Rechtspersonen

 


Wat is een 'rechtspersoon'?

Naast de mens erkent het recht de rechtspersoon als rechtssubject. Dat de rechtspersoon als rechtssubject wordt erkend, heeft tot gevolg dat hij volgens het recht rechten en plichten kan dragen en de mogelijkheid heeft om door het verrichten van rechtshandelingen zelfstandig aan het rechtsverkeer deel te nemen. De rechtspersoon staat daarmee binnen het vermogensrecht op een lijn met de mens. Maar een rechtspersoon is daarmee nog géén concreet en lijfelijk aanwezige figuur. Hij blijft een abstracte juridische constructie, die slechts bij de gratie van het recht bestaat. Een rechtspersoon is zelf niet zichtbaar of tastbaar (wel zijn bezittingen, zoals een kantoorpand). Zijn bestaat kan uitsluitend uit een notariële oprichtingsakte worden afgeleid.

In de artt. 2:1 - 2:3 van boek 2 BW (titel 2.1 BW) worden drie verschillende hoofdcategorieën rechtspersonen genoemd:

  1. publiekrechtelijke rechtspersonen (art. 2:1 BW);
  2. kerkgenootschappen en hun zelfstandige onderdelen (art. 2:2 BW);
  3. privaatrechtelijke rechtspersonen (art. 2:3 BW).

De privaatrechtelijke rechtspersonen zijn geregeld in Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek. De publiekrechtelijke rechtspersonen (Rijk, provincie, gemeente, waterschappen e.d.) en kerkgenootschappen vinden hun regeling elders.

Het Burgerlijk Wetboek onderscheidt in art. 2:3 BW de volgende privaatrechtelijke rechtspersonen:

  1. verenigingen (titel 2.2 BW);
  2. coöperaties en onderlinge waarborgmaatschappijen (titel 2.3 BW);
  3. naamloze vennootschappen (titel 2.4 BW);
  4. besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid (titel 2.5 BW);
  5. stichtingen (titel 2.6 BW).

De artikelen 2:24a tot en met 2:24c BW beschrijven enkele concernrechtelijke begrippen:

  • art. 2:24a BW: omschrijving 'dochtermaatschappij';
  • art. 2:24b BW: omschrijving 'groep';
  • art. 2:24c BW: omschrijving 'deelneming';
  • art. 2:24d BW: berekening quorum.

Voor het zijn van een 'dochtermaatschappij' hanteert de wet twee formele criteria (zie art. 2:24a lid 1, sub a en b BW). Voldoet de rechtspersoon aan een van deze criteria, dan is zij voor de toepasselijkheid van het rechtspersonenrecht een dochter van de andere rechtspersoon. Beide criteria komen erop neer dat een moeder-dochterverhouding zich voordoet zodra een rechtspersoon (moeder) een zodanige mate van zeggenschap in een andere rechtspersoon (dochter) heeft, dat hij bij verschil van mening over het door de andere rechtspersoon te voeren beleid zijn wil kan doorzetten.

Voor het zijn van een 'groep' hanteert de wet geen formeel, maar een economisch criterium. De wet stelt dat een groep aanwezig is bij economische eenheid en organisatorische verbondenheid.

De wet omschrijft wanneer er sprake is van een 'deelneming' in een andere rechtspersoon (art. 2:24c lid 1 BW) en van een 'deelneming' in een vennootschap (art. 2:24c lid 2 BW). Uit de criteria in het laatstgenoemde lid volgt dat van een deelneming in een vennootschap geen sprake is als een rechtspersoon zijn commanditair belang uitsluitend als belegging houdt.

Voor alle duidelijkheid: het gaat hier uitsluitend om de definiëring van begrippen voor het rechtspersonen- en vermogensrecht. Binnen het belastingrecht wordt aan de hand van geheel eigen criteria beoordeeld of er sprake is van een deelneming, groep of dochtermaatschappij.



Algemene oprichtingsvereisten

Na de bepalingen omtrent de rechtsvormen waaraan het Nederlands recht rechtspersoonlijkheid toekent, stelt art. 2:4 BW een aantal algemene constitutieve voorwaarden voor het ontstaan van rechtspersonen en regelt het vervolgens de rechtsgevolgen ingeval niet aan deze voorwaarden is voldaan. Daarnaast bezit iedere rechtsvorm nog eigen onderscheidende criteria, waaraan de op te richten rechtspersoon moet voldoen. Deze hebben veelal betrekking op het doel en de organisatie van de gekozen rechtsvorm en staan verspreid in de afzonderlijke titels vermeld.

De eerste zin van art. 2:4 lid 1 BW somt de beide essentialia op voor het ontstaan van een rechtspersoon:

  • een door een notaris ondertekende akte;
  • en een verklaring van geen bezwaar, waar de wet die eist.

Een door de notaris ondertekende notariële akte eist de wet bij de formele vereniging, de coöperatie en onderlinge waarborgmaatschappij, de naamloze en de besloten vennootschap en de stichting. Alléén voor een informele vereniging, dus de vereniging zonder volledige rechtsbevoegdheid, is de notariële akte niet verplicht gesteld. Een verklaring van geen bezwaar verlangt de wet uitsluitend voor de naamloze en besloten vennootschap. De artikelen 2:64 BW en 2:175 BW noemen haar als oprichtingsvereiste. Is in het geval waarin zulks wordt geëist, niet aan één van deze essentialia voldaan, dan is er wettelijk géén rechtspersoon tot stand gebracht, hoewel de betrokken personen wellicht anders kunnen denken.

Een rechtspersoon wordt opgericht voor onbepaalde tijd (art. 2:17 BW)



De gevolgen van rechtspersoonlijkheid

Een rechtspersoon staat wat het vermogensrecht betreft, met een natuurlijke persoon gelijk, tenzij uit de wet het tegendeel voortvloeit (art. 2:5 BW). Deze bepaling doet uitkomen dat een rechtspersoon, gelijk een natuurlijke persoon, als zelfstandig rechtssubject aan het rechtsverkeer kan deelnemen. Hij is zelf drager van rechten en plichten (rechtsbevoegd) en in staat om zelf rechtshandelingen te verrichten (handelingsbevoegd). Dit betekent bijvoorbeeld dat hij ook zelf voor zijn schulden aansprakelijk is. De rechtspersoon mag zodoende niet worden vereenzelvigd met de achterliggende natuurlijke personen of rechtspersonen, die wellicht als oprichter, aandeelhouder, verenigingslid of bestuurder nauw met hem verweven zijn. Men kijkt met andere woorden niet door de rechtspersoon heen, of nog anders geformuleerd, men rekent de handelingen van de rechtspersoon niet rechtstreeks toe aan de achterliggende personen, maar erkent dat de handelingen van de rechtspersoon op zichzelf staan, dus dat de rechtspersoon zelf een persoon is die heeft gehandeld en aan wie goederen en schulden toebehoren.

