Stichting



Algemene kenmerken van een stichting

Een stichting is een door een notariële akte in het leven geroepen rechtspersoon, die geen leden kent en beoogt met behulp van een daartoe bestemd vermogen een in de statuten vermeld doel te verwezenlijken (art. 2:285 BW). Het doel ligt meestal op sociaal, cultureel, pedagogische, recreatief of charitatief terrein. Het mag niet inhouden het doen van uitkeringen aan oprichters of aan hen die deel uitmaken van haar organen, noch ook aan anderen, tenzij - wat deze laatsten betreft - de uitkering een ideële of sociale strekking heeft (bijv. prijs uitgereikt door de stichting klassieke muziek aan de beste sopraan van het jaar). Overigens is het niet uitgesloten dat de stichting ter verwezenlijking van haar doel een onderneming drijft (bijv. 'Stichting help de Colombiaanse boer', die koffie verhandelt). Het drijven van een onderneming om winst te behalen mag evenwel geen doel op zich zijn. Het moet een middel zijn om het doel te verwezenlijken.

Een stichting wordt opgericht bij notariële akte of bij een notarieel opgetekend testament. Zij kent als orgaan tenminste een bestuur, dat is belast met de dagelijkse leiding alsook met de vertegenwoordiging van de stichting in en buiten rechte. Vele grote stichtingen kennen daarnaast nog een raad van commissarissen. Deze is echter facultatief. Aangezien een stichting geen leden of aandeelhouders kent, komt een leden- of aandeelhoudersvergadering hier niet voor.



Rechtsbevoegdheid van een stichting

Een stichting is als rechtspersoon volledig rechtsbevoegd. Zij kan iedere rechtshandeling verrichten die bij kan dragen tot verwezenlijking van haar doel.



Het handelen van een stichting

De stichting is, zoals iedere rechtspersoon, voor haar deelname aan het rechtsverkeer aangewezen op de hulp van één of meer vertegenwoordigers die namens haar de gewenste rechtshandelingen aangaan. Als vertegenwoordigers treden op het bestuur één individuele bestuurder, twee of meer bestuurders gezamenlijk, statutaire vertegenwoordigers en/of gewone gevolmachtigden.

Bij het handelen ten behoeve van de stichting wordt altijd in naam van de stichting opgetreden. In het contract wordt dan ook de stichting zelf als partij omschreven, en wel door vermelding van haar statutaire naam en statutaire zetel, zo nodig aangevuld met haar feitelijke vestigingsplaats, haar registratienummer voor het handelsregister en de Kamer van Koophandel alwaar zij is ingeschreven.

Voor het bestuur van een stichting gelden in principe dezelfde regels als voor het bestuur van een formele vereniging. Het bestuur - d.w.z. alle bestuurders tezamen - vertegenwoordigt de stichting (collectieve vertegenwoordigingsmacht), voorzover uit de wet niet anders voortvloeit. De statuten kunnen de bevoegdheid tot vertegenwoordiging bovendien toekennen aan een of meer bestuurders (individuele bevoegdheid). Zij kunnen tevens bepalen dat een bestuurder de stichting slechts met medewerking van een of meer anderen mag vertegenwoordigen (gezamenlijke bevoegdheid). Deze anderen kunnen bestuurders zijn of derden. Aan deze wettelijk toegestane afwijkingen van de collectieve vertegenwoordigingsmacht kan externe werking worden gegevendoor ze in het handelsregister in te schrijven.

Sinds 1992 is het niet meer mogelijk het bestuur als zodanig haar vertegenwoordigingsmacht te ontnemen. Voordien kon dat nog wel. Het was in die zin toegestaan een of meer bestuurders, hetzij afzonderlij, hetzij gezamenlijk, in de plaats van het voltallige bestuur bevoegd te verklaren. Deze mogelijkheid, waarvan in de praktijk niet of nauwelijks gebruik werd gemaakt, is met de invoering van het Nieuw Burgerlijk Wetboek geschrapt. Bestaande regelingen hebben met ingang van 1 januari 1992 hun gelding verloren. De wet gaat boven een statutaire regeling.

