Procesrecht (civiel)


Het civiele geding

Voor de meeste mensen is de gang naar de rechter geen alledaagse weg. Voor hen die wel met het gerechtelijk apparaat in aanraking komen, is het niet altijd even gemakkelijk om het verloop van de gerechtelijke procedure te volgen en de gehanteerde begrippen te begrijpen. De rechtswereld verwordt dan al snel tot een doolhof, waarin men de weg kwijt raakt. Vandaar deze korte toelichting. Hierin wordt beschreven hoe een civiele procedure gewoonlijk verloopt en welke juridische termen er zoal worden gebruikt. Hopelijk hebt u daardoor enig houvast om de voor u belangrijkste punten in het juiste perspectief te plaatsen. Vooraf dient wel een duidelijke afbakening te worden gemaakt tussen en aantal verschillende rechtsgebieden, omdat het onmogelijk is alles te bespreken.

Alleen het civiele geding komt hier aan de orde. Een civiel geding is een rechtszaak tussen twee burgers onderling, tussen twee bedrijven (of instellingen) onderling of tussen een burger en een bedrijf, en dit telkens over een privaatrechtelijke kwestie. Omdat de positie van een bedrijf en instelling in het privaatrecht precies dezelfde is als die van gewone burgers (dus van mensen c.q. natuurlijke personen), worden zij gemakshalve eveneens onder de noemen 'burgers' of 'personen' aangeduid.

Het privaatrecht (civiele recht) regelt de rechtsverhouding tussen personen op vermogensrechtelijk, ondernemingsrechtelijk en familierechtelijk gebied. Er zijn nog twee andersoortige rechtsgedingen, die hier niet worden behandeld. Ten eerste de strafzaak: dit is een rechtszaak tussen het Openbaar Ministerie en de verdachte van een misdrijf of overtreding. Ten tweede een bestuursrechtszaak (of administratief geding): dit is een rechtsgeding tussen een burger en de gemeente of een andere overheidsinstantie over een publiekrechtelijke aangelegenheid, zoals een vergunning, bestemmingsplan, milieuregel, uitkering, subsidie, belastingaanslag of de vreemdelingenwet. Ook de rechtbank is in deze drie verschillende groepen onderverdeeld, namelijk in de sector civiel recht, de sector strafrecht en de sector bestuursrecht. In tegenstelling tot bij het strafrecht en het bestuursrecht speelt de overheid binnen het privaatrecht geen doorslaggevende rol. Weliswaar stelt zij de privaatrechtelijke regels vast die tussen burgers onderling gelden en staat zij ervoor in dat er een degelijk gerechtelijk apparaat is om over eventuele geschillen tussen die burgers te beslissen, maar voor het overige verschilt haar positie niet van die van andere personen die aan het privaatrechtelijke verkeer deelnemen, zoals van burgers, bedrijven en instellingen.

Het privaatrecht wordt in drie deelgebieden onderscheiden:

  • het vermogensrecht
Tot het vermogensrecht behoren bijvoorbeeld alle kwesties met betrekking tot het sluiten en niet-nakomen van een overeenkomst (contract) en met betrekking tot de eigendom van roerende en onroerende zaken. Daaruit vloeit vaak weer een recht op schadevergoeding voort, bijvoorbeeld als schade is ingetreden als gevolg van wanprestatie (niet-nakoming van een overeenkomst door de wederpartij) of door een onrechtmatige daad (schade door een verkeersongeval of misdrijf, letselschade e.d.). Het vermogensrecht is geregeld in Boek 3, Boek 5, Boek 6 en Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek.
  • het ondernemingsrecht
Het ondernemingsrecht ziet voornamelijk op het recht inzake de oprichting en organisatie van rechtspersonen (besloten en naamloze vennootschap (bv en nv), coöperatie, vereniging en stichting) en van personenvennootschappen (maatschap, vennootschap onder firma (v.o.f.) en commanditaire vennootschap (CV)). Het is te vinden in Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek en in het Wetboek van Koophandel.
  • het familierecht

    Het familierecht regelt de familiaire verhoudingen van natuurlijke personen tot elkaar en de gevolgen die deze verhoudingen volgens de wet hebben. Het heeft bijvoorbeeld betrekking op het sluiten en ontbinden van een huwelijk of geregistreerd partnerschap alsmede op de naam, afstamming, adoptie, ouderlijk gezag en minderjarigheid van personen. Een belangrijk onderdeel van het familierecht is het huwelijksvermogensrecht, dat met name aan de orde komt in geval van een echtscheiding, wanneer de huwelijksgoederengemeenschap moet worden ontbonden en de hoogte van de alimentatie moet worden bepaald. Een bijzonder onderdeel van het familierecht is het zogenaamde erfrecht. Dat regelt hoe het vermogen van een natuurlijke persoon na diens dood overgaat op andere personen. Die overgang verloopt grotendeels langs familierechtelijke lijnen. Het familierecht is samengebracht in Boek 1 (personen- en familierecht) en Boek 4 (erfrecht) van het Burgerlijk Wetboek. Uit zijn aard is het alleen van belang voor natuurlijke personen. Een rechtspersoon kan immers niet trouwen, geen kinderen krijgen en ook niet overlijden.

Alle geschillen met betrekking tot één van de hier genoemde privaatrechtelijke onderwerpen worden door de civiele rechter beslecht. Een civiel geding kan daarbij op twee manieren door een partij (burger, bedrijf of instelling) tegen een andere partij worden gestart: ofwel door een dagvaarding, ofwel door een verzoekschrift bij de rechter in te dienen. In het eerste geval spreekt men van een dagvaardingsprocedure. In het tweede geval van een verzoekschriftprocedure. Voor beide procedures gelden afzonderlijke voorschriften, die aangeven welke regels er tijdens het rechtsgeding in acht moeten worden genomen en hoe het proces verloopt. Wel zijn deze regels grotendeels op elkaar afgestemd. De dagvaardingsprocedure vormt in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering het uitgangspunt. De verzoekschriftprocedure is hiervan afgeleid.

Globaal kan men zeggen dat geschillen op vermogensrechtelijk en ondernemingsrechtelijk gebied steeds door middel van een dagvaarding moeten worden gestart. Voor rechtszaken op familierechtelijk gebied geldt meestal de verzoekschriftprocedure (bijv. verzoek tot echtscheiding, verzoek tot benoeming van een bewindvoerder of voogd), behalve als het zuiver om een financieel geschil gaat, zoals de verdeling van een huwelijksgoederengemeenschap of nalatenschap. Dit is echter geen wet van Meden en Perzen. Bij een ontbinding van een arbeidsovereenkomst of het aanvragen van een faillissement behoren de financiële gevolgen als regel tot de belangrijkste onderwerpen waarover partijen strijden. Niettemin moeten deze procedures bij verzoekschrift worden ingeleid.

In het vervolg wordt uitsluitend de dagvaardingsprocedure behandeld. Deze procedure moet bijvoorbeeld worden gevolgd bij geschillen over de totstandkoming en nakoming van een overeenkomst, de betaling van schulden, de gerechtigdheid van personen tot een bepaald object, de inbreuk door een derde op een recht van een ander en allerlei vormen van schadevergoedingen. Voor belangrijke verzoekschriftprocedures wordt verwezen naar een samenvattend overzicht.



Rechtsgeschil

Wanneer partijen een conflict met elkaar hebben en er onderling niet uitkomen, kan één van hen het geschil ter beoordeling voorleggen aan de rechter. Die geeft dan een uitspraak waaraan beide partijen gebonden zijn en waarvan de nakoming, zo nodig met behulp van de sterke arm van politie en justitie, kan worden afgedwongen, bijvoorbeeld door het verbeuren van een dwangsom ten laste van de gedaagde of door verhaal te nemen op diens vermogen. De rechter dient uiteraard onafhankelijk te beoordelen welke partij, volgens de regels van het recht, gelijk heeft. Alleen wanneer voldoende is vast komen te staan dat de rechtsvordering van de eiser gerechtvaardigd is, wordt deze bij vonnis door de rechter toegewezen. Alleen zo'n vonnis kan, zo nodig - indien de veroordeelde niet zelf tot voldoening overgaat - met inschakeling van de deurwaarder en de politie, dwingend tegen een andere persoon ten uitvoer worden gelegd.

Een gerechtelijke procedure is met waarborgen omkleed teneinde te verzekeren dat op een evenwichtige en onpartijdige manier met de belangen van beide partijen rekening wordt gehouden. De wet stelt om die reden bepaalde eisen aan de manier waarop een gerechtelijke procedure moet worden gevoerd. Het beginsel van hoor en wederhoor is daarbij van groot belang. Beide partijen moeten voldoende gelegenheid krijgen om hun standpunten tijdens het proces naar voren te brengen, zowel schriftelijk als mondeling, en om te reageren op de stellingen van de ander. Voor wat het privaatrecht betreft, zijn de procesregels neergelegd in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). De wettelijke regels die bepalen hoe een gerechtelijke procedure verloopt en welke mogelijkheden een partij daarbinnen heeft, worden wel aangeduid als formeel recht.



Absolute en relatieve bevoegdheid van de rechter

Het civiele recht in Nederland kent vier verschillende gerechtelijke instanties die over een privaatrechtelijk geschil kunnen beslissen. Van laag naar hoog zijn dat het kantongerecht, de rechtbank, het gerechtshof en de Hoge Raad. Wie van deze vier gerechtelijke instanties bevoegd is om van een bepaald rechtsgeschil – als eerste of in hoger beroep - kennis te nemen, wordt door de wet bepaald aan de hand van de aard en omvang van het geding. De vraag welk soort gerechtelijke instantie bevoegd is van de zaak kennis te nemen, heeft betrekking op de 'absolute bevoegdheid' van de rechter. Partijen kunnen niet van de wettelijke regeling inzake de absolute competentie afwijken, zelfs niet bij overeenkomst.

Hierop bestaan twee uitzonderingen. Volgens de absolute competentieregels dient ofwel het kantongerecht, ofwel de rechtbank als eerste over een zaak te beslissen. Het gerechtshof oordeelt alleen in appèl, dus wanneer tegen een uitspraak van het kantongerecht of de rechtbank hoger beroep wordt ingesteld. Echter in alle voor hoger beroep bij het gerechtshof vatbare geschillen over zaken die ter vrije bepaling van partijen staan, kunnen partijen overeenkomen dat die geschillen bij aanvang van het geding meteen ter kennis van het gerechtshof worden gebracht, zodat het kantongerecht of de rechtbank als eerste rechtsprekende instantie wordt overgeslagen (‘prorogatie’ van art. 329 Rv). Een zaak staat niet ter vrije beoordeling van partijen als zij de openbare orde raakt, zoals zich vooral voordoet bij bepaalde familierechtelijke kwesties of op het gebied van het faillissementsrecht. Bij nagenoeg alle andere civiele zaken is prorogatie steeds toegestaan, mits met wederzijdse instemming van partijen. Een daartoe strekkend beding kan reeds vóór het ontstaan van het geschil worden overeengekomen, bijvoorbeeld via de van toepassing verklaarde algemene voorwaarden, maar ook daarna, wanneer zich daadwerkelijk een geschil voordoet. In de praktijk wordt evenwel zelden of nooit van de mogelijkheid tot prorogatie gebruikgemaakt. Partijen mogen eveneens onderling overeenkomen dat na de uitspraak van het kantongerecht of de rechtbank, dus na het rechtsgeding in eerste aanleg, géén hoger beroep kan worden ingesteld bij het gerechtshof, maar uitsluitend direct een cassatieberoep kan worden ingediend bij de Hoge Raad. In dat geval wordt de hoger beroepsinstantie (het gerechtshof) gepasseerd ('sprongcassatie')

Behoudens het geval van prorogatie, moet een procedure dus altijd worden begonnen bij de rechtbank of het kantongerecht (rechter in eerste aanleg). Het gerechtshof is uitsluitend een appèlrechter (rechter in hoger beroep). In principe is de rechtbank bevoegd om van alle zaken kennis te nemen, behalve die welke bij wet tot de absolute bevoegdheid van het kantongerecht behoren. Is het kantongerecht niet bevoegd om een bepaalde zaak te behandelen, dan moet het rechtsgeding dus altijd bij de rechtbank worden gestart. De kantonrechter is bevoegd in rechtszaken met een geldwaarde tot € 25.000 (tot 1 juli 2011 was deze grens € 5.000) alsook in enkele specifiek door de wet genoemde gevallen, en dit laatste ongeacht de geldwaarde of het belang van de zaak. Het gaat bij deze speciale gevallen om alle zaken die verband houden met een arbeidsovereenkomst, huur (van woningen, kantoren en bedrijfsgebouwen), huurkoop, een agentuurovereenkomst of pacht. Abeidszaken tussen statutaire directeuren van naamloze en besloten vennootschappen vallen evenwel niet onder de competentie van de kantonrechter, maar onder die van de rechtbank. Sinds 1 juli 2011 is de kantonrechter eveneens absoluut bevoegd als rechter in eerste aanleg ten aanzien van alle zaken betreffende een krediettransactie als bedoeld in de Wet op het consumentenkrediet of een consumentenkoopovereenkomst, en dit dus eveneens ongeacht het beloop of de waarde van de vordering. Opgemerkt zij dat de begrippen "consumentenkoop" en "krediettransacties" in andere wetten zijn gedefinieerd. Ingevolge artikel 7:5 BW wordt onder consumentenkoop verstaan: de koop met betrekking tot een roerende zaak, elektriciteit daaronder begrepen, die wordt gesloten door een verkoper, die handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf, en een koper, natuurlijk persoon, die niet handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf. Artikel 1, onder a, van de Wet op het consumentenkrediet bevat de omschrijving van "krediettransactie". In de daarop volgende artikelen van die wet is de reikwijdte van de wet nader afgebakend. Zo vloeit uit artikel 2 voort dat het gaat om geldleningen met een maximum van € 40 000. Indien de geldlening een bedrag van € 40.000 overschrijdt, is er dus geen sprake meer van een consumentenkrediettransactie die binnen de bevoegdheid van de kantonrechter valt. De kantonrechter is dus altijd rechter in eerste aanleg als het belang van de zaak een bedrag van € 25.000 niet overstijgt en tevens als de zaak betrekking heeft op één van de hiervoor genoemde overeenkomsten, zelfs als het belang ervan (veel) méér bedraagt dan € 25.000. Start men een dergelijke zaak bij een rechtbank, dan zal deze zich onbevoegd verklaren om haar in behandeling te nemen.