Dat de rechtspersoon niet op één lijn mag worden gesteld met de personen die bij zijn oprichting of bestuur betrokken zijn, betekent overigens niet, dat hij als dekmantel mag fungeren om deze personen op onrechtmatige wijze buiten iedere aansprakelijkheid te houden. Rechtspersonen mogen niet voor dit doel worden misbruikt. Als een voorbeeld van een zodanige misbruik van rechtspersoonlijkheid noemen we het manipuleren van verschillende rechtspersonen die, door deelneming in elkaars kapitaal of door aanstelling van een gemeenschappelijke bestuurder, nauw met elkaar verwant zijn en hierdoor kans zien om met overheveling van hun vermogen hun aansprakelijkheid precies daar te leggen waar de wederpartij geen verhaal vindt. Te denken valt verder aan gevallen waarin een rechtspersoon op een dusdanige manier wordt gebruikt dat het vermogen van de rechtspersoon achteruit gaat, terwijl de voordelen van zijn activiteiten ten goede komen aan de privé-vermogens van degenen die het in die rechtspersoon voor het zeggen hebben. In dergelijke situaties heeft de rechter reeds meerdere malen geoordeeld dat niet alleen de rechtspersoon zelf aansprakelijk is voor de in zijn naam aangegane verbintenissen, maar ook de achterliggende personen - veelal de bestuurder/groot-aandeelhouder - die de (vaak lege) rechtspersoon als verhaalsobject naar voren hebben geschoven. Hiermee is niet gezegd dat een ondernemer niet voor het werken middels een rechtspersoon zou mogen kiezen louter en alleen om zijn eigen aansprakelijkheid te beperken. Dat is natuurlijk wel toegestaan. Het mag echter niet zo ver gaan dat hij door toepassing van allerlei juridische foefjes de rechtspersoon gebruikt, of beter gezegd misbruikt, om anderen ten gunste van zichzelf te benadelen.

Binnen het belastingrecht nemen rechtspersonen eveneens een zelfstandige positie in. Immers de rechtspersoon - en niet diens bestuurders of aandeelhouders - wordt voor de eigen winst aangeslagen (vennootschapsbelasting). Verder kunnen zij in het familierecht als een zelfstandige persoon optreden. Zo ziet men wel dat rechtspersonen tot voogd of bewindvoerder worden benoemd.



Regeling van de interne organisatie van een rechtspersoon

Een rechtspersoon bestaat niet van nature. Hoe hij handelt, functioneert en uit welke onderdelen hij bestaat, moet dus steeds uitdrukkelijk door het recht worden geregeld. De invulling van de interne organisatie van een rechtspersoon geschiedt in eerste instantie door de wet, gevolgd door de eigen statuten en reglementen van de rechtspersoon.

De wet geeft in Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek het noodzakelijke organisatorische raamwerk van de rechtspersoon in kwestie, bestaande uit één of meer verplicht gestelde organen met ieder een aantal dwingend voorgeschreven bevoegdheden. De individuele rechtspersonen kunnen dit raamwerk zelf naar eigen inzicht in hun statuten en reglementen uitwerken. Zij dienen daarbij uiteraard wel te blijven binnen de door de wet getrokken dwingendrechtelijke grenzen.

Statuten zijn de eigen fundamentele organisatieregels van een individuele rechtspersoon, onverschillig de benaming welke de rechtspersoon hieraan zelf geeft. Iedere rechtspersoon heeft zo zijn eigen statuten, waarin de belangrijkste punten op organisatorisch gebied zijn opgenomen. De inhoud van de statuten mag uiteraard niet afwijken van de dwingende regels die de wet met betrekking tot de organisatie van een rechtspersoon stelt. Wel kunnen zij de niet-dwingende wetsbepalingen buiten toepassing verklaren of deze met eigen regels aanvullen. Behoudens de zogenaamde informele vereniging moet iedere rechtspersoon zijn statuten in notariële vorm vastleggen en in het handelsregister inschrijven. De inhoud van de statuten is zodoende openbaar en voor iedereen toegankelijk.

De organisatie van de rechtspersoon kan nog verder worden uitgewerkt in zogenaamde reglementen. Een reglement is een samenstel van regels die in aanvulling op de statuten het functioneren van de rechtspersoon en zijn organen nader bepaalt. Reglementen bevatten dus niet het fundamentele blauwdruk van de rechtspersoon - dat is immers reeds in de wet en de statuten te vinden - maar een verfijning van de daarin vervatte hoofdregels. Zij behoeven niet bij notariële akte te worden vastgesteld en evenmin in het handelsregister te worden ingeschreven. Daardoor kunnen zij veel gemakkelijker en sneller worden gewijzigd, wat ook wenselijk is, nu zij geen algemene richtlijnen, maar meer concrete gedragsregels geven. Omdat reglementen niet openbaar gemaakt behoeven te worden, bevatten zij in de regel geen voorschriften die voor derden van belang kunnen zijn. Reglementen treft men vooral aan binnen de verenigingen en hun afdelingen.

De rechtspersoon en degenen die krachtens de wet en de statuten bij de organisatie van de rechtspersoon betrokken zijn (bijv. bestuurders, leden, aandeelhouders, vruchtgebruikers en pandhouders van aandelen e.d.) hebben zich jegens elkaar te gedragen naar hetgeen door 'redelijkheid en billijkheid' wordt gevorderd (art. 2:8 lid 1 BW). Dit kan onder omstandigheden meebrengen dat aandeelhouders met een meerderheidsbelang hun zin niet mogen doordrukken ten koste van de aandeelhouders met een minderheidsbelang of dat het benoemingsorgaan géén notoir onbekwaam of met het doel der stichting vijandig gezinde persoon als bestuurder mag aanwijzen.

Het tweede lid van art. 2:8 BW werkt de gedachte van het eerste lid verder uit. Een tussen de in het eerste lid bedoelde personen krachtens wet, gewoonte, statuten, reglementen of besluit geldende regel is niet van toepassing voorzover dit in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. Deze regel is naar zijn formulering afgestemd op de artt. 6:2 lid 2 BW en 6:248 lid 2 BW, maar toegespitst op de verhoudingen binnen de rechtspersoon. Dit blijkt doordat naast de wet en de gewoonte ook de statuten en reglementen alsmede het besluit worden genoemd. Aan de regel bestaat behoefte omdat bijvoorbeeld de wijziging van een reglement of een ander besluit tegenover een bepaald lid of een bepaalde aandeelhouder zo onbillijk kan werken, dat zij in een concreet geval geen gelding mag hebben, hoewel er in zijn algemeenheid onvoldoende reden is om het betreffende besluit formeel te vernietiging.



De organen van een rechtspersoon

De organisatie van een rechtspersoon is telkens opgehangen aan één of meer organen. Een orgaan is een instantie binnen een rechtspersoon aan wie krachtens de wet of de statuten beslissingsbevoegdheid toekomt ten aanzien van een bepaald onderwerp; een bevoegdelijk door een orgaan genomen besluit geldt rechtens als het besluit van de rechtspersoon.

De organisatie vertoont bij alle privaatrechtelijke rechtspersonen hetzelfde (dwingende) grondpatroon. Ten eerste is er een 'algemene vergadering'. Dit orgaan komt één of meer keren per jaar bijeen en neemt dan over enkele hoofdpunten een besluit. Zij bepaalt als het ware de te volgen koers en controleert tevens of de andere organen binnen de betrokken rechtspersoon hun taken naar behoren hebben uitgevoerd. Daarnaast is zij als enige bevoegd de statuten te wijzigen of deze zo nodig in te trekken. Om die reden noemt men haar wel het belangrijkste orgaan binnen de rechtspersoon.

Ten tweede is er een 'bestuur'. Dit orgaan is belast met de dagelijkse leiding. Het neemt daartoe de meer praktische besluiten, die de eerder door de algemene vergadering vastgestelde hoofdlijnen voor 'de werkvloer' nader uitwerken. Daarnaast zijn er enkele onderwerpen waarover het bestuur zelfstandig mag beslissen. Het bestuur en de bestuursleden vertegenwoordigen de rechtspersoon in en buiten rechte.

