Personenvennootschap volgens titel 7.13 NBW




Nieuwe regeling voor personenvennootschappen in titel 7.13 NBW

In titel 7.13 van het Burgerlijk Wetboek is de regeling met betrekking tot de personenvennootschappen neergelegd. Deze titel strekt ter vervanging van de negende titel van Boek 7A van het Burgerlijk Wetboek (artikelen 7A:1655 tot en met 7A:1688), die betrekking heeft op de maatschap, en van de derde titel van het Eerste Boek van het Wetboek van Koophandel (artikelen 15 tot en met 34), waarin de vennootschap onder firma en de commanditaire vennootschap hun regeling hebben gevonden. De meest in het oog springende vernieuwing is de mogelijkheid dat, indien de vennoten daarvoor kiezen, een openbare vennootschap rechtspersoonlijkheid verwerft. Tot het vennootschappelijk vermogen is dan de vennootschap als rechtspersoon gerechtigd. De vennootschap verricht in dat geval zelf de rechtshandelingen, zodat de gevolgen daarvan direct aan haar worden toegerekend. Daarnaast blijft evenwel de mogelijkheid bestaan om te kiezen voor een vennootschap zonder rechtspersoonlijkheid. De positie van de vennoten is in dat geval grotendeels dezelfde als in de oude regeling. De vennootschap zonder rechtspersoonlijkheid is géén zelfstandige persoon met een eigen vermogen. Zo er een vennootschapsgemeenschap aanwezig is, hebben de vennoten daarin een goederenrechtelijk aandeel. De vennootschapsgemeenschap, of beter gezegd de aandelen daarin, vormen een van het overige vermogen van de vennoten afgescheiden vermogen, dat in het bijzonder is bestemd voor het verhaal van de vennootschapscrediteuren. Aldus kunnen de vennoten hun samenwerkingsverband inkleden op de wijze die het best past bij hun concrete wensen en omstandigheden. Flexibiliteit is hier gewaarborgd doordat een vennootschap haar rechtspersoonlijkheid ook weer kan opgeven, terwijl voorts omzetting mogelijk is in een besloten vennootschap vice versa. Rechtspersoonlijkheid van de vennootschap leidt niet tot beperking van de aansprakelijkheid van de vennoten. Wel is voor de aansprakelijkheid van de vennoten bij opdrachtverlening een bijzondere regeling getroffen (Parl. Gesch. MvT Inleiding, 1).

Titel 7.13 BW brengt voorts de regeling van de maatschap en de andere personenvennootschappen, die thans over twee wetboeken zijn verspreid, samen in één geïntegreerde regeling. Andere vernieuwingen betreffen de ontbinding en voortzetting van de vennootschap. Hier is voor het geval dat slechts één of enige vennoten uittreden, voorzien in continuïteit van de vennootschap. Ook wordt de mogelijkheid geregeld van opvolging van een vennoot door zijn erfgenamen of een derde. Ten slotte is een afzonderlijke regeling opgenomen voor de vereffening en verdeling, welke geheel is toegesneden op de personenvennootschap (Parl. Gesch. MvT Inleiding, 1).

Met de term 'vennootschap' wordt ook in titel 7.13 BW in de eerste plaats gedoeld op een overeenkomst: zoals in de omschrijving van artikel 7:800 BW tot uitdrukking wordt gebracht, is de vennootschap een overeenkomst tot samenwerking. Daarmee strookt dat de regeling met betrekking tot de vennootschap is opgenomen in Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek. Met deze overeenkomst wordt evenwel een rechtsfiguur, een rechtsbetrekking, in het leven geroepen, die zelf eveneens als 'vennootschap' wordt aangeduid, en die, ook als zij geen rechtspersoon is, tot op zekere hoogte lijkt te worden gepersonifieerd en losgemaakt lijkt te zijn van de aan haar ten grondslag liggende overeenkomst. Men zie bijvoorbeeld artikel 7:813 BW, waar wordt gesproken van een vennootschap die een opdracht heeft ontvangen (Parl. Gesch. MvT Inleiding, 2.2).

