelijke prestatie, want dan maakt hij inbreuk op het auteursrecht van de schrijver. Die kan, wanneer de eigenaar van het boek bijvoorbeeld mocht besluiten om de inhoud daarvan te kopiëren en te gaan verspreiden, tegen deze inbreuk opkomen, bijvoorbeeld door een procedure bij de rechtbank aan te spannen en de rechter te verzoeken om de eigenaar van het boek te veroordelen diens onrechtmatige gedrag te staken, op straffe van een dwangsom, al dan niet onder toekenning van een schadevergoeding aan de schrijver.

Op soortgelijke wijze moeten andere intellectuele rechten worden benaderd.

Degene die een schilderij of beeldhouwwerk koopt, wordt daarvan de eigenaar. Hij mag evenwel geen fotokopieën van dat schilderij of replica's van het beeldhouwwerk maken. Het intellectuele recht terzake van de afbeelding op het schilderij respectievelijk terzake van het beeldhouwwerk, rust alleen bij de schilder respectievelijk beeldhouwer.

Een bepaalde uitvinding komt bijvoorbeeld tot uitdrukking in een schets met toelichting en in een speciaal gebouwde machine. Iemand die deze machine koopt, mag deze als eigenaar gebruiken en met de machine doen wat hij wil. Hij mag ook gebruikmaken van de uitvinding zoals die in de machine ligt besloten. Maar de achterliggende uitvinding zelf behoort toe aan degene die daarop een octrooirecht (patent) heeft gekregen.

Het merk Coca Cola staat op iedere fles van dit bedrijf. Iemand die deze fles koopt, mag dat merk alleen 'gebruiken' voorzover dat uit de aard van de zaak voortvloeit, dus bij het consumeren van de cola en het opslaan en vervoeren van de fles. Hij mag echter geen eigen limonade of een ander product op de markt brengen onder het merk Coca Cola, noch mag hij dat merk gebruiken in advertenties en dergelijke. Evenmin is hij bevoegd een sterk op het merk Coca Cola lijkende naam als merk of handelsnaam te voeren. De naam 'Okaah Cola' of 'Kopa Kola' lijkt reeds naar klank zoveel op de merknaam 'Coca Cola', dat de rechthebbende op dat laatste merk zich hiertegen met succes zal kunnen verweren, zeker wanneer ook door het gebruik van lettertype en kleur wordt aangeleund tegen het merk Coca Cola.

Een computerprogramma (broncode) wordt beschermd door het auteursrecht van de programmeur. Dat programma kan op een CD-schijfje tot uitdrukking komen. Degene die dat schijfje koopt, mag daardoor gebruikmaken van de daarop gebrande software, op de wijze zoals dat in de aankoop ligt besloten. Hij mag evenwel de geestelijke inspanning van de programmeur (broncode) niet gebruiken, bijvoorbeeld door het CD-schijfje te kopiëren of door de broncode te bewerken voor een zelf te ontwikkelen computerprogramma.



Overdracht intellectuele rechten en licentieverlening

De geestelijke prestatie en het intellectuele recht daarop moeten goed van elkaar worden onderscheiden. Heeft een persoon een intellectueel recht verworven op een geestelijke prestatie, dan erkent het recht dat die persoon als enige het absolute recht heeft om die geestelijke prestatie naar eigen inzicht te gebruiken alsmede dat hij ieder ander kan verbieden om zonder zijn toestemming enig gebruik, op welke wijze dan ook, daarvan te maken (exploitatierecht). Dat het intellectuele recht als zodanig door het recht wordt erkend, betekent dat de rechthebbende op de geestelijke prestatie desnoods de hulp van politie en justitie kan inschakelen om op te treden tegen iedere inbreuk op zijn recht of ieder ongeoorloofd gebruik van zijn geestelijke prestatie.

Een intellectueel recht kan als zodanig door de rechthebbende aan een ander worden overgedragen. Die ander verkrijgt dan het intellectuele recht, en daarmee de absolute bevoegdheid over de daarin besloten geestelijke prestatie. Op grond daarvan kan hij van eenieder verlangen dat deze geen inbreuk op zijn recht maakt en dat de geestelijke prestatie niet ongeoorloofd wordt toegepast. De positie van de nieuwe rechthebbende op het intellectuele recht verschilt in niets van die van de oude rechthebbende.

Meestal wordt niet de intellectuele eigendom zelf overgedragen, maar staat de rechthebbende daarop toe dat een ander tegen een bepaalde vergoeding gedurende een zekere tijd gebruikmaakt van de geestelijke prestatie, waarbij de wijze van gebruik nader is omschreven. De rechthebbende op het intellectuele recht verstrekt dan aan die ander een licentie. Op grond daarvan heeft de ander een relatief recht ter zake van het gebruik van de geestelijke prestatie, zoals die prestatie tot uitdrukking komt in de drager (bijv. boek, film, CD-schijfje) van die geestelijke prestatie. Hij mag de geestelijke prestatie alleen voor eigen doeleinden gebruiken op de speciaal daarvoor in de licentie aangegeven wijzen. Hij is evenwel niet gerechtigd om die geestelijke prestatie te kopiëren of te verveelvuldigen of om een gebruiksrecht daarop aan een derde toe te kennen, tenzij zulks uitdrukkelijk uit de licentie voortvloeit.