Alle rechtspersonen van Boek 2 voldoen aan het hierboven geschetste grondpatroon. Zij beschikken zodoende tenminste over twee organen: een algemene vergadering en een bestuur. Een uitzondering moet slechts worden gemaakt voor de stichting, bij wie geen algemene vergadering aanwezig is en die derhalve enkel het bestuur als verplicht gesteld orgaan kent.

Het grondpatroon kan voor alle rechtspersonen worden uitgebreid met één of meer aanvullende organen. Zo ziet men dikwijls dat de algemene vergadering via de statuten een zogenaamde 'raad van commissarissen' in het leven roept, die wordt belast met het (maandelijks) controleren van het optreden van het bestuur. Voor de zogenaamd 'grote' coöperaties, onderlinge waarborgmaatschappijen en naamloze en besloten vennootschappen is een dergelijke raad van commissarissen als derde orgaan zelfs verplicht gesteld.

In de regel bestaat een orgaan uit meerdere natuurlijke personen of rechtspersonen, met ieder één stem. De beslissingen van het orgaan worden met gewone meerderheid van stemmen genomen, tenzij de wet of de statuten een gekwalificeerde meerderheid voorschrijven. Niet uitgesloten is overigens dat in het orgaan slechts één persoon vertegenwoordigd is. Zo ziet men bij besloten vennootschappen dikwijls dat één persoon alle aandelen in handen heeft en tevens als enige bestuurder (directeur) van de vennootschap optreedt. Hij vormt in zijn eentje dan zowel de algemene vergadering van aandeelhouders als het bestuur. Niettemin blijft het recht de handelingen die deze persoon als bestuurder namens de rechtspersoon verricht, zien als handelingen van die rechtspersoon zelf. Zo kan de bestuurder als natuurlijke persoon een arbeidsovereenkomst met de rechtspersoon sluiten. In principe blijft het recht ook een onderscheid maken tussen besluiten die de betrokken persoon in zijn hoedanigheid van 'algemene vergadering' en die van 'bestuur' neemt. In de praktijk is het in dergelijke gevallen meestal moeilijk om dit onderscheid te maken. Van veel belang is dit niet, nu de betreffende aandeelhouder toch alles te zeggen heeft in de betrokken rechtspersoon.

De wet bepaalt verder welke bevoegdheden door de verschillende organen moeten of kunnen worden uitgeoefend. De meeste van deze bepalingen zijn van dwingend recht. De bevoegdheden die de wet regelt zijn volgens de wetgever als zodanig kenmerkend voor het functioneren van het betreffende orgaan en daarmee voor de organisatiestructuur van de rechtspersoon in kwestie. Nochtans is het in een aantal gevallen mogelijk van deze wettelijke bevoegdheidsregels af te wijken, en wel door in de statuten een eigen bevoegdheidsregeling op te nemen.

De wet en in minder mate ook de statuten bakenen binnen de rechtspersoon uiteindelijk de beslissingsbevoegdheid van de verschillende organen af. Overlapping van interne beslissingsbevoegdheid is in principe uitgesloten. De verschillende organen zijn autonoom op het aan hen bij wet en statuten toegewezen beslissingsterrein. Zij mogen - wederom binnen de door de wet en statuten gestelde grenzen - zelf bepalen welke beslissingen volgens hen in het belang van de rechtspersoon moeten worden genomen. Daarbij zijn zij niet verplicht enige aanwijzingen of instructies van een ander orgaan te volgen. Wel is het toegestaan om in de statuten te bepalen dat het bestuur zich moet gedragen naar de aanwijzingen van de algemene vergadering betreffende de algemene lijnen van het te voeren financiële, sociale, economische en personeelsbeleid. Zelfs zonder een dergelijke bepaling moet men aannemen dat de algemene vergadering uiteindelijk steeds het laatste woord heeft. De autonomie van het bestuur en de andere organen is daardoor toch enigszins beperkt.



De rechtspersoon handelt zelf, maar wel steeds via een natuurlijke persoon

De gelijkstelling van een rechtspersoon met een natuurlijke persoon kan ook binnen het vermogensrecht niet ten volle worden doorgetrokken. Een rechtspersoon is een juridische constructie en om die reden niet in staat zelf een wil te vormen of deze tot uitdrukking te brengen. Hij heeft nu eenmaal geen verstand om mee te denken, geen mond om mee te praten en geen handen om mee te schrijven. Wanneer men zegt dat de rechtspersoon handelt, is er dus altijd sprake van een handelen van een of meer natuurlijke personen, waarvan de gevolgen aan de rechtspersoon worden toegerekend.

De handelingen van de rechtspersoon kunnen in vier groepen worden onderverdeeld:


Besluiten (of interne rechtshandelingen)

Een besluit is een beslissing van een orgaan van een rechtspersoon, betrekking hebbende op de interne organisatie en bevoegdheidsafbakening binnen de rechtspersoon. Een besluit is op zichzelf niet tot een derde of wederpartij van de rechtspersoon gericht. Wel is het mogelijk dat het besluit voor de rechtspersoon aanleiding vormt om een rechtshandeling met een derde te verrichten. Deze tweede rechtshandeling is dan uiteraard wel naar buiten gericht en moet derhalve als een externe rechtshandeling van de rechtspersoon worden aangemerkt (zie hierna).

De interne en externe rechtshandelingen van een rechtspersoon moeten goed van elkaar worden onderscheiden. Zij zijn ieder aan eigen regels onderworpen. Derden die met een rechtspersoon handelen, hebben weinig of niets te maken met de interne besluiten van de rechtspersoon (men zie in dit verband o.a. art. 2:16 lid 2 BW). De derde die met de rechtspersoon een rechtshandeling verricht, behoeft zich bijvoorbeeld niet in de interne beleidspolitiek van zijn wederpartij te verdiepen. Heeft hij met een extern bevoegde vertegenwoordiger van de rechtspersoon gehandeld, dan is de rechtspersoon gebonden, ook wanneer later blijkt dat de externe handeling in strijd is met een intern besluit of in het geheel niet op zo'n besluit is gebaseerd, bijvoorbeeld omdat dit besluit nooit als zodanig is genomen of inmiddels vanwege een gebrek nietig is verklaard. De geldigheid van het interne besluit werkt met andere woorden niet door op de gebondenheid van de rechtspersoon aan de daarop gebaseerde externe rechtshandelingen. Dit is slechts anders in het zeldzame geval dat de rechtspersoon erin slaagt te bewijzen dat ook de derde wist dat de externe rechtshandeling in strijd was met een intern besluit. In dat geval is niet denkbeeldig dat de derde onrechtmatig jegens de rechtspersoon handelt door de externe rechtshandeling toch met een van diens - extern bevoegde - vertegenwoordigers aan te gaan.



Vertegenwoordiging (of externe rechtshandelingen)

Wanneer wordt gesproken over rechtshandelingen van de rechtspersoon gaat het in feite steeds om externe rechtshandelingen, dus om rechtshandelingen die de rechtspersoon met of jegens een derde verricht. Voor het tot stand brengen van deze rechtshandelingen heeft de rechtspersoon wederom de hulp nodig van één of meer natuurlijke personen die namens hem optreden. Of anders gezegd: het verrichten van rechtshandelingen door een rechtspersoon veronderstelt steeds een zekere vorm van vertegenwoordiging.

Binnen dit kader kunnen drie soorten vertegenwoordigers worden onderscheiden.