Dat de vennootschap in de eerste plaats een overeenkomst is, brengt met zich mee dat, evenals bij andere bijzondere overeenkomsten, de algemene bepalingen van de Boeken 3 en 6, voor zover deze betrekking hebben op overeenkomsten, in beginsel van toepassing zijn. Het gaat hier meer in het bijzonder om de toepasselijkheid van de titels 3.2 (Rechtshandelingen) en 6.5 (Overeenkomsten in het algemeen). Die toepasselijkheid kan uitgesloten zijn door een uitdrukkelijke bepaling, of doordat bijzondere bepalingen met betrekking tot de vennootschap zich tegen toepasselijkheid verzetten (Parl. Gesch. MvT Inleiding, 2.3).



Vijf verschillende vennootschapsvormen in titel 7.13 NBW

'Vennootschap' is de overeenkomst tot samenwerking voor gemeenschappelijke rekening van twee of meer personen, de vennoten, welke samenwerking is gericht op het behalen van vermogensrechtelijk voordeel ten behoeve van alle vennoten door middel van inbreng door ieder van de vennoten (art. 7:800 lid 1 BW). Uitgangspunt is derhalve dat de vennootschap een obligatoire samenwerkingsovereenkomst is. Zij is daarom onderworpen aan de algemene regels voor wederkerige verbintenisscheppende overeenkomsten, in het bijzonder die van titel 3.2 BW ('Rechtshandelingen'), titel 6.1 BW ('Verbintenissen') en titel 6.5 BW ('Overeenkomsten'). Wel zijn in art. 7:820 lid 3 BW uitdrukkelijk uitgezonderd de regels inzake de ontbinding van wederkerige overeenkomsten bij een tekortkoming van één der partijen (art. 6:265 - 6:279 BW)

Met behulp van de voormelde omschrijving dient de vennootschap te worden onderscheiden van de geldleenovereenkomst en van andere vormen van samenwerking, zoals die krachtens een arbeidsovereenkomst of overeenkomst van opdracht of in de figuur van een vereniging of coöperatie.

Titel 7.13 NBW onderscheidt vervolgens twee hoofdvormen: de 'openbare' en 'stille' vennootschap. De openbare vennootschap is de vennootschap tot het uitoefenen van een beroep of bedrijf dan wel tot het verrichten van beroeps- of bedrijfshandelingen, die op een voor derden duidelijk kenbare wijze naar buiten optreedt onder een door haar als zodanig gevoerde naam (art. 7:801 lid 1 BW). De stille vennootschap is de vennootschap (zie hiervóór) die niet een openbare vennootschap is (art. 7:801 lid 2 BW).

Voor de openbare vennootschap gelden daarmee, naast die welke gelden voor de vennootschap als zodanig (art. 7:800 lid 1 BW), drie aanvullende vereisten.

In de eerste plaats dienen de deelnemers aan het samenwerkingsverband daarin gemeenschappelijk een beroep of bedrijf uit te oefenen. Het onderscheid tussen beroep en bedrijf is op zichzelf echter niet meer van belang voor de vraag om wat voor soort vennootschap het gaat. Het verschil tussen de maatschap en vennootschap onder firma is in titel 7.13 NBW verdwenen. Maar wel van belang blijft de vraag of er binnen de vennootschap beroeps- of bedrijfshandelingen worden verricht of dat daarin andere activiteiten worden ontplooid. Wordt er namelijk géén beroep of bedrijf uitgeoefend, maar een andere activiteit verricht, dan kan er reeds om die reden geen sprake zijn van een openbare vennootschap. Wel is het denkbaar dat de samenwerking in dat geval een stille vennootschap is.

In de tweede plaats moet de vennootschap, wil zij een 'openbaar' karakter hebben, als samenwerkingsverband naar buiten treden. De vennoten moeten bij en door middel van hun optreden in het maatschappelijk verkeer aan de buitenwereld kenbaar maken dat zij gezamenlijk een beroep of bedrijf uitoefenen. Dit houdt onder meer in dat de rechtshandelingen die binnen het kader van het samenwerkingsverband worden verricht, (hoofdzakelijk) in naam van de openbare vennootschap worden aangegaan. Geschiedt dit maar incidenteel, dan is de conclusie opnieuw dat het samenwerkingsverband een stille vennootschap is, zelfs wanneer in die incidentele gevallen onder een gemeenschappelijke naam wordt gehandeld.