Partijen mogen wel in die zin van de volgens de wet geldende absolute bevoegdheid afwijken dat zij het geschil niet onderwerpen aan een arbitragecommissie of een geschillencommisse die een zogenaamd bindend advies geeft, en dus niet het oordeel van een rechter. Is een dergelijke afspraak schriftelijk tussen partijen gemaakt (nadat het geschil is ontstaan of reeds bij voorbaat in de overeenkomst toen partijen hun relatie aangingen waaruit later het geschil is voortgevloeid), dan mag de rechter zich niet meer absoluut bevoegd verklaren. Partijen zijn op grond van dit arbitrage- of geschillenbeding aangewezen op het volgen van een procedure bij de arbitrage- of geschillencommissie. Consumenten ondervinden in dit opzicht echter bescherming. Komt een zogenaamd bindendadviesbeding voor in de algemene voorwaarden van de ondernemer met wie de consument de overeenkomst is aangegaan, dan behoudt de consument het recht om te kiezen voor de gewone (burgerlijke) rechter die anders, zonder dat beding, absoluut bevoegd zou zijn geweest (art. 6:236 onder n BW). Sluit de consument bijvoorbeeld een koopovereenkomst met de eigenaar van een winkel, waarin is opgenomen dat eventuele conflicten zullen worden beslecht door de Geschillencommissie Woonmeubels, dan is ook de consument daaraan gebonden, tenzij dat beding moet worden aangemerkt als behorende tot de algemene voorwaarden van de winkelier. Dit laatste is vrijwel altijd het geval, ook als het in het normale contract is opgenomen en niet enkel in 'de kleine lettertjes'. Voor een zogenaamd arbitragebeding geldt het voormelde overigens niet. Anders dan bij bindend advies achtte de wetgever de kwaliteit en onpartijdigheid bij arbitrage voldoende geregeld, dit met het oog op de uitgebreide bepalingen voor arbitrage in het Wetboek voor Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). Zulk een wettelijke regeling ontbreekt voor het bindend advies. Een beding, bijvoorbeeld in een verzekeringspolis, waarin bij voorbaat wordt overeengekomen dat eventuele schade te zijner tijd zal worden bepaald door een derde, is geen beding ter beslechting van een geschil, en derhalve geen beding dat een eventueel geschil aan een bindend advies van een derde onderwerpt. Ook als het voorkomt in de algemene polisvoorwaarden is een dergelijk beding dus geldig, zonder dat de consument het terzijde kan stellen.

De vaststelling van de absolute bevoegdheid is tevens van belang voor de vraag of partijen zelf in het rechtsgeding mogen optreden of dat zij zich daarbij verplicht moeten laten vertegenwoordigen door een advocaat ('beginsel van verplichte procesvertegenwoordiging'). Behoort de zaak tot de bevoegdheid van het kantongerecht, dan mogen partijen namelijk zelf alle proceshandelingen verrichten. Zo kunnen zij zelf schriftelijke stukken indienen (al dient de dagvaarding altijd door een deurwaarder te worden betekend) en mogen zij zelf het woord voeren tijdens een eventuele zitting. Indien zij dat willen, mogen ze zich ook laten bijstaan door een gemachtigde die namens hen optreedt. Dit kan een advocaat zijn, maar verplicht is dat niet. Ook een andere jurist of zelfs een familielid of collega met meer kennis van zaken, is gerechtigd om een partij in een kantonrechtsprocedure bij te staan. Behoort de te behandelen zaak echter tot de bevoegdheid van de rechtbank, dan moeten beide partijen zich laten vertegenwoordigen door een advocaat. Zij zijn in dat geval dus niet bevoegd om zelf processuele handelingen te verrichten, zoals het indienen van schriftelijke stukken, het houden van een getuigenverhoor of van een pleidooi enzovoorts. Evenmin mogen zij zonder advocaat zelf ter zitting verschijnen. Deze verplichting staat bekend als het beginsel van 'verplichte procesvertegenwoordiging'. Zij beoogt enerzijds om partijen tegen zichzelf te beschermen en anderzijds om de rechterijke macht te ontlasten en een snellere en onpartijdige afwikkeling van zaken te bevorderen.

Het beginsel van verplichte procesvertegenwoordiging geldt eveneens in hoger beroepszaken bij het gerechtshof en in geval van cassatie bij de Hoge Raad. Tot het verrichten van proceshandelingen in cassatiezaken bij de Hoge Raad zijn bovendien uitsluitend bevoegd advocaten die als zodanig zijn ingeschreven bij de balie van het arrondissement Den Haag. De gedachte hierachter is dat de procedure bij de Hoge Raad zoveel afwijkende procesregels kent dat alleen advocaten uit Den Haag geacht worden hiermee voldoende bekend te zijn. Dit komt mede doordat de Hoge Raad uitsluitend mag beoordelen of het gerechtshof in hoger beroep het recht juist heeft uitgelegd en toegepast. De Hoge Raad controleert zelf niet meer of het Hof in zijn arrest (uitspraak) is uitgegaan van de juiste feiten. Die worden door de Hoge Raad als vaststaand aangenomen. Het beginsel van verplichte procesvertegenwoordiging is niet van toepassing op iemand die wordt gedagvaard in kort geding. In tegenstelling tot de eiser in kort geding, die zich wel door een advocaat moet laten vertegenwoordigen (behoudens wanneer het gaat om een kort geding bij het kantongerecht), mag de gedaagde in een kort gedingprocedure alleen, dat wil zeggen zonder advocaat, naar de mondelinge zitting gaan om zich aldaar tegen de vorderingen van de eiser te verweren.

De 'relatieve bevoegdheid' van de rechter komt pas aan de orde als de absolute bevoegdheid (welk soort instantie: rechtbank óf kantongerecht) is vastgesteld en houdt verband met het feit dat Nederland in verschillende territoriale rechtsgebieden is ingedeeld. Er zijn vijf verschillende ‘ressorten’, dat wil zeggen gebieden die onder een bepaald gerechtshof ressorteren. Er zijn derhalve ook vijf verschillende gerechtshoven, te weten: Leeuwarden (Noord-Nederland), Den Haag (Zuidwest-Nederland), Amsterdam (Middenwest-Nederland), Arnhem (Middenoost-Nederland) en ’s-Hertogenbosch (Zuid-Nederland). Ieder ressort bestaat uit twee of meer arrondissementen. Dit is het territoriale rechtsgebied dat onder de bevoegdheid van een bepaalde rechtbank valt. In totaal telt Nederland 19 arrondissementen. Die zijn op hun beurt weer onderverdeeld in twee of meer kantons, zijnde het territoir dat bij wet aan een bepaald kantongerecht is toebedeeld. Nederland telt 56 kantongerechten met ieder hun eigen territoir.

De territoriale competentie van een rechtsprekende instantie wordt 'relatieve bevoegdheid' genoemd, omdat de wettelijke regeling op dit gebied niet absoluut vastligt, maar door partijen zelf bij overeenkomst mag worden ingevuld. In tegenstelling tot wat als beginsel voor de absolute bevoegdheid geldt, is het partijen namelijk wel toegestaan om onderling overeen te komen dat een andere rechtbank dan die welke in beginsel door de wet is aangewezen, het geschil tussen partijen behandelt. Zo'n overeenkomst heeft het beoogde effect. De rechtbank of kantonrechter die volgens de wet relatief bevoegd zou zijn om over de zaak te beslissen, moet zich in zo'n geval onbevoegd verklaren en de zaak doorverwijzen naar de door partijen zelf aangewezen rechtbank of kantonrechter.

Wanneer men een bepaalde rechtszaak wil beginnen en men weet dat bijvoorbeeld de rechtbank als enige bevoegd is om dit soort zaken in behandeling te nemen, dan dient men vervolgens te achterhalen bij welke van de 19 rechtbanken in Nederland de zaak moet worden ingediend (zie voor de gerechtelijke indeling het linkermenu). Men kan daarvoor niet zomaar naar eigen keuze één van de 19 rechtbanken uitzoeken. De wet geeft aan welke rechtbank relatief bevoegd is. De stelregel is dat degene die door een ander voor een gerecht wordt gedaagd, de mogelijkheid moet hebben om zich zo dicht mogelijk bij zijn woon- of vestigingsplaats tegen de rechtsvorderingen van de ander te verweren. Het werd onwenselijk geacht wanneer degene die niet om een gerechtelijke procedure heeft verzocht, maar door een ander daarin wordt betrokken, naar de andere kant van het land zou moeten gaan om zich daar te verweren. Dit bezwaar speelt thans natuurlijk minder een rol dan vroeger, maar nog altijd is het prettiger om in de eigen omgeving een gerechtelijke procedure te voeren en gebruik te maken van de hulp van een advocaat uit de eigen streek, die men wellicht vaak zal moeten bezoeken. Vandaar dat de relatieve bevoegdheid is gekoppeld aan de woon- of vestigingsplaats van degene die door een ander voor het gerecht wordt gedaagd (dus van de gedaagde). Degene die het geding start (eiser), kan zijn rechtsvordering derhalve alleen instellen bij de rechtbank (of wanneer het kantongerecht absoluut bevoegd is: bij het kantongerecht) binnen wier arrondissement (respectievelijk kanton) de woon- of vestigingsplaats van de gedaagde ligt. Waar de eiser zelf woont, doet niet ter zake. Bij uitzondering is echter ook de rechbank of het kantongerecht van de woonplaats van de eiser bevoegd, naast die van de woonplaats van de gedaagde. De eiser heeft dan de keuze uit twee relatief bevoegde instanties (dus twee verschillende rechtbanken of twee verschillende kantongerechten), uiteraard mits zijn woonplaats niet in hetzelfde arrondissement of kanton ligt als die van de gedaagde. Deze uitzonderingen zijn ingegeven door de wens om sociaaleconomisch zwakkere partijen (bijv. werknemers, consumenten, huurders) een betere procespositie te bieden voor het geval zij een gerechtelijke procedure willen beginnen tegen een grote wederpartij (bijv. een multinational dat zijn hoofdkantoor in een ander deel van het land heeft). Voor zo'n 'kleine eiser' kan het immers bezwaarlijk zijn om naar een ander deel van het land te reizen om daar een rechtszaak te voeren, terwijl van zo'n 'grote gedaagde' mag worden verwacht dat deze zich overal voldoende zal kunnen verweren.

Met de keuze van de woon- of vestigingsplaats van de gedaagde sluit Nederland aan bij het uitgangspunt van enkele Europese en internationale regelingen op het gebied van het procesrecht. Deze beogen eveneens te voorkomen dat bijvoorbeeld een in Nederland wonende gedaagde kan worden opgeroepen om in Spanje voor een gerecht te verschijnen om zich daar tegen de rechtsvorderingen van een Spaanse eiser te verweren. Hier speelt het belang om de gedaagde te beschermen natuurlijk veel sterker. Hij kent wellicht niemand in Spanje, spreekt de taal niet en weet niet hoe het rechtsstelsel daar werkt. Zulke internationale gedingen moeten dan ook aanhangig worden gemaakt bij de absoluut bevoegde rechter van het land waar de gedaagde woont of is gevestigd. In dit voorbeeld dient de Spaanse eiser de Nederlandse gedaagde dus op te roepen voor een Nederlandse rechtsprekende instantie (rechtbank of kantongerecht).

In hoger beroep is relatief bevoegd het gerechtshof binnen wiens ressort het kantongerecht of de rechtbank ligt welke de uitspraak heeft gegeven waartegen het appèl wordt ingesteld. In cassatiezaken spelen de absolute en relatieve bevoegdheid natuurlijk geen rol. Er is maar één Hoge Raad, die zetelt in Den Haag. Alle cassatieberoepen tegen een uitspraak van één van de vijf gerechtshoven moeten derhalve daar worden ingesteld.

Partijen zijn steeds bevoegd om bij overeenkomst af te wijken van de gerechtelijke instantie die volgens de wet relatief bevoegd is om van de zaak kennis te nemen. Partijen mogen bijvoorbeeld onderling kiezen voor de rechtbank Maastricht, terwijl de gedaagde eigenlijk in Eindhoven woont, zodat volgens de wettelijke regeling de rechtbank Den Bosch de relatief bevoegde rechter zou zijn geweest. Een dergelijke 'forum keuze' mag altijd met onderlinge instemming worden gemaakt nadat het geschil eenmaal is ontstaan. Het mag ook bij voorbaat worden bedongen. Zo ziet men in vele koopovereenkomsten een beding dat bij een eventueel toekomstig geschil tussen partijen de rechter van een bepaalde vooraf aangewezen plaats de enige bevoegde zal zijn om over de zaak te beslissen. Alleen die rechter zal dan van het geschil kennis kunnen nemen. Kiest één der partijen een andere rechter, dan dient deze zich ambtshalve onbevoegd te verklaren op grond van het gemaakte forumkeuzebeding. De keuze van partijen is in dit opzicht echter niet onbegrensd. Met name consumenten (natuurlijke personen die de overeenkomst niet in de uitoefening van hun eigen praktijk of bedrijf zijn aangegaan) ondervinden bescherming tegen een vooraf door de ondernemer bedongen forumkeuze. Komt een dergelijk forumkeuzebeding voor in de toepasselijke algemene voorwaarden van de ondernemer, dan behoudt de consument desondanks de mogelijkheid om te eisen dat de zaak wordt behandeld door de rechter (rechtbank, kantongerecht) die volgens de wet relatief bevoegd is (art. 6:236, sub n BW). Ook bij kantonrechtzaken (tot maximaal € 25.000,--, of huur- en arbeidszaken e.d.) is de mogelijkheid om bij voorbaat een forumkeuze overeen te komen gering (art. 108 Rv). Onder zulke omstandigheden is een forumkeuzebeding, dat in strijd komt met de relatieve bevoegdheid volgens de wet, nietig. Het heeft zodoende geen effect, zodat een partij zich tegenover de rechter bij wie de zaak overeenkomstig het forumkeuzebeding aanhangig is gemaakt, mag beroepen op diens onbevoegdheid. De rechter zal in dat geval de procedure wel aanhouden, maar doorverwijzen naar de volgens de wet relatief bevoegde rechter, waar de procedure dan volgens de laatste stand van zaken zal worden voortgezet.

(Zie het overzicht van de verschillende gemeenten en de territoriale ambtsgebieden waarin zij vallen)



Aanvang van een rechtsprocedure: inleiding van het rechtsgeding door betekening van een dagvaarding

Het voorleggen van een geschil aan de rechter dient te geschieden door de betekening van een dagvaarding waarin één der partijen (eiser) de ander, met wie zij een geschil heeft, oproept om op een bepaalde dag voor de rechter te verschijnen. Die andere partij (gedaagde) kan zich dan ter zitting verweren tegen de rechtsvordering en beweringen van degene die de rechtszaak aanhangig heeft gemaakt. Uiteindelijk beoordeelt de rechter, na de standpunten van beide partijen te hebben gehoord, wie van hen, althans volgens het recht, het gelijk aan zijn zijde heeft. Door middel van een vonnis legt hij zijn opvatting bindend vast. Worden de rechtsvorderingen van de eiser geheel of ten dele bij vonnis toegewezen, dan kan de eiser met behulp daarvan de nakoming van de veroordeling afdwingen.