  • Ten eerste het bestuur of de bestuurders, die hun vertegenwoordigingsbevoegdheid ontlenen aan de wet en de statuten.
  • Ten tweede de statutaire vertegenwoordigers, die hun bevoegdheid enkel ontlenen aan de statuten.
  • Ten derde de gevolmachtigden, aan wie bij afzonderlijke volmacht vertegenwoordigingsbevoegdheid is toegekend. Dit laatste sluit niet uit dat de gevolmachtigde zijn vertegenwoordigingsbevoegdheid aan een stilzwijgende volmacht, welke bijvoorbeeld met zijn functie verband houdt, ontleent (het hoofd van de afdeling personeelszaken is bijvoorbeeld op grond van zijn functie bevoegd om arbeidsovereenkomsten met werknemers te sluiten).

Voor de vraag of een persoon bevoegd is om namens de rechtspersoon op te treden, is enkel van belang of hij krachtens wet, statuten of een afzonderlijke volmacht gerechtigd is de betreffende rechtshandeling in naam van de rechtspersoon te verrichten. Is dat het geval, dan is de rechtspersoon onverkort aan die rechtshandeling gebonden. Niet ter zake doet verder of intern een geldig besluit aan deze rechtshandeling ten grondslag ligt. De derde behoeft zich niet in deze vraag te verdiepen.

Of een bestuurder in concreto vertegenwoordigingsbevoegd is, moet uit de wet en de statuten worden afgeleid. De wet stelt een aantal algemene regels inzake de vertegenwoordigingsmacht van het bestuur en de afzonderlijke bestuursleden. Sommige van deze regels kunnen via de statuten buiten toepassing worden verklaard of door een eigen regeling worden vervangen of aangevuld. Voorzover dat inderdaad bevoegdelijk is geschied, zijn de statuten beslissend voor de vraag of aan de hier bedoelde personen vertegenwoordigingsmacht toekomt.

Eenieder wordt geacht de wet - en daarmee de dwingende en aanvullende vertegenwoordigingsregels - te kennen. Behalve de informele vereniging moet iedere privaatrechtelijke rechtspersoon zijn statuten openbaar maken door de inschrijving van deze stukken in het handelsregister. Iedereen kan dit register raadplegen, teneinde te achterhalen of een bestuurder de bevoegdheid heeft de rechtspersoon in die concrete situatie te vertegenwoordigen.

Statutaire vertegenwoordigers zijn personen die weliswaar geen bestuurder zijn, maar die bij de statuten toch een bepaalde mate van vertegenwoordigingsbevoegdheid hebben verkregen. Voor de vraag of, en zo ja in hoeverre, een persoon bevoegd is als statutaire vertegenwoordiger op te treden, moeten wederom de in het handelsregister gepubliceerde statuten worden geraadpleegd.

Evenals iedere andere persoon heeft ook een rechtspersoon de mogelijkheid om zich door een gevolmachtigde te laten vertegenwoordigen. En gelijk bij andere personen blijkt de reikwijdte van de volmacht in eerste instantie uit het schriftelijk stuk waarin de volmacht werd verleend. Maar daarnaast beschikt de rechtspersoon nog over een bijzondere mogelijkheid; hem is namelijk tevens het recht gegund de verleende volmacht in het handelsregister te publiceren. Derden die met een gevolmachtigde handelen kunnen op die manier gemakkelijk controleren of de betreffende persoon ook daadwerkelijk bevoegd is de rechtspersoon te vertegenwoordigen, bijvoorbeeld door na te gaan of de mondelinge of schriftelijke verklaring van de gevolmachtigde overeenstemt met de volmacht zoals die door de rechtspersoon in het handelsregister is vermeld.



Feitelijke handelingen

De toerekening van handelingen aan de rechtspersoon beperkt zich niet tot rechtshandelingen, maar strekt zich eveneens uit tot het feitelijk handelen of nalaten van personen die nauw bij de rechtspersoon betrokken zijn. Feitelijke handelingen, bijvoorbeeld onrechtmatige daden, door deze personen (bestuurder, werknemer) verricht, kunnen onder omstandigheden als feitelijke handeling van de rechtspersoon zelf worden beschouwd. Dit betekent dan dat het slachtoffer van die handeling zich ter inning van zijn schadevergoedingsvordering niet op de feitelijke pleger zelf (natuurlijke persoon) behoeft te verhalen, maar zich tevens rechtstreeks daarvoor kan wenden tot de rechtspersoon, wat trouwens niet uitsluit dat deze laatste zich weer op de feitelijke pleger van de onrechtmatige daad mag verhalen. Criterium voor de toerekening is volgens vaste jurisprudentie of het feitelijk handelen of nalaten in het maatschappelijk verkeerd wordt gezien als het handelen of nalaten van de rechtspersoon.



Processuele handelingen

In het burgerlijke proces treedt de rechtspersoon zelf als materiële en formele procespartij op. Dat hij materiële partij is, betekent dat hij zelf over de schending van zijn rechten en plichten kan procederen en dat hij zelf door de andere partij kan worden gedagvaard wegens schending van rechten. Dat hij formeel procespartij is, betekent dat hij zelf - zij het dan door middel van zijn organen of vertegenwoordigers - een rechtsprocedure kan starten en zich kan verdedigen. Uiteraard heeft hij zoals eenieder daarbij wel de hulp nodig van een advocaat of procureur ('verplichte procesvertegenwoordiging'), tenzij de procedure voor het kantongerecht speelt. Omdat de rechtspersoon zelf partij is, moet ook steeds zijn naam en woonplaats op de dagvaarding en andere processtukken worden ingevuld, en niet die van zijn bestuurders, aandeelhouders of leden.



Doel en doeloverschrijding

Een rechtspersoon is een abstracte onzichtbare figuur die alleen wordt opgericht om een bepaald doel gemakkelijker te kunnen verwezenlijken. Om die reden spreekt men wel van een doelorganisatie. Het doel van de rechtspersoon staat steeds in zijn statuten vermeld. Alle statuten bevatten daartoe een zogenaamde doelomschrijving, waarin het te verwezenlijken doel met zoveel woorden wordt aangeduid. Het te verwezenlijken doel kan van alles zijn. Het behartigen van sportbelangen of het bevorderen van de Nederlandse cultuur is evengoed een doel als het behalen van zoveel mogelijk winst in de uitoefening van een beroep of bedrijf. Wel moet men er rekening mee houden dat niet ieder doel binnen elke rechtsvorm kan worden nagestreefd. Juist in hun te verwezenlijken doel verschillen de privaatrechtelijke rechtspersonen sterk van elkaar. Zo mag een vereniging of stichting niet tot doel hebben het uitkeren van winst aan de leden of aan andere bij de rechtspersoon betrokken personen, terwijl deze doelstelling bij de naamloze en besloten vennootschap min of meer voorop staat. Of het doel in overeenstemming is met de wet, wordt in eerste instantie beoordeeld door de notaris die is belast met het opstellen van de notariële oprichtingsakte waarin de statuten zijn opgenomen. Bij naamloze en besloten vennootschappen houdt het Ministerie van Justitie daarnaast nog toezicht.

Zie voor de doelomschrijving van de vereniging art. 2:26 lid 1 BW, van de coöperatie art. 2:53 lid 1 BW, van de onderlinge waarborgmaatschappij art. 2:53 lid 2 BW en van de stichting art. 2:285 lid 3 BW. Voor de naamloze en besloten vennootschap bestaan geen wettelijke voorschriften met betrekking tot het te verwezenlijken doel. Wel zal hun doel in overeenstemming moeten zijn met de departementale richtlijnen die het Ministerie van Justitie hieromtrent heeft uitgevaardigd.