In de derde plaats is voor het bestaan van een openbare vennootschap vereist dat de vennoten onder een gemeenschappelijke naam aan het maatschappelijk verkeer deelnemen. De openbare vennootschap dient met andere woorden te beschikken over een eigen naam, waarmee het samenwerkingsverband als eenheid wordt aangeduid. Direct uit deze gemeenschappelijke naam moet blijken dat het om een openbare vennootschap gaat, bijvoorbeeld doordat aan die naam de woorden 'openbare vennootschap' of de afkorting 'OV' is toegevoegd. De rechtshandelingen die de openbare vennootschap binnen het kader van het samenwerkingsverband verricht, worden in principe onder deze gemeenschappelijke naam aangegaan. Opmerking verdient dat er nog géén gemeenschappelijke naam wordt gehanteerd wanneer de namen van alle vennoten (eventueel inclusief enkele medewerkers) slechts onder elkaar op het briefhoofd staan vermeld, zoals in de medische wereld en advocatuur gebruikelijk is. Op zichzelf is er dan nog altijd sprake van een stille vennootschap. Pas als bijvoorbeeld op het deurschild of briefpapier (bovendien) een eigen naam van het samenwerkingsverband is vermeld, die overigens kan bestaan uit de achter elkaar geplaatste namen van één of meer vennoten, treden de vennoten als eenheid onder een gemeenschappelijke naam naar buiten, waardoor hun samenwerkingsverband verwordt tot een openbare vennootschap.

Een stille vennootschap is iedere samenwerkingsovereenkomst die weliswaar voldoet aan de daarvoor geldende omschrijving van art. 7:800 lid 1 BW, maar die één of meer van de drie hiervóór genoemde kenmerken mist. Wanneer twee of meer personen een overeenkomst sluiten om in samenwerking door inbreng ten behoeve van alle vennoten voor gemeenschappelijke rekening een vermogensrechtelijk voordeel te behalen, is er in elk geval een stille vennootschap aanwezig. Vervolgens moet worden beoordeeld of het wellicht om een openbare vennootschap gaat, waarvoor noodzakelijk is dat de drie eerder genoemde aanvullende criteria alle van toepassing zijn. Ontbreekt één van deze aanvullende criteria, dan is er sprake van een stille vennootschap. Een vennootschap waarin bijvoorbeeld wel een beroep of bedrijf wordt uitgeoefend, maar die niet onder een gemeenschappelijke naam als eenheid naar buiten treedt, is een stille vennootschap. Ook een vennootschap die weliswaar op een duidelijke manier onder een gemeenschappelijke naam naar buiten treedt, maar waarin géén beroeps- of bedrijfshandelingen worden verricht, is een stille vennootschap. De vraag of er onder een gemeenschappelijke naam naar buiten wordt getreden, is dus niet het enige criterium ter onderscheiding van openbare en stille vennootschappen. Beslissend is tevens het soort activiteiten dat in het samenwerkingsverband plaatsvindt, zij het dat het verschil tussen een beroep en bedrijf geen rol meer speelt.



Personenvennootschappen met en zonder rechtspersoonlijkheid

De openbare vennootschap kent op zichzelf weer twee varianten. De openbare vennootschap met rechtspersoonlijkheid (OVR) en de gewone openbare vennootschap.

Een openbare vennootschap is rechtspersoon indien de overeenkomst van vennootschap is opgenomen in een notariële akte (art. 7:802 lid 1 BW). Ontbreekt een notariële akte, dan heeft het samenwerkingsverband te gelden als een gewone openbare vennootschap ('OV'). Eenzelfde onderscheid wordt niet bij de stille vennootschap gemaakt. Daarvan bestaat maar één soort. Deze bezit nimmer rechtspersoonlijkheid.