De gedaagde partij kan de rechtsgang niet blokkeren door gewoon niet op de dagvaarding te reageren. Verschijnt de gedaagde niet op de in de dagvaarding genoemde zitting, dan zal de rechter de rechtsvordering van de eiser in beginsel bij verstek toewijzen, tenzij deze hem uit eigen onderzoek onrechtmatig of ongegrond voorkomt. Wel is het noodzakelijk dat de rechter zeker weet dat de gedaagde op een behoorlijke wijze is opgeroepen om zich ter zitting tegen de eisen van de ander teweer te stellen. Daarom kan een rechtsgeding niet worden aangevangen door middel van een brief of zelfs een aangetekend schrijven van de eiser aan de gedaagde. De wet verlangt dat de oproep door een onafhankelijke derde - de deurwaarder - wordt uitgebracht, die vastlegt op welke wijze hij de oproep aan de gedaagde heeft kenbaar gemaakt, juist om ervan verzekerd te zijn dat de gedaagde de dagvaarding redelijkerwijs moet hebben ontvangen. In beginsel dient de deurwaarder de dagvaarding, dus de schriftelijk oproep aan de gedaagde om op een bepaalde datum ter zitting te verschijnen, persoonlijk aan de gedaagde te overhandigen of op diens adres achter te laten. Hij tekent op de dagvaarding zelf aan hoe de oproep heeft plaatsgevonden. Vandaar dat dit de 'betekening' van de dagvaarding wordt genoemd.

Bij sommigen leeft de gedachte dat zij, door de aangeboden dagvaarding te weigeren, de gerechtelijke procedure kunnen tegenhouden. Dat is echter niet zo. Of de gedaagde de dagvaarding al dan niet in ontvangst neemt en of hij al dan niet ter zitting verschijnt, is zijn vrije keuze. Maar wanneer de dagvaarding op de voorgeschreven wijze door een deurwaarder is betekend, heeft de eiser aan al zijn verplichtingen voldaan. De rechter kan en zal op grond daarvan het rechtsgeding openen en aanvangen. Het recht hanteert hetzelfde uitgangspunt ten aanzien van het bewijs dat een bepaalde schriftelijke verklaring de geadresseerde heeft bereikt. De verzender van een brief behoeft slechts aan te tonen dat hij het stuk aangetekend heeft verzonden. Niet van belang is of de geadresseerde de aangetekende brief heeft geaccepteerd of heeft opgehaald bij het postkantoor, laat staan of hij haar heeft gelezen. Of hij dat doet, komt geheel voor zijn eigen risico. Juridisch heeft een aangetekende brief de geadresseerde steeds bereikt in de door de wet vereiste zin doordat aantoonbaar vaststaat dat zij op zijn adres door de postbode is aangeboden. Het recht kan hiermee verder. Dat moet ook wel omdat de geadresseerde anders op eenvoudige wijze de voortgang van een procedure of het intreden van een bepaald rechtsgevolg zou kunnen frustreren.

De inhoud van de dagvaarding dient aan enkele wettelijke vereisten te voldoen. Zo moet aan het einde van de dagvaarding duidelijk worden vermeld wat de eiser nu eigenlijk van de gedaagde vordert. Dit deel noemt met het zogenaamde 'petitum'. De gedaagde moet immers direct kunnen zien wat precies van hem wordt verlangd en waartegen hij zich eventueel dient te verweren.

Het petitum moet zijn gegrond op rechtsregels die de gestelde rechtsvordering kunnen dragen. Men kan bijvoorbeeld, wanneer er sprake is van de schending van een huurovereenkomst, niet eisen dat de gedaagde verplicht is om kinderalimentatie te betalen of om zijn arbeidsovereenkomst te ontbinden. Die rechtsvordering (petitum) sluit niet aan bij de vermelde rechtsgronden. Het recht verbindt aan die rechtsgronden immers niet de in het petitum omschreven rechtsgevolgen, waarvan nu juist de toewijzing wordt gevorderd. Het is dus van belang om in de dagvaarding de juiste rechtsgronden voor de rechtsvorderingen te noemen. Vordert de eiser in het petitum bijvoorbeeld de levering van een perceel grond, dan dient hij in de dagvaarding een rechtsgrond te noemen die met zich meebrengt dat de gedaagde verplicht is om deze prestatie te verrichten, bijvoorbeeld dat de gedaagde met hem een koopovereenkomst heeft gesloten die tot de overdracht van het grondperceel verplicht. Van zo'n koopovereenkomst kan inderdaad nakoming worden gevorderd. Het petitum, waarin de levering van het grondperceel wordt geëist, sluit dan wel aan bij de rechtsgronden van de dagvaarding. Het petitum wordt met andere woorden door de rechtsgronden gedekt. De in de dagvaarding opgenomen rechtsgronden (en feiten) worden aangeduid met de term 'fundamenum petendi'.
Men kan natuurlijk niet zomaar zelf allerlei rechtsgronden verzinnen waarvan men weet dat het recht daaraan de in het petitum gevorderde rechtsgevolgen vastknoopt. De rechtsgronden moeten op feiten zijn gebaseerd. Zij moeten dus door de onderliggende feiten worden gedragen. Ook die feiten dienen in de dagvaarding te worden vermeld. Een koopovereenkomst is dan wel een geldige rechtsgrond voor de vordering tot levering van een perceel grond, maar zij moet wel op de werkelijkheid zijn gebaseerd. De eiser zal derhalve moeten stellen dat hij daadwerkelijk zo'n overeenkomst met de gedaagde heeft gesloten, wat de inhoud daarvan is alsook dat de gedaagde, ondanks verzoeken en aanmaningen daartoe, weigert om aan zijn uit de koopovereenkomst voortvloeiende leveringsplicht te voldoen. De stelling dat de eiser en de gedaagde ooit met elkaar op vakantie zijn geweest of dat hij hem een bepaald geldbedrag heeft geleend, kan niet bijdragen aan de rechtsgrond dat de gedaagde tekortschiet in de nakoming van een koopovereenkomst, zodat het petitum om die reden alsnog moet stranden. Het petitum sluit in dat geval weliswaar aan bij de aangevoerde rechtsgronden, maar aangezien die niet worden gedekt door de gestelde feiten, mag aan die rechtsgronden geen enkele betekenis worden gehecht, zodat ook het petitum als ongefundeerd van de hand moet worden gewezen.
Het ligt voor de hand dat de gedaagde tegen de in de dagvaarding genoemde rechtsvorderingen en gronden stelling zal nemen. Betwist hij het bestaan of de juistheid van de gestelde feiten en rechten, dan is de eiser in beginsel verplicht om zijn stellingen te bewijzen. De eiser moet hiermee op voorhand rekening houden. In de dagvaarding moet worden aangegeven over welke bewijsmiddelen hij beschikt en welke getuigen hij eventueel kan doen horen ter staving van de aldus betwiste gronden van zijn eis (art. 111 lid 3 Rv).
Tot slot dient de dagvaarding ook duidelijk te maken welke verweren de gedaagde in het stadium voorafgaande aan de gerechtelijke procedure reeds tegen de rechtsvorderingen heeft aangevoerd. Een eiser zal niet zomaar direct een rechtsgeding starten. Meestal is van tevoren al met de gedaagde over het geschil gesproken of gecorrespondeerd. Daarbij zal de gedaagde, nu hij het kennelijk niet eens is met de vordering van de eiser, als regel hebben aangegeven waarom hij van mening is dat hij de gevorderde prestatie niet verschuldigd is. Dit verweer en de gronden daarvoor, indien en voor zover door de gedaagde geuit, moet de eiser meteen in zijn dagvaarding opnemen. Tevens dient hij aan te geven waarom deze beweringen van de gedaagde naar zijn mening feitelijk of rechtens onjuist zijn. Men spreekt hier van de zogenaamde 'substantiëringsplicht'. Deze houdt dus, kort gezegd, in dat de eiser alle ontstaansgronden van zijn rechtsvordering in de dagvaarding dient te vermelden, zowel de rechtsgronden als de relevante feiten. Tevens is het raadzaam om alle reeds beschikbare bewijsmiddelen direct aan de dagvaarding toe te voegen. Ieder bijgevoegd bewijsmiddel wordt daarbij aangeduid als een 'productie'. Deze zijn genummerd, afhankelijk van het aantal bewijsmiddelen dat wordt overgelegd. De toepasselijkheid van de substantiëringsplicht heeft niet tot gevolg dat de eiser nadien, tijdens het verloop van het rechtsproces, geen andere gronden of feiten meer mag aanvoeren of dat hij zijn eisen niet meer zou mogen aanvullen, vermeerderen of verminderen.

De formulering van de rechtsvorderingen (petitum) en van de rechtsgronden en feiten waarop zij zijn gebaseerd, is in de praktijk zelden het grootste probleem. Een advocaat weet wel welke rechtsgronden en feiten hij in elk geval in de dagvaarding moet opnemen om de eis van zijn cliënt toegewezen te krijgen. Ook voor de rechter en de advocaat van de gedaagde is dit doorgaans niet zo moeilijk, al kan er bij juridisch complexe zaken natuurlijk altijd verschil van mening bestaan over hoe een bepaalde rechtsregel in de betreffende situatie moet worden uitgelegd en of die regel wel van toepassing is of wellicht door een andere wetsbepaling of uitspraak terzijde wordt gesteld. Het beantwoorden van dergelijke rechtsvragen - vaak door cliënten gezien als 'juridische haarkloverij' - behoort tot de belangrijkste werkzaamheden van een advocaat. Een advocaat moet immers niet alleen op de hoogte zijn van alle formele regels met betrekking tot het verloop van het proces en de bewijsvoering, maar ook ten aanzien van het materiële recht dat inhoudelijk voor de zaak beslissend is. Hij zal toch moeten weten hoe het geschil rechtens in elkaar zit, omdat de zaak anders bij voorbaat gedoemd is te mislukken. Echter in de meeste procedures staan niet zozeer de rechtsvragen centraal, maar veeleer de feiten die door de eiser aan zijn rechtsvordering ten grondslag zijn gelegd. Hiervóór is al aangegeven dat de gestelde feiten moeten aansluiten op de rechtsgronden (fundamentum petendi), omdat anders de eis (petitum) om die reden meteen al zal worden afgewezen. De rechtsgronden moeten met andere woorden door de feiten worden gedekt. Maar eerst moet nog wel de juistheid van die feiten vaststaan. Ze alleen maar vermelden, is onvoldoende. Indien de door de eiser gestelde feiten en rechten namelijk gemotiveerd door de gedaagde worden betwist, zal de eiser het bestaan ervan moeten bewijzen. Hij zal, door middel van bewijsmiddelen en getuigenverklaringen, de rechter ervan moeten zien te overtuigen dat de door hem gestelde feiten zich inderdaad hebben voorgedaan. Pas wanneer de rechter van mening is dat de eiser de juistheid van zijn stellingen voldoende aannemelijk heeft gemaakt, mag in het rechtsgeding met die feiten rekening worden gehouden. Lukt het de eiser niet om de juistheid van de door hem gestelde feiten te bewijzen, dan zijn de door hem genoemde rechtsgronden niet gedekt, met als gevolg dat ook de in het petitum omschreven eisen (rechtsvorderingen) niet kunnen worden toegewezen.

In alle procedures speelt het bewijs van de gestelde feiten een doorslaggevende rol. Men kan wel stellen dat er een koopovereenkomst is gesloten, die de gedaagde verplicht om een stuk grond te leveren, maar als de gedaagde dit ontkent, zal men die bewering toch hard moeten maken. Iedereen kan immers zomaar wat verklaren en een rechter kan niet aan de ogen van partijen zien wie nu de waarheid spreekt. Voor het bewijs van een stelling kan van allerlei denkbare bewijsmiddelen gebruik worden gemaakt. Men denke bijvoorbeeld aan een door de gedaagde ondertekend koopcontract of, in geval van een mondelinge overeenkomst, aan getuigenverklaringen van de makelaar of andere betrokkenen en eventueel van partijen zelf, onder ede afgelegd. Geluidsbanden, filmopnamen, deskundigenverklaringen, alles wat kan bijdragen aan de waarheidsvinding, is als bewijsmiddel toegestaan, mits het niet op onrechtmatige wijze (bijv. door diefstal of met geweld) is verkregen. Deze laatste voorwaarde is noodzakelijk om te vermijden dat partijen proberen om met alle middelen, zelfs door overtreding van de wet, het noodzakelijke bewijs te vergaren. Het is een partij niet toegestaan om 's nachts bij de tegenpartij in te breken om diens boekhouding weg te nemen of om de tegenpartij zodanig met fysiek geweld te bedreigen dat hij toegeeft dat er een mondeling akkoord is gesloten. Maakt een partij zich toch schuldig aan dergelijke wanpraktijken, dan wordt dit afgestraft door het op onrechtmatige wijze verkregen bewijs niet als bewijsmiddel toe te laten. In het geding wordt hiermee dan op geen enkele manier rekening gehouden. De rechter oordeelt alleen op grond van de overige bewijsmiddelen of de beweerde stellingen voldoende zijn vast komen te staan. Weliswaar is dit voor de waarheidsvinding in die specifieke zaak niet bevorderlijk, maar dit belang weegt niet op tegen het algemene maatschappelijke belang om het proces gestructureerd en met inachtneming van de vastgestelde spelregels te laten verlopen.

Het opstellen van de dagvaarding is geen taak van de deurwaarder. Hij betekent deze alleen maar overeenkomstig de daarvoor geldende wettelijke voorschriften. De dagvaarding zelf wordt gemaakt door de advocaat van de eisende partij of, in kantonrechtszaken, eventueel door de eiser zelf. De deurwaarder vult de dagvaarding, waar nodig, aan met enkele formele gegevens, bijvoorbeeld als de eiser is vergeten om in de dagvaarding een wettelijk verplichte vermelding op te nemen of als de zittingsdatum (roldatum) nog moet worden ingevuld. Het betreft hier echter louter aangelegenheden die niets met de inhoud van de zaak zelf te maken hebben. Daar kijkt de deurwaarder niet naar en daar bemoeit hij zich ook niet mee. Overigens ziet men wel dat in kantonrechtzaken de eisende partij de hulp inroept van het deurwaarderskantoor om ook de materiële inhoud van de dagvaarding op te stellen. Vele deurwaarderskantoren hebben daartoe een jurist in dienst die deze taak dan, in plaats van een advocaat, namens de cliënt uitvoert.

Bedacht dient te worden dat de deurwaarder altijd één exemplaar van de dagvaarding meer moet ontvangen dan het aantal gedaagden dat daarin is vermeld. Doorgaans wordt er slechts één gedaagde opgeroepen om zich in rechte te verdedigen. De deurwaarder dient dan ten minste twee exemplaren van de advocaat (of eiser) te ontvangen. Worden twee personen gedagvaard (bijvoorbeeld man en vrouw), dan moet de deurwaarder drie exemplaren van de dagvaarding ontvangen. Enzovoorts. Iedere gedaagde ontvangt namelijk een eigen dagvaarding, óók al wonen zij op hetzelfde adres. De deurwaarder houdt daarnaast steeds één origineel exemplaar achter, dat hij invult en ondertekent en daarna weer aan de advocaat van de eiser (of de eiser zelf) teruggeeft. Dit exemplaar moet door de advocaat of eiser worden ingediend ter griffie van de bevoegde rechtbank of kantonrechter.