De statutaire doelomschrijving is van invloed op de handelingsbevoegdheid van de rechtspersoon alsmede op de vertegenwoordigingsmacht van zijn vertegenwoordigers. Het doel, zoals in de statuten omschreven, begrenst namelijk het rechtsgebied waarbinnen de rechtspersoon kan opereren. Dit staat in art. 2:7 BW: 'Een door een rechtspersoon verrichte rechtshandeling is vernietigbaar, indien daardoor het doel werd overschreden en de wederpartij dit wist of zonder eigen onderzoek moest weten; slechts de rechtspersoon kan een beroep op deze grond tot vernietiging doen'. Deze bepaling moet zo worden verstaan dat rechtshandelingen die op geen enkele wijze aan de verwezenlijking van het doel van de rechtspersoon gedienstig zouden kunnen zijn, door de rechtspersoon ongeldig kunnen worden verklaard. Voor de vraag of de rechtshandeling in overeenstemming met het doel van de rechtspersoon is, althans zou kunnen zijn, moet alleen worden gekeken naar de strekking van de bewuste rechtshandeling. Kan de rechtshandeling gezien haar concrete gevolgen onmogelijk bijdragen aan de verwezenlijking van het in de statuten omschreven doel, dan komt de rechtspersoon een beroep toe op de vernietiging daarvan. Of de rechtshandeling werkelijk ter verwezenlijking van het statutaire doel werd aangegaan, is derhalve irrelevant.

In de praktijk hanteren de meeste rechtspersonen een zeer ruime doelomschrijving, teneinde hun handelingsbevoegdheid niet onnodig te beperken. Dat een rechtshandeling niet aan het doel van de rechtspersoon gedienstig kan zijn, zal dan ook niet vaak voorkomen. Maar zelfs wanneer de rechtshandeling buiten de formele doelomschrijving van de rechtspersoon valt, dan nog kan zij niet altijd door deze laatste worden vernietigd. Vernietiging is namelijk alleen mogelijk wanneer de rechtspersoon bewijst dat zijn wederpartij wist en ook zonder eigen onderzoek had moeten weten dat met het verrichten van de rechtshandeling het doel van de rechtspersoon werd overschreden.

Openbaarmaking van de statuten, waarin het doel is opgenomen, geldt als onvoldoende bewijs, dat de wederpartij van het doel van de rechtspersoon op de hoogte was (art. 2:7 tweede zin BW). De rechtspersoon zal tenminste moeten aantonen dat de wederpartij langs een andere weg met het doel bekend was, of althans had moeten zijn. Voldoende voor dit bewijs lijkt, dat de rechtspersoon aantoont dat de statuten aan de wederpartij zijn toegestuurd. Een andere mogelijkheid is dat de rechtspersoon aantoont dat de wederpartij (of haar vertegenwoordiger) als bestuurder, aandeelhouder, lid of adviseur bij hem - de rechtspersoon - betrokken is (geweest) en om die reden met zijn statutaire doel bekend had moeten zijn.

Staat eenmaal vast dat de wederpartij bekend was met het statutaire doel, dan zal de rechtspersoon bovendien moeten bewijzen dat de wederpartij bij het aangaan van de rechtshandeling wist of had behoren te weten dat de gewraakte handeling niet in overeenstemming met dit doel was. De rechtspersoon kan daarbij alleen verwijzen naar de aard en de gevolgen van de verrichte rechtshandeling en de overige omstandigheden van het geval.

Uit het voorgaande volgt dat de wederpartij in het algemeen geen onderzoeksplicht heeft ten aanzien van de doelstelling van de rechtspersoon met wie zij een rechtshandeling aangaat. Alleen wanneer de rechtspersoon aantoont dat de wederpartij met het doel bekend was en dat zij gezien de concrete omstandigheden ook moest hebben geweten dat dit doel werd overschreden, staat de rechtshandeling bloot aan een vernietiging op grond van art. 2:7 BW (de wederpartij heeft in beginsel wel een onderzoeksplicht naar de externe vertegenwoordigingsbevoegdheid van de voor de rechtspersoon handelende persoon).

Toch geeft het bovenstaande een te beperkte uitleg van de werking van art. 2:7 BW. Deze bepaling eist immers alleen dat de wederpartij bij het aangaan van de rechtshandeling wist of zonder eigen onderzoek moest weten dat daarmee het doel van de rechtspersoon werd overschreden. Zij eist niet dat de wederpartij ook daadwerkelijk van de inhoud van dit doel op de hoogte was. Dit kan van invloed zijn wanneer het voor de wederpartij van aanvang af duidelijk moest zijn dat de rechtspersoon zelf geen enkel belang bij de bewuste rechtshandeling had, maar dat alleen anderen, bijvoorbeeld bestuurders of andere vertegenwoordigers, van de rechtshandeling voordeel zouden trekken. Het ontbreken van enig belang bij de rechtspersoon zal bij de wederpartij tot de conclusie moéten leiden dat de rechtshandeling op geen enkele manier aan de verwezenlijking van het doel van de rechtspersoon kan bijdragen. De wetenschap dat de rechtshandeling niet in het belang van de rechtspersoon werd verricht, houdt met andere woorden automatisch de wetenschap in dat daarmee het doel van de rechtspersoon werd overschreden. Met name langs deze weg zal art. 2:7 BW in stelling kunnen worden gebracht, bijvoorbeeld om het verlenen van persoonlijke of zakelijk zekerheid door een rechtspersoon voor de schuld van een ander (bijv. voor de privé-schuld van een bestuurder of aandeelhouder) als een aan het doel van die rechtspersoon strijdige rechtshandeling te kunnen kwalificeren. Zo heeft de rechter meerdere malen beslist dat het verstrekken van een hypotheek door een rechtspersoon ter dekking van een schuld van één van haar bestuurders of aandeelhouders in strijd was met het doel van de rechtspersoon, aangezien de hypotheekverkrijgende instantie (de bank) had moeten weten dat met deze rechtshandeling geen enkel belang van de rechtspersoon gediend was. Ook heeft de rechter beslist dat het zonder enig belang verstrekken van een hypotheek door een dochtermaatschappij voor de schuld van de moedermaatschappij in strijd met het doel van de eerstgenoemde rechtspersoon kan zijn. Hier zij men echter voorzichtig. Binnen een concernverband is het heel goed mogelijk dat de dochtermaatschappij een eigen belang heeft bij het verstrekken van zekerheid voor de schuld van haar moedermaatschappij, bijvoorbeeld omdat moeder en dochter in het economisch verkeer als eenheid optreden en ook als eenheid - bijvoorbeeld door middel van één centrale kredietmaatschappij binnen het concern - gelden van derden lenen. In het algemeen neemt men daarom aan dat het doel hier alleen wordt overschreden als de schulden van het concern, waarvoor de dochtermaatschappij zekerheid heeft gesteld, in geen enkele verhouding staan tot het veel kleinere vermogen van die dochtermaatschappij, terwijl deze laatste bovendien zelf nauwelijks van de met zekerheid gedekte kredieten gebruik maakt. In de overige gevallen mag de hypotheekverkrijger aannemen dat alle onderdelen binnen het als een eenheid opererende concern van de kredieten profiteren, zodat de verstrekking van de persoonlijke of zakelijke zekerheden geacht moeten worden binnen de doelomschrijving van iedere maatschappij te vallen. Overigens is er nimmer iets op tegen dat een particuliere aandeelhouder of een moedermaatschappij zekerheid stelt voor de schuld van een rechtspersoon waarin hij of zij deelneemt. Bij een particuliere aandeelhouder komt men aan de problematiek van doeloverschrijding niet toe, omdat art. 2:7 BW alleen voor rechtspersonen geschreven is. Bij een moedermaatschappij zal terzake van het verstrekken van leningen of zekerheden aan een dochtermaatschappij steeds een eigen financieel belang aanwezig zijn.