Een bij notariële akte vastgelegde vennootschapsovereenkomst is een openbare vennootschap met rechtspersoonlijkheid, zij het wel dat de vennoten op grond van een afzonderlijke wetsbepaling ieder - naast de vennootschap zelf - hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de vennootschapsschulden. Een zodanige vennootschap moet op alle geschriften, gedrukte stukken en aankondigingen waarin zij partij is of die van haar uitgaan, met uitzondering van telegrammen en reclames, haar naam en haar zetel vermelden. De naam vangt aan of eindigt met de woorden 'Openbare Vennootschap met rechtspersoonlijkheid', hetzij voluit geschreven, hetzij afgekort tot 'OVR' (art. 7:802 lid 4 BW). Een openbare vennootschap met rechtspersoonlijkheid is zelf rechthebbende op het door de vennoten ingebrachte vennootschapsvermogen en de goederen die tijdens de duur van het samenwerkingsverband worden verkregen. Zij kan zelf - en wel meteen voor eigen rekening - rechtshandelingen aangaan, al heeft zij daarvoor vanzelfsprekend de hulp nodig van natuurlijke personen (zoals vennoten, werknemers of andere gevolmachtigden) die dat in haar naam doen. Is de samenwerkingsovereenkomst niet vastgelegd in een notariële akte, dan moet zij als een gewone openbare vennootschap worden gekwalificeerd. Zij bezit dan géén rechtspersoonlijkheid en is derhalve géén rechtssubject. Dat brengt met zich mee dat zij zelf geen drager van rechten en plichten kan zijn. De openbare vennootschap is in dat geval niet zelf de eigenaar van het ingebrachte vennootschapsvermogen, noch van de goederen die in de loop van het samenwerkingsverband worden verkregen. Dat zijn de achterliggende vennoten, die ieder een goederenrechtelijk aandeel in de vennootschapsgemeenschap hebben verworven. De openbare vennootschap zonder rechtspersoonlijkheid kan niet door het verrichten van rechtshandelingen zelf aan het rechtsverkeer deelnemen. De gevolgen van de handelingen worden steeds rechtstreeks aan de achterliggende vennoten toegerekend. De vennoten zelf worden hoofdelijk verbonden voor de verbintenissen die onder de gemeenschappelijke naam van de vennootschap zijn aangegaan. Omdat de openbare vennootschap zonder rechtspersoonlijkheid zelf geen rechtssubject is, kunnen de door de vennoten aangegane verbintenissen niet direct aan haar worden toegerekend.

De openbare vennootschap kent nog een bijzondere vorm, namelijk die van de 'commanditaire vennootschap'. Een commanditaire vennootschap is de als zodanig optredende openbare vennootschap welke naast één of meer gewone vennoten één of meer commanditaire vennoten heeft (art. 7:836 lid 1 BW). Een commanditaire vennoot is een vennoot die niet uitsluitend arbeid inbrengt, die uitgesloten is van de bevoegdheid om rechtshandelingen te verrichten voor rekening van de vennootschap, en die in het verlies der vennootschap niet verder behoeft te delen dan tot het bedrag van hetgeen hij heeft ingebracht of verplicht is in te brengen (art. 7:836 lid 2 BW). Een commanditaire vennootschap is altijd een openbare vennootschap. Wel bestaan er ook hiervan twee varianten. Ten eerste de commanditaire vennootschap met rechtspersoonlijkheid. Deze wordt bij notariële akte vastgelegd. Is dat niet gebeurd, dan gaat het steeds om een commanditaire vennootschap zonder rechtspersoonlijkheid.