Aanbrengen van de dagvaarding op de rolzitting

In de dagvaarding staat vermeld dat de gedaagde op een bepaald uur van een nader genoemde dag voor de rechtbank of het kantongerecht dient te verschijnen om zich tegen de rechtsvorderingen van de eiser te verweren. Op die datum vindt in beginsel geen echte zitting plaats, waar de gedaagde zich in persoon dient te melden. Er is sprake van een zogenaamde 'roldatum' en een 'rolzitting'. De rechter beoordeelt op die dag alleen maar of alle binnengekomen dagvaardingen aan de gestelde vereisten voldoen en dus of er rechtsvorderingen zijn aangebracht waarvoor een rechtsgeding moet worden geopend. De rechtsvorderingen die aan de wettelijke vereisten voldoen, worden door de rechter 'op de rol' gezet. De rol is de officiële agenda van de betreffende rechtsprekende instantie. Zij bestaat uit een lijst van alle rechtszaken die door deze rechtsprekende instantie zullen worden behandeld, inclusief de nog lopende rechtsgedingen, waarbij telkens aan partijen (of hun advocaten) wordt aangegeven welke stukken tussen hen moeten worden uitgewisseld en welke volgende stap in de procedure aan de orde komt. Een rolzitting is dus geen echte zitting waarop de rechter al inhoudelijk naar de zaak kijkt, maar louter een administratieve afwikkeling van zaken binnen de rechtsprekende instantie zelf.

De betekende dagvaarding moet ten minste enkele dagen vóór de daarin vermelde rolzitting zijn ontvangen door de griffie van het bevoegde kantongerecht of de bevoegde rechtbank. Gebeurt dat niet, dan kan de rechter de zaak niet op de rol plaatsen. Hij weet niet eens af van het bestaan van de dagvaarding of de vermeende rechtsvorderingen van de eiser, zodat hij géén gerechtelijke procedure zal kunnen openen. Het aanbrengen van de dagvaarding behoort niet tot de taak van de deurwaarder. Na de betekening verzendt hij een origineel exemplaar van de dagvaarding naar de advocaat van de eiser. Die zal zorgen voor de tijdige verzending ervan naar de griffie van de bevoegde rechtsprekende instantie. In kantonrechtsprocedures, waar het beginsel van verplichte procesvertegenwoordiging niet geldt, is het natuurlijk ook mogelijk dat de deurwaarder de dagvaarding afgeeft aan de eisende partij zelf. Deze moet dan zelf de dagvaarding ter griffie aanbrengen. Dit mag overigens per post gebeuren.

De eiser behoeft op de roldatum niet in persoon of vertegenwoordigd door een advocaat ter zitting te verschijnen. Hij heeft zijn eisen immers al schriftelijk aan de gedaagde en ook de rechter kenbaar gemaakt.

Na iedere rolzitting ontvangen alle partijen een schriftelijke bevestiging van de rechtbank of kantonrechter wat er op die zittingsdag volgens de officiële agenda is gebeurd. Dit wordt en rolbericht genoemd. In zo'n rolbericht staat vermeld welke handeling de rechtbank of kantonrechter in de betreffende rechtszaak heeft verricht. Mogelijk is uitstel aan de wederpartij verleend of heeft de rechter een schriftelijke reactie van de wederpartij ontvangen, waarvan hij een kopie naar de andere partij doorstuurt. In het rolbericht van de eerste zittingsdag wordt aangegeven op welke manier de procedure zal worden vervolgd. Daarvoor is met name van belang of de gedaagde zich op de rolzitting heeft gemeld of dat van of namens hem geen enkele reactie is ontvangen.


Gedaagde stelt zich of laat verstek gaan ('zuiveren verstek')

Als regel zal de gedaagde tijdig verschijnen op de in de dagvaarding genoemde zittingsdatum (rolzitting) om zich te verweren tegen de rechtsvorderingen van de eiser. Dit 'verschijnen' moet niet letterlijk worden genomen. Het is niet de bedoeling dat de gedaagde in persoon, al dan niet tezamen met een advocaat, naar het gerechtsgebouw gaat om ten overstaan van de rechter zijn verhaal te doen. Op de eerste rolzitting wil de rechter alleen maar weten of de gedaagde van plan is om zich tegen de vorderingen van de eiser te verweren. De gedaagde die van deze mogelijkheid gebruik wil maken, moet dit uiterlijk op de eerste roldatum (zoals vermeld in de dagvaarding), maar liefst enkele dagen daarvóór, aan de griffie mededelen. Dit gebeurt schriftelijk. Bij een procedure voor de rechtbank, waar het beginsel van verplichte procesvertegenwoordiging geldt, zal een advocaat zich namens de gedaagde 'stellen'. Daarvoor behoeft de advocaat slechts aan te geven dat zijn cliënt verweer zal voeren tegen de in de dagvaarding geformuleerde vorderingen van de eiser. Verder doet hij niets. Indien de gedaagde zelf verweer wenst te voeren, wat alleen bij kantonrechtszaken mogelijk is, kan hij zich ook zelf middels zo'n korte schriftelijke verklaring stellen.

Iedere gerechtelijke instantie hanteert vaste roldagen waartegen gedaagden bij dagvaarding kunnen worden opgeroepen om zich in rechte te verweren. Bij het kantongerecht heeft de gedaagde de gelegenheid om op de eerste rolzitting inderdaad in persoon naar de zitting te gaan en daar mondeling verweer te voeren. Dit wordt echter afgeraden. Alle rolzaken van die dag worden tijdens deze korte rolzitting behandeld. Er is derhalve voor een gedaagde nauwelijks tijd om zijn standpunten naar voren te brengen en eventuele bewijsmiddelen aan de rechter te presenteren. Niettemin moet de rechter luisteren naar een gedaagde die op de eerste rolzitting het woord wil voeren. Alleen bij zeer simpele kwesties, waar gemakkelijk kan worden aangetoond dat de rechtsvorderingen van de eiser niet deugen, verdient deze weg aanbeveling. Men denke aan het geval dat de eiser blijkens het bij de dagvaarding gevoegde contract een vordering pretendeert te hebben tegen de zoon, maar in de dagvaarding diens vader als gedaagde partij heeft genoemd. De vader kan dan, door simpel te verwijzen naar het contract en door overlegging van een legitimatiebewijs, aantonen dat de rechtsvordering niet deugt en moet worden afgewezen. Zodra de kwestie ingewikkelder ligt, is het nochtans raadzaam om zich in eerste instantie te stellen en vervolgens schriftelijk verweer te voeren.

De gedaagde die zich (via zijn advocaat) op de roldatum heeft gesteld, krijgt van de rechter in beginsel zes weken uitstel om schriftelijk verweer te voeren. De rechter bepaalt daarvoor op de eerste rolzitting een nieuwe roldatum, waarop dit verweerschrift moet zijn ingediend. Zo nodig kan de gedaagde te zijner tijd uitstel vragen, waarna hem opnieuw vier weken worden gegund om zijn verweerschrift in te dienen.

Die nieuwe roldatum, waarop het verweerschrift van de gedaagde ter griffie moet zijn ontvangen, wordt niet alleen bij rolbericht medegedeeld aan (de advocaat van) de gedaagde die zich heeft gesteld, maar ook aan de aan (de advocaat van) de eisende partij. Beide partijen weten dan hoe de procedure verder verloopt en op welk moment een reactie van de gedaagde kan en moet worden verwacht.

Het komt tevens voor dat een gedaagde op de eerste zitting (rolzitting) helemaal niets van zich laat horen. Hij verschijnt niet zelf om mondeling of schriftelijk verweer te voeren en er is evenmin een advocaat die zich namens hem stelt. De rechter zal eerst ambtshalve onderzoeken of de door de eiser aangebrachte dagvaarding aan alle formele vereisten voldoet en inderdaad aan de gedaagde is betekend, zodat deze met de rechtsvorderingen en de zitting bekend behoort te zijn. Is aan beide voorwaarden voldaan, dan resteert de rechter niets anders dan op de eerste zittingsdag 'verstek' tegen de gedaagde te verlenen. Een verstekverlening is de formele constatering door de rechter dat de gedaagde, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet rechtsgeldig is verschenen. Dit laatste wil bij rechtbankprocedures zeggen dat zich op de eerste rolzitting voor hem geen advocaat heeft gesteld (een reactie van de gedaagde zelf is geen rechtsgeldige verschijning) en bij kantonrechtszaken dat de gedaagde zich niet zelf of via een andere gemachtigde heeft gesteld, noch in persoon ter zitting is verschenen. Door de verstekverlening treden bijzondere procesregels in werking. Enerzijds is de rechter bevoegd om na enkele weken een eindvonnis te wijzen, waarin de vorderingen van de eiser worden toegewezen, behalve wanneer deze hem op grond van eigen bevindingen onrechtmatig of ongegrond voorkomen (art. 139 Rv). Een dergelijk vonnis kan uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard, zodat de eiser het onmiddellijk tegen de niet verschenen gedaagde ten uitvoer kan leggen. Anderzijds heeft de gedaagde op grond van deze bijzondere procesregels nog wel de mogelijkheid om zich, mits binnen de geldende wettelijke termijn, alsnog tegen het verstekvonnis te verweren. Gaat hij daartoe tijdig over, dan heeft hij het verstek 'gezuiverd'. Hoewel het verstekvonnis zijn kracht behoudt, wordt de procedure na de zuivering van het verstek voortgezet alsof de gedaagde wel tijdig in het geding was verschenen. Hij heeft daarbij dezelfde verweermogelijkheden als iedere andere gedaagde. Verzuimt de niet verschenen gedaagde echter om het verstek tijdig te zuiveren, dan staan hem in beginsel geen rechtsmiddelen meer ter beschikking om het verstekvonnis aan te vechten. Ook hoger beroep of cassatie tegen het verstekvonnis is in dat geval uitgesloten (tenzij er meer gedaagden in dezelfde dagvaarding zijn opgeroepen en ten minste één van hen is verschenen om verweer te voeren).

Men dient wel een onderscheid te maken tussen het vonnis waarbij verstek tegen de niet verschenen gedaagde wordt verleend (in beginsel op de eerste rolzitting uitgesproken) en het uiteindelijke verstekvonnis, waarin de rechtsvorderingen van de eiser worden toegewezen, dat in beginsel vier weken na de eerste rolzitting zal worden uitgesproken. In de periode tussen de verstekverlening en het verstekvonnis kan de gedaagde het verstek zonder meer zuiveren. Nadat het verstekvonnis is gewezen, heeft hij daarvoor nog vier weken de tijd, waarbij het aanvangsmoment van de verzetstermijn afhankelijk is van de mate waarin de gedaagde geacht moet worden bekend te zijn met het verstekvonnis of de tenuitvoerlegging daarvan.

Ontdekt de rechter bij het onderzoek op de eerste zitting dat de dagvaarding lijdt aan een gebrek dat de nietigheid ervan meebrengt, dan mag hij geen verstek verlenen tegen de niet verschenen gedaagde. Hij dient een nieuwe roldatum te bepalen en beveelt de eiser om bij deurwaardersexploot de gedaagde opnieuw te dagvaarden, nu tegen die nieuwe datum en met herstel van het gebrek (art. 121 lid 1 en 2 Rv). Is echter aannemelijk dat de dagvaarding, hoewel op de juiste wijze betekend, de gedaagde als gevolg van het gebrek niet heeft bereikt, dan spreekt de rechter meteen de nietigheid van de dagvaarding uit, waardoor de rechtszaak direct eindigt (art. 121 lid 3 Rv). Bij een dergelijk gebrek in de dagvaarding denke men aan het geval dat duidelijk is dat de gedaagde niet woonachtig is op het in de dagvaarding genoemde adres, waar ook de betekening heeft plaatsgevonden, terwijl de eiser geen akte van domiciliekeuze kan overleggen. Er bestaat alsdan ten minste zoveel twijfel of de gedaagde de dagvaarding wel heeft ontvangen, dat een verstekverlening niet zomaar gerechtvaardigd is. De eiser zal een nieuwe dagvaarding moeten uitbrengen en voldoende bewijs moeten overleggen dat de gedaagde wel woonachtig is op het adres waar de betekening heeft plaatsgevonden of, zo dat niet mogelijk is (bijv. omdat de gedaagde geen bekende woon- of verblijfplaats heeft), dat alle overige vereisten in acht zijn genomen om in een dergelijke situatie tot een wettelijk geoorloofde betekening te komen. Voorts denke men bij een hier bedoeld gebrek in de dagvaarding aan de situatie dat de dagvaarding abusievelijk is aangebracht bij een ander gerecht dan hetwelk in de dagvaarding is omschreven. De gedaagde kan nu niet worden verweten dat hij zich niet heeft gemeld bij de rechter waar de zaak abusievelijk aanhangig is gemaakt. Tegen hem wordt daarom geen verstek verleend. De dagvaarding wordt wederom direct nietig verklaard, waarmee het rechtsgeding een einde neemt. De eiser zal op eigen kosten een nieuwe dagvaarding moeten betekenen en deze bij het juiste gerecht moeten aanbrengen om alsnog een rechtszaak tegen de gedaagde aanhangig te kunnen maken.

Wanneer de correct opgeroepen gedaagde, nadat tgen hem verstek is verleend, gedurende vier weken niet alsnog op een juiste wijze in het geding verschijnt om verweer te voeren, zal de rechter een verstekvonnis uitspreken. Een dergelijk vonnis kan als regel direct ten uitvoer worden gelegd. De bij verstek veroordeelde gedaagde heeft géén mogelijkheid om tegen het verstekvonnis in hoger beroep te gaan bij het gerechtshof. Wel kan hij, binnen een termijn van vier weken nadat hij van het verstekvonnis of de tenuitvoerlegging daarvan op de hoogte is geraakt, verzet aantekenen bij dezelfde rechter die ook het verstekvonnis heeft gewezen.


Het verloop van de procedure na het aanbrengen van de dagvaarding

De gedaagde die bij dagvaarding is opgeroepen om op een bepaalde datum voor de rechter te verschijnen, heeft een aantal mogelijkheden om hierop bij het kantongerecht of de rechtbank te reageren. Hij kan op de bewuste dag niets van zich laten horen. In dat geval zal verstek tegen hem worden verleend. Meldt de gedaagde zich niet alsnog binnen een bepaalde tijd nadat tegen hem verstekt is verleend, dan zal er uiteindelijk door de rechter een verstekvonnis tegen hem worden uitgesproken dat als regel direct uitvoerbaar is. Meldt de gedaagde zich wel meteen op de bewuste datum bij het kantongerecht of de rechtbank om verweer te voeren of doet hij dit nadat tegen hem verstek is verleend, maar nog vóór het uitspreken van het verstekvonnis ('zuiveren van het verstek'), dan zal hij in beginsel zijn verweer schriftelijk mogen indienen, ofwel op de dag genoemd in de dagvaarding, ofwel - indien verstek tegen hem is verleend - op één van de zogenaamde roldagen van het kantongerecht of de rechtbank in kwestie. Dat eerste schriftelijk verweer van de gedaagde noemt men een 'conclusie van antwoord'. Gelijktijdig met het indienen van deze conclusie kan de gedaagde, voor zover hij meent ook zelf een tegenvordering op de eiser te hebben, een zogenaamde vordering in reconventie indienen. Dit geschiedt overigens in hetzelfde stuk als waarin ook de conclusie van antwoord is opgenomen.