In de praktijk zal het, mede gelet op het bovenstaande, maar zelden voorkomen dat een beroep van een rechtspersoon op doeloverschrijding slaagt. Veel belang moet dan ook niet aan art. 2:7 BW worden gehecht. Toch is dit voorschrift niet overbodig. Zij biedt de rechtspersoon (en de andere bestuurders en aandeelhouders) bescherming tegen al te slordige bestuurders en andere vertegenwoordigers die namens hem optreden. Verder komt het voor dat rechtspersonen, bijvoorbeeld beleggingsmaatschappijen, tot het formuleren van een beperkte doelomschrijving gedwongen worden, zodat bij hen een doeloverschrijding eerder voor de hand ligt.

Het doel van de rechtspersoon, zoals in de statuten geformuleerd, begrenst de handelingsbevoegdheid van de rechtspersoon als geheel. Het spreekt voor zich dat dit ook gevolgen heeft voor de mate waarin de rechtspersoon zich door anderen kan laten vertegenwoordigen. Immers, als de rechtspersoon zelf niet buiten zijn eigen doel mag treden, mogen ook zijn bestuurders, gevolmachtigden en andere vertegenwoordigers dit niet. Doen zij dat toch, dan komt de rechtspersoon wederom de bevoegdheid toe de betreffende rechtshandeling te vernietigen, natuurlijk mits is voldaan aan de vereisten van art. 2:7 BW.



Algemene regels voor het bestuur

Iedere rechtspersoon, ongeacht zijn aard, heeft een bestuur. De wetgever heeft daarom in de artt. 2:9 - 2:11 BW voor dit orgaan een aantal algemene regels gegeven, die vervolgens bij de regeling van de afzonderlijke rechtspersonen nader worden uitgewerkt.

Het bestuur bestaat uit één of meer leden (natuurlijke personen of rechtspersonen). Het is als zodanig - dus als college - belast met het besturen van de rechtspersoon. Onder 'besturen' wordt verstaan het geven van leiding en het nemen van besluiten op het terrein dat volgens de wet en de statuten aan het bestuur is voorbehouden. In de regel zullen besluiten terzake van de structuur of organisatie van de rechtspersoon buiten het bereik van het bestuur blijven.

Behalve deze interne beslissingsbevoegdheid is het bestuur ook de eerste aangewezene om de rechtspersoon naar buiten toe te vertegenwoordigen. Het vervult aldus een dubbelfunctie. Het bestuur dat als vertegenwoordiger van de rechtspersoon optreedt, doet dat echter in een andere hoedanigheid dan als orgaan met interne beslissingsbevoegdheid. Beide bevoegdheden - de interne beslissingsbevoegdheid en de externe vertegenwoordigingsmacht - moeten derhalve goed van elkaar worden onderscheiden.

Het bestuur wordt als orgaan bij wet en statuten ingesteld. Het orgaan staat daarmee vast. De afzonderlijke bestuursleden moeten daarna nog worden benoemd door het orgaan dat daartoe krachtens de wet en de statuten bevoegd is. Meestal is dat de algemene vergadering of, zo deze aanwezig is, de raad van commissarissen. Soms is ook het bestuur zelf tot benoeming van (één van) haar leden bevoegd. Het orgaan dat tot benoeming van de bestuurder kan overgaan, is als regel ook bevoegd de benoemde bestuurder te schorsen en te ontslaan.

Elke bestuurder is tegenover de rechtspersoon gehouden tot een behoorlijke vervulling van de hem opgedragen taak. Indien het een aangelegenheid betreft die tot de werkkring van twee of meer bestuurders behoort, is ieder van hen voor het geheel aansprakelijk terzake van een tekortkoming, tenzij deze niet aan hem is te wijten en hij niet nalatig is geweest in het treffen van maatregelen om de gevolgen daarvan af te wenden (art. 2:9 BW).

Deze bepaling is overbodig, omdat de hier bedoelde aansprakelijkheid op zich al uit andere wetsbepalingen voortvloeit. De tweede zin, waarin het woord 'werkkring' wordt gebruikt, kan tot de verkeerde conclusie leiden dat het bestuur niet als college, dus als eenheid, interne bestuursbevoegdheid heeft, maar dat zulks aan de afzonderlijke bestuursleden toekomt. Dit is niet de bedoeling. Algemeen neemt men aan dat deze zin slechts ziet op het geval dat van het bestuur een of meer bijzondere bestuursorganen zijn afgesplitst, aan wie dan telkens een speciale taak is opgedragen. Wie deelhebber is in een dergelijk bestuursorgaan dient zijn taken evenzeer naar behoren te vervullen en is evengoed aansprakelijk voor de gevolgen wanneer hij daarin kwalijk tekortschiet. Het is een wellicht overdreven herhaling van wat de eerste zin in zijn algemeenheid voor het bestuur als zodanig stelt.

Het bestuur is verplicht tot het houden van zodanige aantekeningen omtrent de vermogenstoestand van de rechtspersoon, dat daaruit te allen tijde zijn rechten en verplichtingen kunnen worden gekend (art. 2:10 lid 1 BW). Onverminderd het bepaalde in de volgende titels van Boek 2 is het bestuur verplicht jaarlijks binnen zes maanden na afloop van het boekjaar een balans en een staat van de baten en de lasten van de rechtspersoon op te maken (art. 2:10 lid 2 BW). Het boekjaar van een rechtspersoon is het kalenderjaar, indien in de statuten geen ander boekjaar is aangewezen (art. 2:10aBW). Het bestuur is verplicht de in de vorige leden bedoelde bescheiden gedurende zeven jaren te bewaren (art. 2:10 lid 3 BW).

De aansprakelijkheid van een rechtspersoon als bestuurder van een andere rechtspersoon rust hoofdelijk op ieder die ten tijde van het ontstaan van de aansprakelijkheid van de rechtspersoon daarvan bestuurder is (art. 2:11 BW). Deze bepaling is in het kader van de anti-misbruikwetgeving ingevoerd. Ter bestrijding van misbruik van rechtspersonen heeft de wetgever de bestuurders van een rechtspersoon in een aantal situaties hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor de schulden van die rechtspersoon. Het gaat hier onder andere om gevallen waarin de belasting door de rechtspersoon werd ontdoken. Nu zou deze aansprakelijkstelling op eenvoudige wijze ongedaan kunnen worden gemaakt door niet een natuurlijke persoon, maar een andere (lege) rechtspersoon als bestuurder van die rechtspersoon aan te stellen. Immers, de fiscus kan dan wel de bestuurder van de belastingplichtige rechtspersoon aansprakelijk houden, maar als deze bestuurder een rechtspersoon is zonder verhaalbaar vermogen, schiet zij daar niets mee op. Art. 2:11 BW maakt duidelijk dat deze constructie niet tot vrijstelling van aansprakelijkheid leidt. In dat geval wordt gewoon door de bestuurder-rechtspersoon heen gekeken, net zolang totdat men uitkomt bij een natuurlijke persoon die - naast de belastingplichtige rechtspersoon en de bestuurder-rechtspersoon - hoofdelijk voor de schuld van de eerstgenoemde aansprakelijk is.