Een bij notariële akte vastgelegde commanditaire vennootschap is een rechtspersoon. Niettemin zijn ook hier de gewone vennoten krachtens een uitdrukkelijke wetsbepaling naast de commanditaire vennootschap hoofdelijk aansprakelijk voor de vennootschapsschulden. De commanditaire vennoten zijn nooit direct aansprakelijk. Evenals de openbare vennootschap met rechtspersoonlijkheid is de in een notariële akte vastgelegde commanditaire vennootschap verplicht om op alle geschriften, gedrukte stukken en aankondigingen waarin zij partij is of die van haar uitgaan, met uitzondering van telegrammen en reclames, haar naam en haar zetel te vermelden. De naam vangt aan of eindigt met de woorden 'Commanditaire Vennootschap met rechtspersoonlijkheid', hetzij voluit geschreven, hetzij afgekort tot 'CVR' (art. 7:836 lid 3 BW jo. art. 7:802 lid 2 BW). Onder deze gemeenschappelijke naam verbindt de commanditaire vennootschap zich met derden. Een gewone commanditaire vennootschap bezit géén rechtspersoonlijkheid en is bijgevolg géén rechtssubject. Zij kan daarom niet zelf de rechthebbende zijn op het ingebrachte vennootschapsvermogen, noch op de goederen die later worden verkregen. Dat zijn de gewone én commanditaire vennoten, die ieder een goederenrechtelijk aandeel in de vennootschapsgemeenschap hebben. Zo'n commanditaire vennootschap kan evenmin zelf aan het rechtsverkeer deelnemen. De gevolgen van de onder de gemeenschappelijke naam verrichte rechtshandelingen worden steeds toegerekend aan de achterliggende vennoten zelf. In eerste instantie alleen aan de gewone vennoten, die namelijk als enigen aan deze rechtshandelingen gebonden worden en daarvoor hoofdelijk aansprakelijk zijn. voor zover die gevolgen evenwel een onderdeel gaan vormen van de vennootschapsgemeenschap, wat vrijwel steeds het geval zal zijn, worden zij indirect - namelijk via ieders aandeel in die gemeenschap - tevens gedragen door de commanditaire vennoten Een door een gewone vennoot in naam van de commanditaire vennootschap verkregen vennootschapsgoed laat immers de waarde van dat aandeel in de vennootschapsgemeenschap toenemen Een door een gewone vennoot in naam van de commanditaire vennootschap aangegane vennootschapsschuld vermindert de waarde van dat aandeel. voor zover de vennootschapsschulden in omvang groter zijn dan de vennootschapsgemeenschap, leidt uitwinning van dit afgescheiden vermogen tot een algeheel verlies van de aandelen in die gemeenschap. Dit geldt dan uiteraard niet alleen voor de gewone vennoten met een aandeel, maar evenzeer voor de commanditaire vennoten. In géén geval kunnen de commanditaire vennoten rechtstreeks aansprakelijk worden gesteld voor de vennootschapsschulden.



Hoofdkenmerken van de vijf personenvennootschappen van titel 7.13 NBW

Onderzoek van de bepalingen van titel 7.13 NBW leert dat er vijf verschillende vennootschapsvormen zijn:

  1. de stille vennootschap (zonder rechtspersoonlijkheid maar met een afgescheiden vennootschapsvermogen;

    Deze vennootschapsvorm is te vergelijken met de stille maatschap in de oude regeling. De vennoten zijn niet bevoegd om namens de stille vennootschap op te treden, behalve als zij krachtens een volmacht in naam van alle daaraan deelnemende vennoten mogen handelen. De vennoten zijn in het laatste geval niet hoofdelijk verbonden, maar ieder voor een gelijk deel. De vennootschapsgemeenschap vormt een afgescheiden vermogen. De schuldeisers van de stille vennootschap, dat wil zeggen de schuldeisers wier vorderingen zijn ontstaan uit rechtshandelingen die zijn verricht met alle vennoten in die hoedanigheid als hun wederpartij, mogen vóór de eigen schuldeisers van de individuele vennoten het goederenrechtelijk aandeel in de vennootschapsgemeenschap uitwinnen.