De bevoegdheid tot vertegenwoordiging die aan het bestuur of aan een bestuurder, hetzij afzonderlijk hetzij gezamenlijk, toekomt, is onbeperkt en onvoorwaardelijk, voorzover uit de wet niet anders voortvloeit (algemene vertegenwoordigingsmacht). De vertegenwoordigingsbevoegdheid van het bestuur of van een - alleen of tezamen met anderen - vertegenwoordigingsbevoegde bestuurder kan zodoende niet worden beperkt, bijvoorbeeld tot rechtshandelingen van een bepaalde aard of omvang of door daaraan een voorwaarde (bijv. goedkeuring bestuur of raad van commissarissen) te verbinden. Zelfs wanneer die beperking in de statuten is opgenomen, heeft zij alleen interne en geen externe werking. Derden mogen dus aannemen dat een bestuurder, die alleen of tezamen met anderen vertegenwoordigingsbevoegd is, alle rechtshandelingen namens de stichting mogen aangaan die gedienstig aan het doel van de stichting kunnen zijn.

De wet staat bij de stichting slechts in één artikel afwijking van de algemene vertegenwoordigingsmacht toe. Art. 2:291 lid 2 BW, dat qua strekking hetzelfde is als art. 2:44 lid 2 BW, brengt mee dat het bestuur van een stichting in beginsel niet bevoegd is tot het aangaan van overeenkomsten tot verkrijging, vervreemding en bezwaring van registergoederen, en tot het aangaan van overeenkomsten waarbij de vereniging zich als borg of hoofdelijke medeschuldenaar verbindt, zich voor een derde sterk maakt of zich tot zekerheidsstelling voor de schuld van een ander verbindt. Nochtans bestaat de mogelijkheid om in de statuten op te nemen dat ook het bestuur of een der bestuurders deze in lid 2 van art. 2:291 BW bedoelde rechtshandelingen mag verrichten. Daarbij is het geoorloofd de bevoegdheid van het bestuur of de bestuurder te onderwerpen aan enkele beperkingen en voorwaarden, bijvoorbeeld aan de machtiging of goedkeuring van de raad van commissarissen, zo die aanwezig is. Zowel aan de bevoegheidsuitbreiding van het bestuur tot de in art. 2:291 lid 2 BW genoemde rechtshandelingen als aan de daarmee verband houdende beperkingen en voorwaarden, kan externe werking worden gegeven door ze in het stichtingenregister in te schrijven. Heeft de hier bedoelde bevoegdheidsuitbreiding niet plaatsgehad, dan kan ook dit worden tegengeworpen aan derden die dergelijke overeenkomsten met het bestuur zijn aangegaan.



Aansprakelijkheid voor de schulden van de stichting

Dat de stichting als een zelfstandige persoon aan het rechtsverkeer kan deelnemen, heeft tot gevolg dat de schulden, die in haar naam zijn aangegaan, uitsluitend op haar eigen vermogen kunnen worden verhaald. Haar oprichters, bestuurders of vertegenwoordigers zijn niet persoonlijk aansprakelijk voor de verbintenissen der stichting. Nochtans kunnen de bestuurders van een stichting onder omstandigheden hoofdelijk aansprakelijk worden gesteld. De bestuurders zijn namelijk verplicht de stichting te doen inschrijven in het handelsregister van de Kamer van Koophandel binnen welker gebied de stichting haar woonplaats heeft. Zolang de opgave ter eerste inschrijving en nederlegging van de in een notariële akte opgenomen statuten niet zijn geschied, is iedere bestuurder voor een rechtshandeling waardoor hij de stichting verbindt, naast de stichting hoofdelijk aansprakelijk (art. 2:289 BW).

Een bestuurder (of commissaris) kan daarnaast persoonlijk uit onrechtmatige daad aansprakelijk worden gesteld, wanneer hij namens de stichting een rechtshandeling heeft verricht die in strijd is met de wet of met hetgeen volgens het ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt. Hij begaat in dat geval immers een onrechtmatige daad welke tot een schadevergoedingsplicht kan leiden. Zie wat hieromtrent bij de naamloze en besloten vennootschap wordt opgemerkt.