Conclusie van antwoord van de gedaagde (en een tegenvordering in reconventie)

De gedaagde die op rechtsgeldige wijze in het geding is verschenen, ontvangt van de rechter een rolbericht, waarin is aangegeven op welke dag (rolzitting) zijn verweerschrift uiterlijk door de griffie moet zijn ontvangen. Het eerste schriftelijke stuk dat de gedaagde ter verweer indient, heet een conclusie van antwoord. Het kan door de advocaat van de gedaagde (of - in kantonrechtzaken - door de gedaagde zelf) per gewone post naar de griffie van het gerecht worden verzonden, mits het daar maar tijdig arriveert. Gelijktijdig wordt een kopie ervan per post verstuurd naar de advocaat van de gemachtigde.

Op de roldatum waarop de conclusie van antwoord moet worden genomen, vindt wederom géén echte zitting plaats. Noch de gedaagde, noch de eiser behoeft zich op die datum daadwerkelijk naar het gerecht te begeven. Dit is zelfs onmogelijk. De procedure wordt in deze fase nog steeds uitsluitend schriftelijk gevoerd.

In de conclusie van antwoord zet de gedaagde uiteen waarom hij het niet eens is met de stellingen van de eiser. Hij kan niet volstaan met een blote ontkenning van de feiten of rechtsgronden die de eiser in zijn dagvaarding heeft aangevoerd, maar moet deze gemotiveerd, en zoveel mogelijk onderbouwd met bijbehorende bewijsmiddelen, weerleggen (art. 128 lid 2 en 5 Rv). Doet hij dat niet, dan loopt hij het risico dat de rechter de niet of onvoldoende weersproken feiten uit de dagvaarding als 'vaststaande feiten' aanmerkt (art. 149 lid 1 Rv). Daarvan zal dan in het verdere verloop van de procedure worden uitgegaan, hetgeen zal betekenen dat de rechter zijn beslissing uiteindelijk mede op deze vaststaande feiten grondt. Verzuimt de gedaagde om een conclusie van antwoord te nemen of worden daarin de stellingen van de eiser niet of onvoldoende weersproken, dan kan de rechter onmiddellijk de rechtsvorderingen van de eiser bij vonnis toewijzen.

De conclusie van antwoord moet door de advocaat van de gedaagde of, in kantonrechtsprocedures, eventueel door de gedaagde zelf worden ondertekend.

De conclusie van antwoord is nog om een andere reden een belangrijk stuk voor de gedaagde. In een aantal gevallen eist de wet dat de gedaagde zo snel mogelijk bepaalde verweren (excepties) aanvoert. Aangezien de conclusie van antwoord het eerste procedurele geschrift is van de gedaagde, moet hij deze excepties dus direct daarin opnemen, op verval van het recht om dat te kunnen doen. Excepties zijn verweren die ertoe strekken dat de rechter op grond van de regels van processuele aard niet aan de beoordeling van het geschil toekomt. Men denke aan een beroep op de nietigheid van de dagvaarding of op de absolute of relatieve onbevoegdheid van de rechter (ook in zaken waarbij partijen uit verschillende landen zijn betrokken). Een ander voorbeeld is een beroep op de overschrijding van een beroeps- of verzetstermijn. Dergelijke excepties kunnen, indien zij niet door de gedaagde in zijn conclusie van antwoord zijn opgenomen, daarna niet meer aan de eiser worden tegengeworpen.

De gedaagde heeft de mogelijkheid om in hetzelfde rechtsgeding een eventuele tegenvordering tegen de eiser in te stellen. Hij behoeft daarvoor dan geen afzonderlijke gerechtelijke procedure tegen de eiser te beginnen, mits de tegenvordering voldoende samenhang vertoont met de vordering van de eiser. De tegenvordering wordt dan namelijk meteen meegenomen in het rechtsgeding dat toch al door de eiser aanhangig is gemaakt. Ook zo'n tegenvordering moet de gedaagde direct bij indiening van zijn conclusie van antwoord indienen. Doet hij dat niet, dan heeft hij deze mogelijkheid verspeeld. Dit betekent natuurlijk niet dat de tegenvordering zelf is verdwenen. Deze kan alleen niet meer gelijktijdig in hetzelfde rechtsgeding worden behandeld.

Besluit de gedaagde om een tegenvordering tegen de eiser aanhangig te maken welke als zodanig door de rechter wordt toegelaten, dan bestaan er in feite twee gerechtelijke procedures binnen hetzelfde rechtsgeding. In de eerste procedure verzoekt de eiser de rechter om een bepaalde rechtsvordering tegen de gedaagde toe te wijzen. Deze procedure is geopend door middel van het aanbrengen van de betekende dagvaarding. In de andere procedure zijn de rollen juist omgekeerd. Hier treedt de gedaagde op als eiser en verzoekt hij de rechter om een bepaalde rechtsvordering tegen de oorspronkelijke eiser toe te wijzen. In die procedure moet de oorspronkelijke eiser zich dus verweren tegen deze rechtsvorderingen van de gedaagde. Deze procedure wordt geopend door middel van de conclusie van antwoord van de gedaagde. Het deel van die conclusie dat betrekking heeft op de tegenvordering (en dus niet op het verweer tegen de rechtsvorderingen van de ander) wordt daarin afzonderlijk aangeduid als conclusie van eis. De gedaagde levert in dat geval op een door de rechter bepaalde roldatum één schriftelijk stuk in, waarvan het eerste deel ziet op het verweer (conclusie van antwoord) en het tweede deel op de tegenvordering (conclusie van eis).

Om de rechtsvorderingen van de gedaagde tegen de oorspronkelijke eiser 'op de rol' te krijgen, behoeft dus geen dagvaarding aan de eiser te worden betekend. Dit is eigenlijk ook wel logisch. Nu de oorspronkelijke eiser al op eigen initiatief in het geding is verschenen, staat vast dat hij door middel van de conclusie van eis bekend zal zijn met de tegenvordering van de gedaagde en daartegen dus verweer kan voeren. Het is niet meer noodzakelijk om zijn verschijning via een onafhankelijke derde - de deurwaarder - te verifiëren en te waarborgen.

Indien de gedaagde in hetzelfde rechtsgeding een tegenvordering tegen de eiser instelt, lopen er in feite dus twee gerechtelijke procedures naast elkaar. Die welke door de oorspronkelijke eiser bij dagvaarding aanhangig is gemaakt, wordt voortaan aangeduid als procedure 'in conventie'. Die welke door de gedaagde tegelijk met de conclusie van antwoord is geopend, heet procedure 'in reconventie'. Hoewel deze procedures in hetzelfde rechtsgeding worden afgewikkeld, dient men wel steeds in het achterhoofd te houden dat het in wezen om twee zelfstandige procedures gaat. Dit betekent bijvoorbeeld dat de oorspronkelijke eiser, net als de gedaagde in conventie, de mogelijkheid moet hebben om zich in reconventie te verweren tegen de stellingen en rechtsvorderingen van de gedaagde in reconventie. Die krijgt hij dan ook. Nadat de gedaagde zijn conclusie van antwoord (verweer in conventie) tezamen met zijn conclusie van eis (tegenvordering in reconventie) heeft ingediend op de hem toegewezen roldatum, bepaalt de rechter op welke dag de oorspronkelijke eiser hiertegen zijn verweerschrift mag indienen. Ook dit eerste verweerschrift, nu van de oorspronkelijke eiser in de tweede procedure, heet conclusie van antwoord, zij het wel onder de toevoeging 'in reconventie'. In de twee parallel gevoerde procedures loopt de procedure in reconventie (die welke door de gedaagde is aangevangen) daardoor altijd één stap achter op de oorspronkelijke procedure (in conventie) die door de eiser is gestart.

In het vervolg wordt verondersteld dat er binnen het rechtsgeding maar één procedure loopt, namelijk die welke bij dagvaarding door de eiser aanhangig is gemaakt en waartegen de gedaagde zich verweert. Wat ten aanzien daarvan wordt opgemerkt, geldt immers eveneens voor de tweede procedure, zij het dat de relevante stukken dan worden voorzien van de toevoeging 'in conventie' en 'in reconventie'.


Andere mogelijke stappen tijdens het proces

Na ontvangst van de conclusie van antwoord beschikt de rechter over twee stukken. De dagvaarding van de eisende partij en de conclusie van antwoord van de gedaagde. Beide stukken zijn zoveel mogelijk voorzien van allerlei (schriftelijke) bewijsmiddelen, die afzonderlijk worden genummerd en als zogenaamde ‘producties’ zijn benoemd. Soms gaat het om zoveel stukken (bijvoorbeeld de gehele boekhouding van enkele jaren van een bedrijf) of om bijzondere bewijsmiddelen (zoals filmbeelden) dat deze onmogelijk als een schriftelijke productie aan de dagvaarding of conclusie van antwoord kunnen worden gehecht. In dat geval mag in de dagvaarding of conclusie van antwoord naar het betreffende bewijsmateriaal worden verwezen, mits het gelijktijdig ter griffie wordt gedeponeerd, zodat zowel de tegenpartij als de rechter het daar kan inzien.

Is de rechter in het bezit van de de eerste schriftelijke stukken van beide partijen (de dagvaarding van de eiser en de conclusie van antwoord van de gedaagde), dan dient hij zich aan de hand van de inhoud daarvan te beraden over het verdere verloop van het rechtsgeding. Hij heeft daarbij de keuze uit een aantal verschillende mogelijkheden.


Comparitie van partijen

Ten eerste is het denkbaar dat hij partijen verzoekt om in persoon voor hem te verschijnen om hun standpunten nader uiteen te zetten en om te bekijken of zij wellicht niet tot een schikking kunnen komen. Zo'n zitting wordt een 'comparitie van partijen' genoemd. Partijen dienen zich in dat geval wel - tezamen met hun advocaten - naar het gerecht te begeven. In tegenstelling tot bij een rolzitting moeten zij nu dus wel persoonlijk verschijnen.


Conlusie van repliek (van eiser) en conclusie van dupliek (van gedaagde)

In de tweede plaats kan de rechter de eiser de gelegenheid bieden om schriftelijk te reageren op de standpunten van de de gedaagde in diens conclusie van antwoord. Zo'n schriftelijke reactie van de eiser heet een 'conclusie van repliek'. Het beginsel van hoor en wederhoor brengt met zich mee dat ook de gedaagde dan weer de mogelijkheid moet krijgen om hierop te reageren. Zijn schriftelijke reactie heet een 'conclusie van dupliek'.


Bewijsopdracht

In de derde plaats is het denkbaar dat de rechter één der partijen opdraagt om één of meer van de door haar aangedragen feiten te bewijzen. Als regel wordt de eiser belast met het bewijs van de feiten die hij aan zijn rechtsvordering ten grondslag heeft gelegd en kan de gedaagde hiertegen vervolgens tegenbewijs leveren. Omdat beide partijen hun (schriftelijke) bewijsstukken al bij de dagvaarding respectievelijk conclusie van antwoord moeten hebben overgelegd, is de bewijsopdracht doorgaans beperkt tot het leveren van getuigenbewijs. De partij die met het bewijs is belast, kan één of meer getuigen oproepen om zich onder ede over de door haar te bewijzen stellingen uit te laten. Zo'n getuigenverhoor ('enquete') vindt plaats in een van de zalen van de rechtbank of het kantongerecht. Beide partijen en hun advocaten zijn daarbij aanwezig. Na afronding van de enquête mag de andere partij eigen getuigen oproepen om te worden gehoord over de eerder afgelegde getuigenverklaringen. Het doel daarvan is natuurlijk om deze te ontkrachten.. Dit getuigenverhoor wordt 'contra-enquête' genoemd. Vaak mogen partijen nog schriftelijk reageren op de door de getuigen afgelegde verklaringen. Dit geschiedt dan in een 'conclusie na enquête (en contra-enquête').


Plaatsopneming en bezichtiging door de rechter zelf

In de vierde plaats is het mogelijk, bijvoorbeeld bij een geschil over een erfafscheiding of de slechte staat van een gehuurde woning, dat de rechter zelf ter plaatse gaat kijken hoe de situatie is. Hij bepaalt dan een datum waarop hij, tezamen met een griffier, de betreffende plek (bijv. de woning van een der partijen) zal bezoeken. Beide partijen en hun advocaten zijn bij die bezichtiging aanwezig. Zij kunnen dan tekst en uitleg geven. Dit staat bekend als een rechterlijke 'plaatsopneming en bezichtiging' (of 'descente').


Deskundigenonderzoek

In de vijfde plaats is de rechter bevoegd om één of meer deskundigen aan te wijzen om hem over een bepaalde kwestie te adviseren. Een rechter is natuurlijk vooral juridisch onderlegd. Ten aanzien van vele technische zaken heeft hij geen bijzondere kennis. Een deskundige heeft dat wel. Als deskundige kunnen bijvoorbeeld worden benoemd een arts (letselschade), schade-expert (vaststelling schade), makelaar (taxatie waarde onroerende zaak), architect of bouwkundige (constructie van een bouwwerk), accountant (administratie en boekhouding) en ingenieur (milieuzaken, mechanische zaken). De rechter stelt enkele specifieke vragen aan de deskundige. Alleen die vragen dient de deskundige te beantwoorden. De deskundige legt zijn bevindingen vast in een zogenaamd deskundigenrapport. Met behulp daarvan vormt de rechter zich een oordeel.


Pleidooi

In de zesde plaats kan de rechter op verzoek van één of beide partijen een zogenaamd 'pleidooi' toestaan. Beide partijen krijgen dan de gelegenheid om op een speciale zitting mondeling hun standpunten nader uiteen te zetten. Het bijzondere is dat ook in rechtbankzaken partijen zelf het pleidooi mogen houden, dus daadwerkelijk het woord mogen voeren en daarin niet door een advocaat behoeven te worden vertegenwoordigd. Dit gebeurt echter zelden of nooit.