  2. de openbare vennootschap (zonder rechtspersoonlijkheid maar met een afgescheiden vermogen;

    De openbare vennootschap zonder rechtspersoonlijkheid (OV) stemt overeen met de vennootschap onder firma. De vennoten zijn allen gerechtigd om de openbare vennootschap te vertegenwoordigen, tenzij die bevoegdheid is beperkt of uitgesloten. Alle vennoten zijn hoofdelijk verbonden voor de vennootschapsschulden. Het ingebrachte vermogen vormt, voor zover er een vennootschapsgemeenschap is ontstaan, een afgescheiden vermogen, waarop de vennootschapscrediteuren zich bij voorrang op mogen verhalen. De vennoten hebben een eigen aandeel in dat gemeenschappelijke vennootschapsvermogen.

  3. de commanditaire vennootschap (zonder rechtspersoonlijkheid maar met een afgescheiden vermogen;

    De commanditaire vennootschap komt in hoofdlijnen overeen met de commanditaire vennootschap van Boek 7A BW en het Wetboek van Koophandel. De beherende vennoten worden in titel 7.13 BW echter 'gewone' vennoten genoemd. Alleen de gewone vennoten mogen namens de commanditaire vennootschap optreden, tenzij hun bevoegdheid is beperkt of uitgesloten. De gewone vennoten zijn allen hoofdelijk verbonden voor de verbintenissen van de vennootschap. De commanditaire vennoten zijn daarvoor niet aansprakelijk. voor zover er een vennootschapsgemeenschap bestaat, hebben zowel de gewone als de commanditaire vennoten daarin ieder een eigen goederenrechtelijk aandeel. De vennootschapsgemeenschap wordt door de wet aangeduid als afgescheiden vermogen, waarop de vennootschapscrediteuren zich bij voorrang mogen verhalen.

  4. de openbare vennootschap met rechtspersoonlijkheid;

    Deze vennootschapsvorm is in de oude regeling onbekend. De openbare vennootschap met rechtspersoonlijkheid (OVR) staat als rechtspersoon, wat het vermogensrecht betreft, met een natuurlijke persoon gelijk, tenzij uit de wet het tegendeel voortvloeit. Op een zodanige vennootschap is art. 2:5 BW van toepassing (art. 7:802 lid 2 BW). De openbare vennootschap met rechtspersoonlijkheid is wel enigszins te vergelijken met een besloten vennootschap. Zij is zelf eigenaar van het ingebrachte vennootschapsvermogen en neemt zelf aan het rechtsverkeer deel. Dit laatste betekent dat de door haar verrichte rechtshandelingen direct ten voordele en ten laste van haar eigen vermogen strekken. Wel zijn er belangrijke verschillen met de besloten vennootschap. In de eerste plaats is de organisatiestructuur van de besloten vennootschap, zoals neergelegd in Boek 2 BW, van geheel andere aard (art. 7:802 lid 2 BW). De openbare vennootschap met rechtspersoonlijkheid kent géén algemene vergadering, die een bestuur benoemt. De deelnemende vennoten nemen intern zelf de besluiten en vormen gelijktijdig het bestuur van de openbare vennootschap. De vertegenwoordigingsbevoegdheid van één of meer vennoten kan bovendien op elke gewenste wijze worden beperkt of uitgesloten, wat bij een besloten vennootschap maar binnen bepaalde marges mogelijk is. Het belangrijkste verschil ten opzichte van de besloten vennootschap is evenwel dat de wet afzonderlijk bepaalt dat vennoten - naast de openbare vennootschap - ieder hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de vennootschapsschulden, zonder dat zij dit onderling kunnen uitsluiten (art. 7:813 lid 1 BW). De bestuurders en aandeelhouders van een besloten vennootschap zijn daarentegen niet aansprakelijk voor de schulden van deze rechtspersoon.

  5. de commanditaire vennootschap met rechtspersoonlijkheid.