Dienstbetrekking tussen rechtspersoon en bestuurder

Een bestuurder ontvangt dikwijls een salaris voor het werk dat hij ten behoeve van de rechtspersoon verricht. Vaak is hij zelfs dagelijks in de weer om de dagelijkse gang van zaken van de rechtspersoon te besturen, bijvoorbeeld bij besloten vennootschappen, coöperaties of grote verenigingen (bijv. ANWB). In dat geval is de bestuurder tevens krachtens een arbeidsovereenkomst in dienst van de rechtspersoon. Er moeten dan twee rechtsverhoudingen tussen de rechtspersoon en de bestuurder worden onderscheiden.

  • In de eerste plaats de rechtspersoonlijke verhouding: de bestuurder is in die functie bevoegd en belast met de taken die hem krachtens Boek 2 BW en de statuten zijn toebedeeld.
  • In de tweede plaats een arbeidsrechtelijke verhouding: de bestuurder is tegelijkertijd als werknemer in dienst van de rechtspersoon, waarbij hun verhouding wordt beheerst door de arbeidsrechtelijke regels van titel 7.10 BW, de Arbowet en dergelijke.

Een bestuurder kan met onmiddellijke ingang door het daartoe bevoegde orgaan binnen de rechtspersoon uit zijn functie worden ontheven of ontslagen. Daarmee is een einde gekomen aan de bestuursfunctie die is gegrond op Boek 2 BW. Maar dit betekent niet automatisch dat ook de arbeidsovereenkomst daarmee is beëindigd. In beginsel loopt de arbeidsovereenkomst gewoon door en kan deze slechts met inachtneming van de daarvoor geldende opzegtermijnen worden beëindigd (een ontslagvergunning van het CWI is niet vereist). De bestuurder is dan bevoegd daartegen een proces aan te spannen en daarin als werknemer schadevergoeding te vorderen uit hoofde van een kennelijk onredelijk ontslag. Om dit te voorkomen kan de rechtspersoon ook meteen aan de rechtbank (B.V. en N.V.) of de kantonrechter (overige rechtspersonen) verzoeken om de arbeidsovereenkomst met de ex-bestuurder te ontbinden. Ook dan zal de rechtspersoon, afhankelijk van de omstandigheden, vaak een ontbindingsvergoeding aan de ex-bestuurder / werknemer moeten betalen.

Veelal bestaat verwarring over de functieaanduidingen 'bestuurder' en 'directeur'. Bestuurder is degene die krachtens het rechtspersonenrecht lid is van het bestuur en in die hoedanigheid krachtens Boek 2 BW bepaalde bevoegdheden en plichten heeft. Vaak wordt zo'n bestuurder aangeduid met de term 'directeur' en het bestuur met de term 'directie'. Daarbij worden deze termen als synoniemen gebruikt.

Maar met de term 'directeur' kan ook een niet-bestuurder worden bedoeld. Met name bij grote rechtspersonen 'hangt' onder het bestuur in de zin van Boek 2 dikwijls een dagelijks bestuur. Daarin hebben geen bestuurders in de zin van Boek 2 zitting, maar managers die uitsluitend krachtens een arbeidsovereenkomst in verhouding tot de rechtspersoon staan. Soms wordt dat dagelijks hoofdmanagement eveneens aangeduid met de term 'directie'. Het begrip 'directie' wordt zodoende in twee betekenissen gebezigd: als aanduiding voor het statutaire bestuur van de rechtspersoon in de zin van Boek 2 BW en als aanduiding voor het hoofdmanagement bestaande uit niet-bestuurders die uitsluitend krachtens een arbeidsovereenkomst in dienst zijn van de rechtspersoon. Uit de context moet worden achterhaald in welke betekenis de term wordt gebruikt.



Inschrijving van gegevens en statuten in het handelsregister

De wet verplicht de rechtspersoon om een aantal voor derden van belang zijnde gegevens te publiceren in het handelsregister, dat door eenieder kan worden geraadpleegd. Zo moet daarin onder meer worden vermeld wie bestuurders zijn van de rechtspersoon en of, en zo ja, in hoeverre zij de rechtspersoon mogen vertegenwoordigen door in diens naam rechtshandelingen met anderen aan te gaan.

Voorzover intern een bepaald besluit is genomen dat afwijkt van de in het handelsregister gepubliceerde gegevens, kan de rechtspersoon daarop geen beroep doen jegens derden (wederpartij) die van het afwijkende interne besluit onkundig waren. Derden mogen dus afgaan op de juistheid van de in het handelsregister gepubliceerde gegevens, tenzij de rechtspersoon aantoont dat die derde op een andere wijze van de onjuistheid van deze inschrijving op de hoogte was (art. 2:6 lid 1 en 2 BW). Een juiste of volledige inschrijving in een ander (openbaar) register dan het handelsregister of openbaarmaking van de statuten door inschrijving in het handelsregister, is op zichzelf echter niet voldoende bewijs dat de derde (wederpartij) van de onjuistheid of onvolledigheid op de hoogte was (art. 2:6 lid 3 BW). Dat de derde (wederpartij) de onjuistheid van de inschrijving in het handelsregister had kunnen kennen door raadpleging van het minderjarigenregister, de openbare registers voor registergoederen of een ander openbaar register of door raadpleging van een (niet openbaar) leden- of aandeelhoudersregister, betekent dus niet dat hij geacht moet worden te hebben geweten dat de inschrijving in het handelsregister, die van de andere inschrijving afweek, onjuist of onvolledig was. Daarvoor is meer vereist. De rechtspersoon moet aantonen dat de derde (wederpartij) op een andere wijze van de onjuistheid of onvolledigheid van de inschrijving in het handelsregister kundig was of moet zijn geweest. Dat zou bijvoorbeeld het geval kunnen zijn wanneer de wederpartij tevens aandeelhouder of lid is van de rechtspersoon en zelf aanwezig was op de algemene vergadering waarin een van de inschrijving afwijkend besluit werd genomen. Alsdan was de aandeelhouder of het lid van de werkelijke situatie, zoals vastgesteld bij het interne besluit, op de hoogte en zal hij zich niet op de inschrijving in het handelsregister kunnen beroepen.

Voor de goede orde: kon de derde (wederpartij) de onbevoegdheid van de bestuurder kennen uit het faillissements- of surséanceregister, dan kan de curator (faillissement) of bewindvoerder (surséance) de onbevoegdheid van de bestuurder wel aan de derde tegenwerpen (art. 2:6 lid 5 BW).

Voorzover de wet niet anders bepaalt, kan de wederpartij van de rechtspersoon zich anderzijds niet beroepen op onbekendheid met een feit dat op de juiste wijze in het handelsregister is ingeschreven. De rechtspersoon mag aan de wederpartij dus feiten tegenwerpen die op een juiste wijze in het handelsregister ingeschreven zijn. Dit speelt met name bij de onbevoegdheid van een bestuurder of een andere persoon, die de wederpartij door raadpleging van het handelsregister had kunnen kennen. Of de wederpartij daadwerkelijk het handelsregister heeft geraadpleegd, doet daarbij niet ter zake. Maar uit de wet kan anders voortvloeien. In het bijzonder moet hierbij worden gedacht aan art. 3:61 lid 1 en 2 BW.