De bovengenoemde vervolgstappen zijn in willekeurige volgorde geplaatst. Zo behoeft de rechter geen comparitie van partijen te gelasten, maar mag hij bijvoorbeeld direct een bewijsopdracht geven of partijen de gelegenheid bieden om een conclusie van repliek en dupliek te nemen. Het is evenmin noodzakelijk dat al deze stappen in een procedure aan de orde komen. Soms volstaat alleen een comparitie van partijen of bijvoorbeeld een getuigenverhoor. Een pleidooi wordt zelden gevraagd, omdat dit tot een enorme vertraging van de procedure leidt. Het is zelfs denkbaar dat de rechter meteen na ontvangst van de conclusie van antwoord een eindvonnis wijst. De rechter is telkens vrij om te bepalen welke stap hij op een gegeven moment in de procedure wenselijk vindt. Overigens is die vrijheid wel enigszins begrensd. De rechter mag bijvoorbeeld niet zomaar voorbijgaan aan een gedetailleerd aanbod van een partij om door middel van een getuigenverhoor bewijs te leveren. Doet hij dat wel, dan schendt hij hiermee een procedurele rechtsregel, die in hoger beroep en cassatie kan worden aangetast. Evenmin kan hij het verzoek om een pleidooi te houden zomaar negeren. Dat mag hij alleen doen als er in een eerder stadium al een comparitie van partijen heeft plaatsgevonden. Partijen hebben op die zitting immers al de kans gehad om mondeling en in persoon hun zaak toe te lichten, zodat dit niet nogmaals hoeft te gebeuren. Wel mag de rechter partijen steeds toestaan om een bepaalde akte te nemen. Deze dient wel kort van inhoud te zijn.



Tussenvonnis(sen)

De verschillende stappen die tijdens het verdere verloop van de procedure door de rechter kunnen worden genomen, worden niet bij rolbericht aan partijen kenbaar gemaakt, maar meestal met een zogenaamd tussenvonnis ingeleid. Er wordt met andere woorden in een tussenvonnis bepaald dat er een comparitie van partijen zal worden gehouden, dat een partij de gelegenheid krijgt om een of meer getuigen te doen horen of dat er een deskundige zal worden benoemd. De naam 'tussenvonnis' doet uitkomen dat het geding daarmee niet is beëindigd, maar - op de in het vonnis aangegeven manier - wordt voortgezet.

Dit neemt niet weg dat een tussenvonnis wel degelijk voor bepaalde onderdelen van het geschil al een bindende eindbeslissing kan bevatten. Bindende eindbeslissingen zijn beslissingen in de overwegingen van de rechter, waarin door hem uitdrukkelijk en zonder voorbehoud, stelling wordt genomen ten aanzien van enigerlei geschilpunt. Aan een dergelijke beslissing is de rechter in het vervolg van de procedure (uiteraard niet het gerechtshof in hoger beroep) gebonden. Hij mag er niet op terugkomen, behalve wanneer er sprake is van een duidelijke misslag of de beslissing, achteraf beschouwd, gebaseerd is op valse of onjuiste verklaringen van één der partijen. Het is zelfs denkbaar dat in het tussenvonnis een deel van het gevorderde wordt toe- of afgewezen. Voorstelbaar is bijvoorbeeld dat het tussenvonnis erkent dat de gedaagde op grond van zijn gedraging jegens de eiser aansprakelijk is voor de geleden schade, maar dat de omvang van die schade (of van de door de gedaagde te betalen schadevergoeding) nog wel door de eiser of een deskundige moet worden geconcretiseerd. Het tussenvonnis is dan alleen om die reden nog geen eindvonnis.

Van belang is overigens tevens de vraag waar de bindende eindbeslissing staat vermeld in het tussenvonnis: in het dictum (het eigenlijke oordeel aan het einde van de laatste pagina van het tussenvonnis) of in de daaraan voorafgaande overwegingen van de rechter, waarin deze zijn eindbeslissing motiveert. Indien de bindende eindbeslissing namelijk (tevens) in het dictum zelf staat, is er sprake van een zogenaamd 'deelvonnis'. De rechter in eerste aanleg kan in dat geval bepalen dat partijen - nog vóórdat er een eindvonnis is uitgesproken - tegen dit deelvonnis in hoger beroep mogen gaan bij het gerechtshof. Dit hoger beroep moet dan binnen de normale beroepstermijn worden ingesteld, dus binnen drie maanden nadat het deelvonnis is gewezen. Of een tussentijds hoger beroep mogelijk is, hangt derhalve niet alleen af van de vraag of het dictum van het tussenvonnis een bindende eindbeslissing bevat, maar ook of de rechter in zijn tussenvonnis de mogelijkheid van een tussentijds hoger beroep uitdrukkelijk openstelt. Doet hij dat niet, dan is een tussentijds hoger beroep hoe dan ook uitgesloten. Doet hij dat wel, dan mogen partijen een tussentijds hoger beroep instellen. Als regel zal dit hoger beroep uitsluitend worden ingediend door één der partijen, namelijk door degene die in het tussenvonnis aan het kortste eind trekt en het niet eens is met de bindende eindbeslissing van de rechter in eerste aanleg. De andere partij is in dat geval natuurlijk wel verplicht om tijdens het hoger beroep te reageren op de beweringen van de appellant. Zij wordt door hem als het ware verplicht in de tussentijdse hoger beroepsprocedure getrokken. Zolang het hoger beroep over de bindende eindbeslissing van het deelvonnis loopt, wordt de procedure in eerste aanleg geschorst. Een partij is overigens niet verplicht om tussentijds al in hoger beroep te gaan, zelfs niet als in het tussenvonnis uitdrukkelijk op die mogelijkheid is gewezen. Zij mag, indien dat haar voorkeur heeft, ook wachten op het eindvonnis om pas daarna in appèl te gaan. Komt de bindende eindbeslissing daarentegen niet voor in het dictum van het tussenvonnis, maar uitsluitend in de daaraan voorafgaande overwegingen, dan staat hiertegen nimmer een tussentijds hoger beroep open, hoe definitief het oordeel van de rechter ook moge zijn (bijv. de aankondiging dat een deel van het gevorderde zal worden toe- of afgewezen). De rechter heeft in dat geval dus niet de mogelijkheid om te bepalen dat partijen tussentijds bevoegd zijn om van het tussenvonnis in hoger beroep te gaan.



Eindvonnis

Het rechtsgeding in eerste aanleg wordt afgesloten met het uitspreken van een eindvonnis. Daarin geeft de rechtbank of het kantongerecht een definitief oordeel over de rechtsvorderingen van de eiser. Er bestaan drie mogelijkheden. De rechtsvorderingen van de eiser worden volledig toegewezen. Zij worden volledig afgewezen. Of zij worden gedeeltelijk toegewezen en ten dele afgewezen.

Voor zover de rechtsvorderingen van de eiser geheel of ten dele zijn toegewezen, hangt het uiteindelijke resultaat natuurlijk af van wat er precies is gevorderd. Vaak zal de eiser hebben gevorderd dat de gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van een geldsom (bijv. schadevergoeding, betaling van de verschuldigde koopprijs, betaling van loon, betaling van een onkostenvergoeding) of tot de nakoming van een andere prestatie (bijv. levering van het verkochte of een vervangend goed, kosteloze reparatie van de machine, het zich onthouden van concurrentie e.d.). Het is tevens denkbaar dat de rechter oordeelt dat een vernietiging of ontbinding terecht of onterecht buitengerechtelijk door één der partijen is uitgesproken, waarvan dan gelijktijdig de gevolgen in het eindvonnis bindend worden vastgelegd. Daarnaast kan, mits aanvullend schade is geleden, daarvoor steeds een schadevergoeding in geld worden verlangd. Indien een bepaalde geldsom bij vonnis is toegewezen, heeft de eiser, voor zover gevorderd, tevens aanspraak op de wettelijke of contractuele rente over het bedrag dat hem is toegekend. De rente wordt berekend vanaf een bepaald tijdstip (bijv. vanaf het moment dat de gedaagde bij ingebrekestelling in verzuim is gekomen of de dag waarop de dagvaarding is betekend) tot aan de dag der algehele voldoening van de hoofdsom.

Voor zover gevorderd, wordt de verliezende partij bij eindvonnis tevens veroordeeld in de proceskosten. Degene die in de proceskosten wordt veroordeeld, moet dan niet alleen zijn eigen proceskosten volledig dragen, maar is tevens een bepaald bedrag aan de andere partij verschuldigd ter compensatie van diens proceskosten. Als de rechtsvorderingen van de eiser geheel of grotendeels zijn toegewezen, wil dit dus zeggen dat de gedaagde, naast hetgeen waartoe hij is veroordeeld, nog een bepaald geldbedrag aan de eiser moet betalen ter vergoeding van de kosten die deze in verband met het voeren van het rechtsgeding heeft moeten maken, zoals advocaatkosten, griffierechten, deurwaarderskosten, kosten van de deskundigen, een vergoeding voor verschenen getuigen, kosten van uittreksels enzovoorts. Worden de rechtsvorderingen van de eiser geheel of grotendeels afgewezen, dan zal juist hij worden veroordeeld in de proceskosten. In dat geval moet hij dus een bepaalde geldelijke vergoeding met betrekking tot de proceskosten aan de gedaagde voldoen. Wanneer de rechtsvorderingen van de eiser deels zijn toegewezen en deels afgewezen, mag de rechter tot compensatie van de proceskosten besluiten. Iedere partij draagt dan haar eigen proceskosten en ontvangt hiervoor geen enkele compensatie van de ander.

De hoogte van de proceskosten wordt vastgesteld aan de hand van een speciaal daarvoor geldende formule: het zogenaamde 'liquidatietarief'. Uitgangspunt is dat alle daadwerkelijk gemaakte kosten volledig behoren te worden vergoed, zoals griffierechten, deurwaarderskosten en kosten voor het werk van de deskundige, met uitzondering echter van de advocaatkosten. De vergoeding daarvoor wordt bepaald aan de hand van een systeem waarin iedere proceshandeling wordt gewaardeerd met een bepaalde hoeveelheid punten. Het totaal aantal punten wordt vervolgens vermenigvuldigd met een in een geldbedrag uitgedrukt tarief. Op basis van het belang van de zaak (in geld uitgedrukte waarde van het geschil) hanteert het systeem 8 verschillende tarieven. Hoe hoger het belang van de zaak, hoe hoger het tarief, en dus ook hoe hoger de proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen. Het is echter geenszins zo dat alle advocaatkosten daadwerkelijk worden gecompenseerd. Met name wanneer het belang van de zaak gering is, en er dus een laag tarief geldt, blijft de proceskostenveroordeling dikwijls niet eens hangen op de helft van de werkelijk door de advocaat gedeclareerde kosten. Zelfs een partij die volledig door de rechter in het gelijk is gesteld, kan er in dit opzicht dus nog bij inschieten.

De proceskostenveroordeling ziet uitsluitend op de kosten die door partijen zijn gemaakt in verband met het voeren van het rechtsgeding zelf. Maar ook in de voorfase zal een partij vaak al kosten hebben gemaakt om nakoming van het gevorderde te verkrijgen of zich tegen zo'n vordering te verweren. Zowel de eiser als de gedaagde kan ook voor deze zogenaamde buitengerechtelijke kosten een vergoeding verlangen. Wel moet hij dan voldoende bewijsmiddelen (verzonden brieven, facturen e.d.) overleggen. De rechter beoordeelt of de in het ongelijk gesteld partij deze kosten eveneens moet vergoeden. Hij kijkt daarbij ten eerste of het maken van deze kosten gerechtvaardigd was gezien het belang van de zaak of gezien haar complexiteit. Om voor partijen de onderbouwing van de door haar in te brengen buitengerechtelijke kosten te vergemakkelijken is een rapport opgesteld met richtlijnen (rapport Voorwerk II en staffel incassokosten sector kanton). De rechter is daaraan echter geenszins gebonden.

Het bovenstaande laat zien dat ook de gedaagde in een gerechtelijke procedure (zonder dat er sprake is van een zaak in reconventie) ook zelf bepaalde rechtsvorderingen tegen de eiser kan instellen, namelijk die tot veroordeling van de eiser in de proceskosten en tot vergoeding van de buitengerechtelijke kosten, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf de dag van toekenning bij vonnis tot aan de dag der algehele voldoening. Het is raadzaam om te vorderen dat het vonnis op dit punt uitvoerbaar bij voorraad zal worden verklaard tegen de eiser.

Bepaalde rechtsvorderingen kunnen worden versterkt met een zogenaamde nevenvordering in de vorm van een op te leggen dwangsom. Dit is een bijkomende veroordeling tot betaling van een bepaalde geldsom voor iedere dag dat de gedaagde weigert om aan het vonnis van de rechter gehoor te geven. Een dwangsom is dus een extra prikkel voor de gedaagde tot (tijdige) nakoming van de hoofdveroordeling. Zij wordt steeds voorwaardelijk opgelegd, in die zin dat de gedaagde het verbeuren van de dwangsom kan voorkomen door vrijwillig binnen de hem gegeven termijn aan de hoofdveroordeling te voldoen. Meestal is de totale omvang van de dwangsom tot een maximum beperkt. Een dwangsom kan niet worden opgelegd voor zover de hoofdveroordeling betrekking heeft op de verplichting tot betaling van een geldsom. Alsdan moet de eiser genoegen nemen met de wettelijke rente die loopt tot aan de dag der algehele voldoening van de hoofdsom, waarbij hij natuurlijk zo nodig aan een deurwaarder (en notaris) opdracht kan geven om beslag te leggen op het vermogen van de gedaagde en dit vermogen op een openbaremveiling te verkopen. Vervolgens kan hij zijn vordering, inclusief de tussentijds gerijpte wettelijke rente en de kosten van beslaglegging en executie, verhalen op de veilingopbrengst.

Als in het vonnis aan de eiser een geldbedrag of geldelijke proceskostenvergoeding is toegewezen, betekent dit niet dat deze ook zeker zal worden geïnd. Inning is namelijk onmogelijk als de veroordeelde partij financieel niet in staat is om deze schulden te betalen. Er is dan geen vermogen of inkomen waaruit de vordering na de tenuitvoerlegging van het vonnis zou kunnen worden voldaan. De eiser is dan weliswaar door de rechter in het gelijk gesteld, maar staat uiteindelijk, ondanks de gemaakte kosten, met lege handen. Hij kan hooguit de veroordeelde gedaagde door de rechtbank failliet laten verklaren in de hoop dat de faillissementscurator erin slaagt om bepaalde gelden boven water te krijgen. Iedereen die overweegt om een gerechtelijke procedure te beginnen moet als eerste met dit procesrisico rekening houden. Pas als dit voldoende is onderzocht, heeft het zin gerechtelijke maatregelen te nemen

Indien de gedaagde een tegenvordering heeft ingesteld, zal ook in reconventie een eindvonnis worden gewezen. Daarop zijn de voormelde regels uiteraard evengoed van toepassing. Hoewel het eindvonnis in reconventie vaak in hetzelfde gerechtelijke stuk als het vonnis in reconventie wordt uitgesproken, is dat niet noodzakelijk. Het is mogelijk dat het eindvonnis in conventie eerder of later wordt gegeven dan het vonnis in reconventie. Dit eindvonnis kan dan bijvoorbeeld in hetzelfde gerechtelijke stuk zijn opgenomen als een tussenvonnis in reconventie. Het is eveneens denkbaar dat dit eindvonnis in een afzonderlijk vonnis wordt vastgelegd. Degene die tegen een eindvonnis in conventie of reconventie hoger beroep wil aantekenen, dient dit te doen binnen drie maanden nadat het betreffende vonnis is gewezen. Hij mag daarbij niet uitgaan van de datum waarop in de andere procedure (die in conventie of reconventie) een eindvonnis komt. Dan is hij mogelijk te laat. Het is dus van belang om steeds te controleren of een tussenvonnis ten aanzien van de ene grechtelijke procedure wellicht in de parallel lopende zaak (in conventie of reconventie) niet reeds een eindvonnis behelst, waartegen - zo één der partijen dat wenst - binnen drie maanden hoger beroep bij het gerechtshof moet worden ingesteld.