    De commanditaire vennootschap met rechtspersoonlijkheid (CVR) vertoont nog meer gelijkenis met de besloten vennootschap dan de openbare vennootschap. Aan zo'n commanditaire vennootschap nemen namelijk ook commanditaire vennoten deel wier positie lijkt op die van de aandeelhouders in een besloten vennootschap. Zij zijn namelijk niet rechtstreeks belast met het bestuur en het vertegenwoordigen van de vennootschap. Evenals de algemene vergadering van aandeelhouders moeten de commanditaire vennoten dit overlaten aan het bestuur van de openbare vennootschap. En evenmin als de aandeelhouders van een besloten vennootschap zijn de commanditaire vennoten aansprakelijk voor de schulden van de rechtspersoon. Zij kunnen ten hoogste hun inbreng verliezen, zoals de aandeelhouders ten hoogste het bedrag dat zij ter verwerving van de aandelen hebben betaald kunnen verspelen. Maar daarnaast kent de commanditaire vennootschap met rechtspersoonlijkheid ook gewone vennoten. Zij vormen het bestuur en vertegenwoordigen de commanditaire vennootschap in en buiten rechte. Hun vertegenwoordigingsbevoegdheid kan daarbij weer op iedere denkbare wijze worden beperkt of uitgesloten. In tegenstelling tot de commanditaire vennoten zijn de gewone vennoten wel - naast de commanditaire vennootschap - ieder hoofdelijk aansprakelijk voor de vennootschapsschulden. De positie van de gewone vennoten in een CVR is dezelfde als die van de vennoten in een OVR.

 


De stille vennootschap (SV)

Een stille vennootschap is te vergelijken met een stille maatschap, maar is daartoe niet beperkt. Van een burgerlijke (of openbare) maatschap is immers eveneens sprake wanneer het samenwerkingsverband openlijk aan het rechtsverkeer deelneemt, zonder evenwel een gemeenschappelijke naam te hanteren. De vennoten in een openbare maatschap kunnen immers op iedere denkbare manier aan de buitenwereld kenbaar maken dat zij onderling een samenwerkingsverband zijn aangegaan. Het gebruik van een gemeenschappelijke naam is daarvoor niet vereist. Maar ook dan is er evengoed sprake van een openbare maatschap. In titel 7.13 NBW heeft zo'n samenwerkingsverband niettemin te gelden als een stille vennootschap, nu niet is voldaan aan het derde vereiste voor de aanname van het bestaan van een openbare vennootschap, te weten dat er onder een gemeenschappelijke naam naar buiten wordt getreden.

Aangezien de stille vennootschap in beginsel geen gemeenschappelijke naam heeft, kan zij niet met behulp daarvan aan het rechtsverkeer deelnemen. Bijgevolg kunnen er geen rechtshandelingen in naam van de stille vennootschap worden verricht. Het uitgangspunt is dan ook dat de vennoten alleen bevoegd zijn om in eigen naam te handelen en daardoor uitsluitend zelf worden verbonden. Niet ter zake doet daarbij of de wederpartij wist of kon vermoeden dat de handeling binnen het kader van de beroeps- of bedrijfsuitoefening van de vennootschap werd aangegaan of intern wellicht door de handelende vennoot voor rekening van de andere vennoten kon worden gebracht. Omdat de handelende vennoot uitsluitend in eigen naam optreedt, weet de wederpartij immers dat zij alleen met hem in een rechtsbetrekking komt te staan. De overige vennoten worden niet door een dergelijke transactie geraakt.

Kenmerkend voor een stille vennootschap is daardoor dat de vennoten alleen bevoegd zijn om elkaar krachtens een volmacht te vertegenwoordigen. Indien één der vennoten bevoegd is om uit hoofde van een aan hem verleende volmacht de andere vennoten te vertegenwoordigen, zullen in principe - nu een gemeenschappelijke vennootschapsnaam ontbreekt - alle vennoten met naam en toenaam als volmachtgevers moeten worden genoemd. De vennoten worden vervolgens - als volmachtgevers - ieder voor een gelijk deel met de wederpartij verbonden, tenzij het om een ondeelbare prestatie gaat. Maar is voor de wederpartij in voldoende mate kenbaar dat de volmachtgevers allen handelen in hun hoedanigheid van vennoot van een vennootschap, dan gelden de verbintenissen uit die rechtshandeling wel als vennootschapsschulden van de stille vennootschap. Weliswaar zijn ook nu de vennoten ieder slechts voor een gelijk deel verbonden, maar de wederpartij mag zich nu wel - bij voorrang op de privé-schuldeisers van de individuele vennoten - verhalen op het afgescheiden vennootschapsvermogen.