Is een rechtshandeling namens de rechtspersoon verricht door een persoon die daartoe gezien de inschrijving in het handelsregister niet bevoegd was, dan kan de wederpartij de rechtspersoon toch aan die handeling gebonden houden, wanneer de bestuurders of organen binnen de rechtspersoon die wel tot het verrichten van de bewuste rechtshandeling bevoegd waren, zelf jegens de wederpartij door gedragingen of verklaringen de schijn hebben gewekt, dat de onbevoegde persoon de betreffende rechtshandeling wel in naam van de rechtspersoon mocht aangaan (art. 3:61 lid 2 BW). Wanneer een leverancier voor het eerst goederen aan de rechtspersoon verkoopt en daarbij handelt met een bestuurder die blijkens het handelsregister niet vertegenwoordigingsbevoegd is, mag de rechtspersoon die onbevoegdheid aan de leverancier tegenwerpen. Door raadpleging van het handelsregister had de leverancier immers kunnen weten dat deze bestuurder een dergelijke verkoopovereenkomst niet namens de rechtspersoon mag sluiten. Maar stel dat de bewuste bestuurder, hoewel blijkens de inschrijving in het handelsregister daartoe onbevoegd, al vele malen met deze leverancier dergelijke verkoopovereenkomsten heeft gesloten, die ook alle door de rechtspersoon zijn nagekomen en betaald. Vervolgens koopt de onbevoegde bestuurder namens de rechtspersoon een partij goederen die achteraf toch niet nodig blijken te zijn. Mag de rechtspersoon dan nog naar het handelsregister wijzen en aan de leverancier tegenwerpen dat deze heeft gehandeld met een vertegenwoordigingsonbevoegde bestuurder, hetgeen de leverancier door raadpleging van het handelsregister had kunnen kennen? Nee, hier heeft de rechtspersoon, door in het verleden dergelijke verkoopovereenkomsten zonder meer na te komen, zelf door verklaringen of gedragingen de schijn jegens de leverancier gewekt dat de onbevoegde bestuurder wel gerechtigd was om zulke verkoopovereenkomsten namens de rechtspersoon aan te gaan. De leverancier kan de rechtspersoon dus ook gebonden houden aan de laatste verkoopovereenkomst.

In dit verband wordt tevens verwezen naar art. 3:61 lid 3 BW: Indien een in het handelsregister openbaargemaakte volmacht beperkingen bevat, die zo ongebruikelijk zijn dat de wederpartij ze daarin niet behoefde te verwachten, kunnen deze haar niet worden tegengeworpen, tenzij zij ze kende. Stel dat een fabrikant van zeilboten aan een van haar agenten een volmacht heeft verstrekt tot het verkopen van die boten. De volmacht is in het handelsregister ingeschreven, zodat derden eenvoudig door raadpleging van dit register kunnen controleren of de betreffende agent bevoegd is dergelijke transacties namens de fabrikant te sluiten. Het zou immers omslachtig zijn als de derde telkens het bestuur zou moeten raadplegen omtrent de vertegenwoordigingsbevoegdheid van de agent met wie hij heeft gehandeld. Nu komt in de volmacht, die in het handelsregister is ingeschreven, tevens de bepaling voor dat de agent, die een zeilboot aan een derde heeft verkocht, niet gerechtigd is om de door die derde te betalen koopprijs in ontvangst te nemen. Mag de fabrikant dit aan de derde tegenwerpen, wanneer die toch aan de agent de koopprijs contant uitbetaalt. Ja, dat mag de fabrikant. Een dergelijke beperking is immers zeer gebruikelijk. Anders wordt het echter wanneer de agent krachtens de ingeschreven volmacht niet bevoegd is om tevens overeenkomsten ten aanzien van de bij te leveren zeilen te sluiten. Dat is in de gegeven omstandigheden zo ongebruikelijk dat de fabrikant zich niet op deze beperking van de volmacht kan beroepen.



Het einde van een rechtspersoon (ontbinding en vereffening)

Een rechtspersoon 'leeft' slechts bij de gratie van het recht. Ook zijn voortbestaan wordt uitsluitend bepaald door de regels die het recht hieromtrent stelt. Het einde van de rechtspersoon wordt telkens ingeleid met zijn ontbinding. Met de ontbinding is de rechtspersoon op zichzelf echter nog niet opgeheven. Ook na de ontbinding blijft de rechtspersoon in stand, zij het slechts voorzover dat noodzakelijk is voor de vereffening van het in de rechtspersoon aanwezige vermogen. Pas nadat deze vereffening is voltooid, is aan de rechtspersoon als zodanig een einde gekomen.

Vanaf zijn ontbinding neemt de rechtspersoon niet meer als een volwaardig rechtssubject aan het rechtsverkeer deel. Hij houdt immers op te functioneren als organisatie ter verwezenlijking van zijn statutaire doel en is enkel nog gericht op de vereffening van zijn vermogen. Om die reden is het voor derden van belang te weten dat de rechtspersoon inmiddels is ontbonden. In stukken en aankondigingen die van een ontbonden rechtspersoon uitgaan, moet daarom telkens aan de naam van de rechtspersoon worden toegevoegd de woorden: 'in liquidatie' (art. 2:19 lid 5 BW). De ontbinding moet tevens in het betreffende rechtspersonenregister worden aangetekend.

Een rechtspersoon wordt blijkens art. 2:19 lid 1 BW ontbonden:

  1. door een besluit van de algemene vergadering of, indien de rechtspersoon een stichting is, door een besluit van het bestuur;
  2. bij het intreden van een gebeurtenis die volgens de statuten de ontbinding tot gevolg heeft (bijv. verwezenlijking statutaire doel), en die niet een besluit of een op ontbinding gerichte handeling is;
  3. na faillietverklaring door hetzij opheffing van het faillissement wegens de toestand van de boedel, hetzij door insolventie;
  4. door het geheel ontbreken van leden, indien de rechtspersoon een vereniging, coöperatie of onderlinge waarborgmaatschappij is;
  5. door de Kamer van Koophandel, vanwege het feit dat de rechtspersoon naar een aantal min of meer objectieve criteria gedurende enige tijd een sluimerend bestaan leidt, zonder enige activiteiten te ontplooien (zie ook art. 2:19a BW);
  6. door de rechter in de gevallen in de wet bepaald, waarbij men vooral moet denken aan de omstandigheid dat het doel of de werkzaamheden van de rechtspersonen in strijd zijn met de wet of openbare orde (art. 2:20 BW) of dat aan de oprichting van de rechtspersoon gebreken blijken te kleven (art. 2:21BW, art. 2:22 BW en art. 2:22a BW).

De liquidatie van de ontbonden rechtspersoon geschiedt door het vereffenen van de schulden en het uitbetalen van een eventueel restant aan de aandeelhouders / leden (art. 2:23b BW). Tenzij de statuten anders bepalen, treden de bestuurders van de rechtspersoon op als vereffenaars van het vermogen van de ontbonden rechtspersoon (art. 2:23 BW). In beginsel heeft de vereffenaar dezelfde bevoegdheden, rechten en plichten als de bestuurder van de rechtspersoon (art. 2:23a BW).

Na de vereffening van het vermogen, derhalve na betaling van de schulden en de eventuele uitkering van een batig saldo, houdt de rechtspersoon op te bestaan. Blijken er daarna toch nog baten te bestaan, dan kan de rechtbank op verzoek van de vereffenaar de vereffening heropenen (art. 2:23c BW). De boeken en andere stukken van de rechtspersonen moeten ten minste zeven jaar worden bewaard (art. 2:24 BW).