Vonnis uitvoerbaar bij voorraad

De eiser verzoekt als regel om de beslissingen in het eindvonnis 'uitvoerbaar bij voorraad' te verklaren. Behoudens uitzonderlijke omstandigheden zal de rechter, wanneer hij de rechtsvorderingen van de eiser geheel of ten dele toewijst, aan dit verzoek gehoor geven. Wat houdt dat in?

Een veroordelend vonnis dat uitvoerbaar bij voorraad is verklaard, kan direct door de eiser ten uitvoer worden gelegd. De eiser mag dus onmiddellijk de gedaagde aanspreken om datgene te voldoen waartoe hij in het vonnis is veroordeeld en, zo deze dat weigert, executoriaal beslag laten leggen op zijn vermogen. Dit laatste betekent dat alle goederen van de gedaagde in beslag worden genomen en door een deurwaarder, met behulp van een notaris, op een openbare veiling worden verkocht. De eiser kan vervolgens zijn vorderingen uit de executieopbrengst innen. Wel moet hij de pand- en hypotheekrechten van andere schuldeisers van de gedaagde respecteren. Die hebben voorrang bij het verhaal uit de executieopbrengst van de aan hen verpande of verhypothekeerde goederen. Ook de belastingdienst kan op grond van haar privileges bepaalde voorrechten genieten. Het is dus geenszins uitgesloten dat de eiser, ondanks het verkregen vonnis, uiteindelijk zijn rechtsvorderingen niet of niet volledig voldaan weet te krijgen. Is de gedaagde veroordeeld om een bepaalde zaak af te geven of over te dragen, dan is de eiser op grond van het bij voorraad uitvoerbaar verklaarde vonnis gerechtigd om die zaak met behulp van een deurwaarder en de politie feitelijk bij de gedaagde op te halen.

Dat het vonnis uitvoerbaar bij voorraad is verklaard, betekent met name dat het ook ten uitvoer kan worden gelegd op een moment dat voor de gedaagde nog één of meer rechtsmiddelen openstaan om tegen dat vonnis op te komen. Zolang de beroepstermijn nog niet is verstreken, bestaat de kans dat de gedaagde tegen het vonnis in hoger beroep gaat. Hetzelfde geldt ten aanzien van de mogelijkheden van de gedaagde om verzet te doen tegen een verstekvonnis zolang de verzetstermijn nog loopt. En zo inderdaad bijtijds hoger beroep of verzet wordt aangetekend, is het zelfs mogelijk dat het gerechtshof (in appèl) of dezelfde gerechtelijke instantie (op het verzet) uiteindelijk tot een ander oordeel zal komen dan dat in het bij voorraad uitvoerbaar verklaarde vonnis. De eiser met een bij voorraad uitvoerbaar vonnis behoeft echter niet de afloop van deze termijnen of het hoger beroep/verzet af te wachten om nakoming van het vonnis te eisen en desnoods door middel van de tenuitvoerlegging ervan af te dwingen. Zelfs wanneer de gedaagde inderdaad besluit om binnen de beroeps- of verzettermijn hoger beroep respectievelijk verzet in te stellen, heeft dit geen gevolgen voor het recht van de eiser om het vonnis ten uitvoer te leggen. Het hoger beroep of verzet schort de tenuitvoerlegging dus niet op.

Wel zal de eiser in zulke gevallen vaak van tenuitvoerlegging van het vonnis afzien. De kans bestaat immers dat hij in hoger beroep of na verzet in het ongelijk zal worden gesteld. Het veroordelend vonnis wordt dan vernietigd. Dit leidt er automatisch toe dat de tenuitvoerlegging en executie van het bij vooraad uitvoerbaar verklaarde vonnis onrechtmatig heeft plaatsgehad. De eiser is verplicht om alle schade die de gedaagde hiervan heeft ondervonden aan hem te vergoeden. Die schade kan veel meer zijn dan de daadwerkelijk gerealiseerde executieopbrengst. Het is immers niet uitgesloten dat het openbaar verkochte huis in werkelijkheid € 300.000 waard was, maar op de veiling slechts € 200.000 heeft opgebracht. De eiser die, achteraf bezien, ten onrechte tot de executoriale verkoop van het huis is overgegaan, moet dan niet alleen de door hem ontvangen executiesom van € 200.000 aan de gedaagde afstaan, maar tevens diens extra schade van € 100.000 vergoeden. Daarenboven blijven de kosten van de executie eveneens voor zijn rekening. Tenzij de gedaagde de verschuldigde prestatie eenvoudig kan voldoen zonder dat tot executie van diens vermogen behoeft te worden overgegaan (hij kan het bedrag tot betaling waarvan hij in het vonnis is veroordeeld gemakkelijk van een van zijn bankrekeningen afboeken), zal de eiser daarom vaak toch wachten met een executie totdat onherroepelijk over het vonnis is beslist. Daarvan is sprake als de gedaagde geen enkel rechtsmiddel meer heeft om het vonnis ongedaan te krijgen. Hierbij moet men niet alleen denken aan het geval dat de eiser uiteindelijk in cassatie in het gelijk is gesteld (tegen een arrest van de Hoge Raad staat geen hogere voorziening meer open), maar ook aan situaties waarin een beroeps- of cassatietermijn is verlopen zonder dat de gedaagde gebruik heeft gemaakt van zijn recht om in hoger beroep of cassatie te gaan. De rechtsmiddelen van hoger beroep en cassatie zijn dan door verloop van deze termijn definitief verloren. Dit houdt automatisch in dat het veroordelend vonnis onherroepelijk is geworden.



Hoger beroep (appèl)

Tegen een uitspraak in eerste aanleg, dus van de kantonrechter of de rechtbank, kan een partij (of kunnen beiden) in hoger beroep gaan bij het gerechtshof. Dit is de beroepsinstantie. Het Hof beoordeelt dan, voor zover gevorderd, de zaak nogmaals in zijn geheel. Het beoordeelt niet alleen of het recht op een juiste wijze is toegepast, maar stelt tevens een onderzoek in naar de juistheid van de aan de beslissing ten grondslag liggende feiten. Het is dus mogelijk dat het Hof tot een andere feitenvaststelling komt dan de rechter in eerste aanleg, wat meestal tevens tot een andere juridische uitkomst leidt.

Niet alle vonnissen in eerste aanleg zijn vatbaar voor hoger beroep. Partijen kunnen niet van een vonnis in eerste aanleg in hoger beroep komen indien de daarin behandelde rechtsvordering niet meer beloopt dan € 1.750 of, in geval van een rechtsvordering van onbepaalde waarde, er duidelijke aanwijzingen bestaan dat de rechtsvordering geen hogere waarde vertegenwoordigt dan € 1.750. Ter bepaling van dit bedrag wordt gekeken naar de omvang van de hoofdvordering, zoals vermeld in de dagvaarding in eerste aanleg, inclusief de verschenen (wettelijke) rente tot aan de dag van betekening van de dagvaarding in eerste aanleg. Wat de eiser in eerste aanleg heeft gevorderd, is dus van belang voor de vraag of tegen het vonnis van de kantonrechter hoger beroep zal openstaan. Niet ter zake doet wat hem uiteindelijk is toegewezen. Indien hij de betaling van een geldbedrag van € 3.000 heeft geëist en de kantonrechter heeft zijn rechtsvordering slechts voor een bedrag van € 1.000 erkend, komt dit vonnis voor hoger beroep in aanmerking, evenals wanneer zijn rechtsvorderingen volledig zouden zijn afgewezen. Indien in het geding in eerste aanleg twee of meer rechtsvorderingen aan de orde zijn gesteld, is voor de vraag of de appèlgrens van € 1.750 is overschreden, het totale beloop of de totale waarde van deze rechtsvorderingen van belang. Wanneer de eiser in eerste aanleg dus heeft gevorderd dat de gedaagde de verkochte machine levert met een waarde van € 1.000 en daarenboven een vergoeding moet betalen van € 800 voor de als gevolg van diens tekortkoming geleden schade, kan tegen het vonnis van de kantonrechter, ongeacht de uitkomst, hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof. Indien in eerste aanleg door de gedaagde een tegenvordering is ingediend (in reconventie), wordt ter bepaling van de appèlgrens gekeken naar de totale omvang van alle vorderingen in conventie en in reconventie (art. 332 Rv). Dit is echter niet het geval wanneer de zaken in conventie en reconventie in twee afzonderlijke rechtsgedingen worden gesplitst of wanneer in conventie en in reconventie twee afzonderlijke eindvonnissen worden gewezen, die dus niet in hetzelfde gerechtelijke stuk zijn opgetekend. Overigens kan wel steeds hoger beroep worden ingesteld wanneer de kantonrechter in zijn vonnis essentiële procedurele voorschriften heeft overtreden (bijv. beginsel van hoor en wederhoor) of eigenmachtig buiten de door partijen gestelde rechtsfeiten is getreden. Blijkt de appèlgrens aan een hoger beroep tegen het vonnis van de kantonrechter in de weg te staan, dan behouden partijen wel de mogelijkheid om daartegen een cassatieberoep bij de Hoge Raad in te stellen, mits dit gebeurt binnen drie maanden na de datum van de uitspraak in eerste aanleg. De Hoge Raad mag evenwel de door de kantonrechter in eerste aanleg vastgestelde feiten en gegeven beslissingen niet meer ter discussie stellen. Zijn antwoord blijft beperkt tot de vraag of in eerste aanleg geen procedurele fouten zijn gemaakt.

Zowel de eiser als de gedaagde in eerste aanleg kan in hoger beroep gaan tegen het vonnis van het kantongerecht of de rechtbank. Dit is afhankelijk van de inhoud van het vonnis in eerste aanleg. Degene die het volledig met dit vonnis eens is, zal geen reden hebben om in hoger beroep te gaan. De ander des te meer.

De absolute en relatieve bevoegdheid van het gerechtshof is van openbare orde en daarmee dwingend door de wet vastgelegd. Met behulp van een prorogatie van rechtsmacht kunnen partijen wel de eerste instantie (kantongerecht of rechtbank) overslaan, maar in dat geval moeten zij bij het gerechtshof uitkomen. Het is niet toegestaan om een zaak direct ter beoordeling voor te leggen aan de Hoge Raad. Het bijzondere is echter dat partijen vóór of tijdens de procedure in eerste aanleg of na afloop daarvan wel gezamenlijk mogen overeenkomen dat zij de zaak direct laten beoordelen door de Hoge Raad, dus met passering van het hoger beroep bij het gerechtshof. Wel dient er in eerste aanleg eerst een vonnis op tegenspraak te worden gewezen waartegen het cassatieberoep kan worden ingesteld. Het bij overeenkomst overslaan van het gerechtshof als rechtsinstantie staat bekend als 'sprongcassatie'. Dit is met name zinvol als partijen niet twisten over de feiten, maar uitsluitend over de juridische gevolgen daarvan. Zij kunnen die rechtsvraag dan meteen na afloop van het geding in eerste aanleg voorleggen aan de Hoge Raad. Hiermee heeft de wet de mogelijkheid geopend om van de absolute bevoegdheidsregels af te wijken. Daarentegen staat de relatieve rechtsbevoegdheid van de vijf verschillende gerechtshoven niet (meer) ter vrije keuze van partijen. Bij welk gerechtshof een eventueel hoger beroep moet worden ingesteld, is afhankelijk van de vraag welk kantongerecht of welke rechtbank in eerste aanleg, al dan niet op grond van een forumkeuze, vonnis heeft gewezen. De wet bepaalt dwingend dat een hoger beroep alleen ontvankelijk is bij het gerechtshof binnen wiens ressort de in eerste aanleg rechtsprekende kantonrechter of rechtbank ligt. Het is dus wel mogelijk om onderling overeen te komen dat een andere dan de door de wettelijke competentieregels aangewezen rechtbank het geschil zal beslechten, maar daarmee is tevens definitief bepaald welk gerechtshof in een eventueel hoger beroep moet worden aangezocht. Daarvan kunnen partijen niet afwijken, ook niet door middel van een uitdrukkelijk daartoe gesloten overeenkomst. Zo is het denkbaar dat de rechtbank te Breda op grond van de wettelijke competentieregels de aangewezen instantie zou zijn om in eerste aanleg uitspraak te doen, maar dat als gevolg van een bindende forumkeuze de zaak in werkelijkheid wordt behandeld door de rechtbank te Haarlem. Het hoger beroep kan dan nog alleen plaatsvinden bij het gerechtshof te Amsterdam, onder wiens ressort de rechtbank Haarlem valt, en niet meer bij enig andere gerechtshof, ook niet bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch, tot wiens ressort de eigenlijk bevoegde rechtbank Breda behoort. Partijen kunnen hiervan niet afwijken, noch vóór, noch na het geding in eerste aanleg. Het is derhalve uitgesloten dat partijen, nadat zij beiden niet tevreden zijn over het vonnis van de rechtbank Breda, vervolgens overeenkomen dat het hoger beroep hiertegen bij het gerechtshof Amsterdam moet worden ingesteld. Het Hof Amsterdam dient zich in dat geval ambtshalve onbevoegd te verklaren en zal het appèl zo nodig doorverwijzen naar het wel bevoegde gerechtshof te ’s-Hertogenbosch.

Het hoger beroep moet worden ingesteld door betekening van een appèldagvaarding aan de wederpartij. De partij die hoger beroep aantekent, noemt men 'appellant'. Degene die door haar in de hoger beroepszaak wordt betrokken, heet 'geïntimeerde'. Het hoger beroep dient tijdig te zijn ingesteld. De beroepstermijn bedraagt drie maanden, te rekenen vanaf de dag van de uitspraak van het vonnis in eerste aanleg. Bijzondere omstandigheden daargelaten is een hoger beroep dat na deze termijn wordt ingesteld, niet ontvankelijk. Daarmee is het vonnis in eerste aanleg onherroepelijk geworden.

Het beslissende moment voor de vraag of het hoger beroep nog tijdig is ingesteld, is de dag waarop de appèldagvaarding aan de wederpartij is betekend. Men kijkt dus niet naar de dag waarop de dagvaarding bij het gerechtshof wordt ingediend, noch naar de zittingsdatum bij het gerechtshof die in de dagvaarding is vermeld. Wel zal de appèldagvaarding in principe op die zittingsdatum ter griffie van het hof moeten zijn ingediend. Vervolgens bepaalt het gerechtshof de termijn waarbinnen de geïntimeerde kan reageren op het hoger beroep.