Tenslotte vloeit een bijzondere aansprakelijkheidsstelling voort uit art. 2:300a BW ingeval van het faillissement van een stichting die aan de heffing vennootschapsbelasting is onderworpen (d.w.z. die een onderneming drijft). Art. 2:300a BW verklaart in dat geval de artt. 2:131, 2:138, 2:139, 2:149 en 2:150 BW overeenkomstig op de stichting van toepassing. Voor wat de aansprakelijkheid betreft komen de regelingen globaal op het volgende neer.

In geval van het faillissement van de stichting is iedere bestuurder en commissaris jegens de boedel hoofdelijk aansprakelijk voor het bedrag van de schulden voorzover deze niet door vereffening van de overige baten kunnen worden voldaan, indien het bestuur c.q. de commissarissen hun taak kennelijk onbehoorlijk hebben vervuld, en aannemelijk is dat dit een belangrijke oorzaak van het faillissement is. Met een bestuurder wordt voor de toepassing van deze regeling gelijkgesteld degene die het beleid van de stichting feitelijk heeft bepaald of mede heeft bepaald als ware hij bestuurder. De taken zijn in ieder geval onbehoorlijk vervult wanneer de stichting onderworpen is aan het jaarrekeningenrecht van Boek 2 (zie hierna) en zij is tekortgeschoten in haar publicatieplicht betreffende de jaarrekening. Dit wordt dan tevens vermoedt een belangrijke oorzaak van het faillissement te zijn. Maar vandaag is alleen het niet gepubliceerd hebben van een of meer jaarrekeningen niet meer voldoende om het bestuur hoofdelijk aansprakelijk te doen zijn. Er moeten aanvullende omstandigheden kunnen worden genoemd waaruit blijkt dat het bestuur of de bestuurder ook overigens onbehoorlijk heeft bestuurd. Een bestuurder of commissaris is in geen geval aansprakelijk als hij bewijst dat de onbehoorlijke taakvervulling door het bestuur of de raad van commissarissen niet aan hem te wijten is en dat hij niet nalatig is geweest in het treffen van maatregelen om de gevolgen daarvan af te wenden.

Indien door de jaarrekening, door tussentijdse cijfers die de stichting bekend heeft gemaakt of door het jaarverslag een misleidende voorstelling wordt gegeven van de toestand der stichting, zijn de bestuurders èn commissarissen tegenover derden hoofdelijk aansprakelijk voor de schade, door dezen dientengevolge geleden. De bestuurder of commissaris die bewijst dat dit niet aan hem te wijten is, is niet aansprakelijk. Let wel, deze regeling geldt slechts ingeval van het faillissement van een stichting die is onderworpen aan het jaarrekeningenrecht van Boek 2 BW. Is men buiten een faillissement op grond van onjuiste jaarcijfers door een bestuurder of andere persoon misleid, dan zal men zijn toevlucht moeten zoeken tot de regels betreffende onrechtmatige daad of die inzake bedrog en dwaling. Daarenboven staan dan uiteraard nog enkele strafrechtelijke acties open.



Externe informatie over de stichting

De bestuurders van een stichting zijn verplicht haar te doen inschrijven in een openbaar register, gehouden door de Kamer van Koophandel, binnen welker gebied de stichting haar woonplaats heeft, en een authentiek afschrift van de akte, dan wel een authentiek uittreksel van de akte bevattende de statuten, ten kantore van dat register neer te leggen. Bij het handelsregister kan men aldus terecht voor informatie omtrent de vertegenwoordigingsbevoegdheid van het bestuur, de bestuurders, de statutaire vertegenwoordigers en eventueel daar genoemde algemeen gevolmachtigden (art. 2:289 BW).

Stichtingen die een onderneming in stand houden met een omzet van tenminste € 8,8 miljoen per jaar vallen binnen het bereik van het rechtspersonenrecht van Boek 2 BW. Zij worden daardoor verplicht een jaarrekening op te stellen en deze bij de Kamer van Koophandel openbaar te maken. De jaarrekening moet voldoen aan de wettelijke eisen die daarvoor in Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek zijn gesteld.