Meestal deelt de appellant in de appèldagvaarding slechts mede dat hij in hoger beroep komt van het vonnis van het kantongerecht of de rechtbank. Hij voert daarin nog geen inhoudelijke gronden en verweren aan tegen dat vonnis, maar verzoekt het gerechtshof slechts om hem hiervoor enkele weken uitstel te verlenen. Dit verzoek wordt standaard toegekend. Het hof stelt een datum vast waarop de appellant zijn zienswijze moet hebben ingeleverd. In de praktijk wordt ook ten aanzien van die datum vaak weer uitstel verleend, wat tot een enorme vertraging van de beroepsprocedure leidt. Het stuk waarin de appellant aangeeft wat er mis is met het vonnis in eerste aanleg, wordt aangeduid met de term 'memorie van grieven'. Overigens is het wel toegestaan om deze grieven direct in de appèldagvaarding neer te leggen. Die dagvaarding vormt dan dus tevens de memorie van grieven.

De appellant voert een of meer grieven aan tegen het vonnis in eerste aanleg. Overigens behoeft hij niet het gehele vonnis aan te vechten. Onderdelen waarmee hij het eens is, mag hij buiten de beoordeling van het gerechtshof houden. Het hof is in dat geval verplicht om de uitspraak in eerste aanleg ten aanzien van deze onderdelen in stand te laten. Het mag deze niet opnieuw beoordelen, tenzij de appellant het Hof heeft verzocht om de gehele zaak opnieuw te onderzoeken. Overigens zal de geïntimeerde als reactie op het hoger beroep van de appellant die bewuste onderdelen vaak zelf aanvechten bij het Hof. Dat brengt met zich mee dat het gerechtshof deze onderdelen toch opnieuw in hoger beroep zal behandelen.

De wederpartij (geïntimeerde) krijgt na ontvangst van de memorie van grieven, ingediend door de appellant, van het gerechtshof de gelegenheid om haar zienswijze schriftelijk aan het gerechtshof kenbaar te maken. Dit doet zij door middel van een zogenaamde 'memorie van antwoord'. Zoals al is opgemerkt, zal zij dikwijls van de gelegenheid gebruikmaken om gelijktijdig de voor haar nadelige onderdelen van het vonnis alsnog in hoger beroep zelfstandig door het gerechtshof te laten beoordelen. Als de geïntimeerde eveneens tegen het vonnis in eerste aanleg in hoger beroep komt, noemt men dit een 'incidenteel appèl'. Haar memorie van antwoord wordt dan aangevuld met een zogenaamde 'memorie van eis in het incidenteel appèl'. Hiervoor geldt de beroepstermijn van drie maanden uiteraard niet. Het 'hoger beroep ten principale' en het 'incidenteel beroep' worden dan weliswaar in hetzelfde rechtsgeding door het gerechtshof beoordeeld, maar in wezen gaat het om twee afzonderlijke hoger beroepsprocedures. Uiteraard mag de appellant, nadat de geïntimeerde een memorie van eis heeft ingediend, daarop weer schriftelijk reageren door middel van een 'memorie van antwoord in het incidenteel appèl'.

Het is tevens denkbaar dat de geïntimeerde zich in eerste instantie niet inhoudelijk verweert tegen de grieven van de appellant, maar een zogenaamd exceptief verweer opvoert. Zij verwijst in haar memorie van antwoord bijvoorbeeld naar de onbevoegdheid van het gerechtshof of naar de nietigheid van de appèldagvaarding, die te laat zou zijn betekend. Het gerechtshof zal zich dan als eerste over dit incidenteel opgeworpen verweer moeten uitspreken, vóórdat het toekomt aan een inhoudelijke behandeling van de grieven van de appellant en de antwoorden van de geïntimeerde. Ook een beroep op zo'n exceptief verweer splitst de hoger beroepsprocedure in twee onderdelen: die met betrekking tot het exceptief verweer en die met betrekking tot de eigenlijke grieven en antwoorden van partijen. De procedure inzake het exceptief verweer wordt eveneens incidenteel appèl genoemd. Dat is echter een andere procedure dan die welke plaatsvindt als de geïntimeerde gelijktijdig met haar memorie van antwoord hoger beroep instelt tegen één of meer onderdelen van het vonnis in eerste aanleg. Excepties die betrekking hebben op het rechtsgeding in eerste aanleg en bijgevolg direct bij de conclusie van antwoord in eerste aanleg hadden moeten worden opgeworpen, kunnen uiteraard niet meer alsnog in hoger beroep voor het eerst worden aangevoerd. Die excepties zijn te laat ingebracht.

De eiser in eerste aanleg heeft niet de mogelijkheid om in het hoger beroep nieuwe eisen of rechtsvorderingen in te stellen. Zou dat wel geoorloofd zijn, dan zou hij op deze manier ten aanzien van deze eisen en rechtsvorderingen, buiten de gedaagde om, in wezen de rechtsgang in eerste aanleg kunnen overslaan. Hij zou met andere woorden de gedaagde van een rechtsinstantie kunnen beroven. Wel mag hij in hoger beroep de reeds gestelde feiten en rechtsgronden meer uitgebreid toelichten en daarvoor tevens naar andere jurisprudentie wijzen. De gedaagde in eerste aanleg mag daarentegen (als appellant of als geïntimeerde) in hoger beroep wel met nieuwe verweren komen, die hij in eerste aanleg nog niet had ingebracht. Dit is alleen anders ten aanzien van exceptieve verweren die hij in eerste aanleg onmiddellijk in zijn conclusie van antwoord had moeten opwerpen of als hij in het geding in eerste instantie ondubbelzinnig afstand heeft gedaan van een bepaald verweermiddel (het verweer is dan 'gedekt'). Deze verweren kan hij in hoger beroep niet alsnog (weer) aanvoeren.

In iedere hoger beroepsprocedure worden ten minste ingebracht de appèldagvaarding/memorie van grieven van de appellant en de memorie van antwoord van de geïntimeerde. Het verloop van de procedure is voor het overige meestal minder uitgebreid dan in eerste aanleg. Niettemin kan het gerechtshof eveneens een comparitie van partijen gelasten of partijen toestaan om nader bewijs te leveren, bijvoorbeeld door middel van een (nieuw) getuigenverhoor, of om een akte te nemen. Tevens mogen partijen pleidooi vragen en kan het gerechtshof een eigen deskundigenonderzoek bevelen. Wanneer zo'n getuigenverhoor of deskundigenonderzoek al in eerste aanleg heeft plaatsgehad, moeten er vanzelfsprekend wel goede gronden zijn om dit in hoger beroep nogmaals over te doen.

Het gerechtshof kan, na beoordeling van de standpunten van de appellant en geïntimeerde, het vonnis van de kantonrechter of rechtbank geheel of ten dele bevestigen of geheel of ten dele vernietigen, en in de plaats daarvan zelf een uitspraak over het volledige rechtsgeschil geven. Het vonnis in hoger beroep van het gerechtshof heet in een civiele zaak een 'arrest'. Tegen het arrest van het gerechtshof staat weer hoger beroep open bij de Hoge Raad. Dit hoger beroep heet ‘cassatie’.



Cassatie

De appellant of geïntimeerde die zich niet kan vinden in de uitspraak van het gerechtshof, heeft de bevoegdheid om de zaak ter beoordeling voor te leggen aan de Hoge Raad. Hetzelfde geldt voor de eiser of gedaagde in een kantonrechtsprocedure waartegen geen hoger beroep openstaat in verband met de toepasselijkheid van de appèlgrens van € 1.750. Zij mogen wel in cassatie gaan van het vonnis van de kantonrechter.

De Hoge Raad stelt geen eigen onderzoek in naar de feiten, maar gaat uit van de feiten zoals die door de laatste rechter (het Hof) zijn vastgesteld. Hij mag uitsluitend onderzoeken (a) of er sprake is van een verzuim van essentiële procedurele voorschriften en (b) of de lagere rechter het recht heeft geschonden. De Hoge Raad beoordeelt in wezen dus slechts of de rechtsgronden en de motivering van de lagere rechter, gegeven op basis van de door deze vastgestelde feiten, in overeenstemming zijn met het recht, dus of het recht daarop juist is toegepast. Het niet juist toepassen van een regel inzake de bewijslastverdeling, hoewel betrekking hebbend op de vaststelling van de feiten, levert overigens wel een schending van het recht op. De Hoge Raad mag beoordelen of de lagere rechter deze wettelijke bewijsregel juist heeft toegepast. Hetzelfde geldt wanneer de motivering die de lagere rechter aan zijn beslissing heeft gegeven, ondeugdelijk of onbegrijpelijk is. Ook dit is een schending van het recht die voor cassatie vatbaar is. De Hoge Raad mag echter niet onderzoeken of een lagere rechter het recht van een ander land, dat krachtens een verdrag of rechtskeuze van toepassing was op het rechtsgeschil, heeft geschonden. Wel heeft de Hoge Raad de mogelijkheid om op grond daarvan te beslissen dat de motivering van de lagere rechter ondeugdelijk of onbegrijpelijk is. In de praktijk leidt, om de voormelde redenen, minder dan 5 % van alle civiele rechtszaken ook daadwerkelijk tot een cassatieprocedure bij de Hoge Raad.

Indien tegen een vonnis van de kantonrechter geen hoger beroep openstaat in verband met de appèlgrens van € 1.750, kan daartegen wel in cassatie worden opgekomen. Maar de Hoge Raad toetst hier slechts of essentiële procedurele voorschriften niet in acht zijn genomen. Hij stelt niet alleen geen feitelijk onderzoek in, maar laat zich evenmin uit over de vraag of het recht is geschonden.

Het beroep in cassatie moet - behoudens in gevallen waarin de wet een kortere cassatietermijn voorschrijft - worden ingesteld binnen drie maanden, te rekenen van de dag van de uitspraak. Een zaak wordt in cassatie aanhangig gemaakt door de betekening van een daartoe strekkende dagvaarding aan de wederpartij of diens advocaat. Dit dient binnen de geldende cassatietermijn te geschieden. In tegenstelling tot bij een hoger beroep moet de eiser in cassatie in de dagvaarding meteen de middelen geven waarop zijn cassatieberoep steunt. Hij krijgt geen uitstel om dat alsnog te doen. Wanneer wordt verzuimd om deze middelen in de cassatiedagvaarding op te nemen, kan dit alleen nog maar worden hersteld door een nieuwe cassatiedagvaarding, met daarin wel alle middelen van het cassatieberoep, binnen de cassatietermijn uit te brengen. Indien de cassatietermijn reeds is verstreken, heeft de eiser in cassatie geen mogelijkheden meer om dit gebrek te herstellen, zodat zijn beroep om die reden al niet-ontvankelijk zal worden verklaard.

Ook bij een procedure bij de Hoge Raad geldt het beginsel van verplichte procesvertegenwoordiging. De eiser en gedaagde in cassatie moeten zich laten vertegenwoordigen door een 'advocaat bij de Hoge Raad' op straffe van nietigheid. Alle advocaten in het arrondissement Den Haag zijn advocaat bij de Hoge Raad. Advocaten die zijn ingeschreven bij de balie van een ander arrondissement mogen dus niet in cassatie optreden.

Soms zal de Hoge Raad het cassatieberoep niet-ontvankelijk verklaren, namelijk als de vraagstelling in de cassatiedagvaarding zich niet leent voor een behandeling in cassatie. Het is tevens voorstelbaar dat de Hoge Raad van mening is dat er geen essentiële procedurele voorschriften zijn geschonden en dat de uitspraak van het gerechtshof in overeenstemming is met het recht, althans niet onbegrijpelijk is. Alsdan wordt het cassatieberoep afgewezen.

De uitspraken van de Hoge Raad worden bij dagvaardingsprocedures eveneens een 'arrest' genoemd.

Heeft het gerechtshof, op grond van de door hem vastgestelde feiten, naar het oordeel van de Hoge Raad een rechtens onjuiste beslissing genomen of ter motivering daarvan een onjuiste uitspraak gedaan, dan zal de Hoge Raad het arrest van het gerechtshof vernietigen. Als de Hoge Raad van mening is dat dit niet behoeft te leiden tot een nieuw onderzoek naar de feiten, zal hij direct zelf ten principale recht doen. Maar het is ook denkbaar dat de vernietiging een nieuw feitenonderzoek nodig maakt. In dat geval verwijst de Hoge Raad de zaak terug naar een ander gerechtshof dan hetwelk de vernietigde uitspraak had gewezen. Dit gerechtshof dient vervolgens na een nieuw onderzoek van de relevante feiten arrest te wijzen met inachtneming van de aanwijzingen van de Hoge Raad in diens eerder gegeven verwijzingarrest. Door deze uitspraak van het gerechtshof wordt de procedure beëindigd. Niettemin kunnen partijen ook tegen dit arrest in cassatie gaan bij de Hoge Raad als zij van mening zijn dat het gerechtshof het verwijzingsarrest van de Hoge Raad niet of niet juist in acht heeft genomen of een procedureel vereiste heeft geschonden dat wordt bestraft met de nietigheid ervan.

De Hoge Raad is de hoogste gerechtelijke instantie in Nederland. Zijn eindoordeel is beslissend en definitief. Daartegen staan geen andere rechtsmiddelen of beroepsmogelijkheden meer open. Na de uitspraak van de Hoge Raad is het rechtsgeschil dus onherroepelijk beantwoord en vastgesteld. Het kan vervolgens niet nogmaals opnieuw aan een rechter worden voorgelegd. Wel is het denkbaar dat er een andere geschil tussen dezelfde partijen bestaat, waarvoor in eerste aanleg een nieuw rechtsgeding wordt gevoerd. Het is eveneens denkbaar dat het oordeel van de Hoge Raad noopt tot een nieuw onderzoek naar de feiten. In dat geval zal de Hoge Raad, die zelf geen feitenonderzoek mag instellen, uitspraak doen en de zaak terugverwijzen naar een ander gerechtshof, die met inachtneming van het oordeel van de Hoge Raad tot een onderzoek van de feiten overgaat. Naar aanleiding daarvan neemt dat gerechtshof dan een beslissing. Meestal zullen partijen niet meer in cassatie gaan tegen dit arrest van het gerechtshof, aangezien het in overeenstemming is met de verwijzingsuitspraak van de Hoge Raad. Niettemin is zulks niet ondenkbaar, bijvoorbeeld wanneer één der partijen van mening is dat het gerechtshof in zijn arrest geenszins conform de eerdere verwijzingsuitspraak van de Hoge Raad heeft gehandeld of fundamentele processuele formaliteiten heeft geschonden. Alsdan zal de Hoge Raad alsnog in cassatie uitspraak moeten doen over dat arrest van het gerechtshof.