Soms maakt ook de stille vennootschap wel gebruik van een gemeenschappelijke naam. Dit speelt bijvoorbeeld als zij weliswaar niet als eenheid naar buiten treedt, maar wel incidenteel onder een (wellicht eenmalig gebruikte) gemeenschappelijke vennootschapsnaam een overeenkomst sluit. De wederpartij mag er alsdan van uitgaan dat zij handelt met personen die tezamen als vennoten samenwerken in een stille vennootschap. Dit resulteert evenzeer in een bevoorrechte positie bij het verhaal van haar vordering op het gemeenschappelijke vennootschapsvermogen. Hetzelfde geldt wanneer er weliswaar geregeld onder de gemeenschappelijke naam van de vennootschap wordt gecontracteerd, maar de vennoten onderling géén beroeps- of bedrijfshandelingen in het samenwerkingsverband verrichten, maar een andere activiteit. Het samenwerkingsverband heeft ook dan, ondanks het (geregeld) gebruik van een gemeenschappelijke naam, te gelden als een stille vennootschap. Doordat er onder de gemeenschappelijke naam is gehandeld, zijn de vennoten ieder voor een gelijk deel verbonden, maar heeft de wederpartij wel weer de mogelijkheid om zich bij voorrang te verhalen op het afgescheiden vennootschapsvermogen.

In dit verband is nog belangrijk om op te merken dat na invoering van titel 7.13 NBW de speciale aansprakelijkheidsbepalingen die gelden bij de aanvaarding van een opdracht terzijde worden gesteld door de meer bijzondere aansprakelijkheidsregels van titel 7.13 NBW, die gelden als de opdracht door een vennootschap, en aldus door twee of meer vennoten, wordt aanvaard. Art. 7:407 lid 2 BW bepaalt dat, indien twee of meer personen tezamen een opdracht hebben ontvangen, ieder van hen voor het geheel aansprakelijk is ter zake van een tekortkoming in de nakoming, tenzij de tekortkoming niet aan hem kan worden toegerekend. Deze bepaling mist toepassing als één vennoot in eigen naam een opdracht aanvaardt, zoals bij de stille vennootschap het uitgangspunt zal zijn. Hij is dan immers als enige daaraan gebonden. Aanvaardt hij evenwel krachtens (een stilzwijgend verleende) volmacht de opdracht namens alle vennoten, dan zou daaruit volgens art. 7:407 lid 2 BW een hoofdelijke aansprakelijkheid voor die vennoten volgen. De gelaagde structuur van het Burgerlijk Wetboek brengt echter met zich mee dat een bijzondere bepaling, die qua positie later in het wetboek is geplaatst, vóórgaat op een bijzondere bepaling die eerder in de wet staat vermeld. Wanneer de opdracht door een stille vennootschap wordt aanvaard, wordt de aansprakelijkheid der stille vennoten dus niet bepaald door art. 7:407 lid 2 BW, maar door art. 7:813 lid 3 BW. De vennoten zijn, voor zover de prestatie deelbaar is, slechts ieder voor een gelijk deel verbonden. Ook de handelende vennoot, die feitelijk de tekortkoming heeft veroorzaakt, is in dat geval dus niet voor het geheel aansprakelijk, maar slechts voor een gelijk deel. De wederpartij heeft op iedere vennoot een afzonderlijke vordering tot betaling van het ten laste van deze vennoot komende deel van de schuld. Zij kan een vennoot niet aanspreken tot betaling van het deel van haar totale vordering dat door een andere vennoot moet worden voldaan.

Met deze nieuwe regeling is de aansprakelijkheid van beroepsbeoefenaars anders komen te liggen dan voorheen. In de oude regeling waren zij krachtens art. 7:407 lid 2 BW ieder hoofdelijk aansprakelijk, en dus niet voor gelijke delen, zij het niet als zij konden aantonen dat de tekortkoming niet aan hen was toe te rekenen. Op grond van de art. 6:74 lid 1 BW en art. 6:75 BW diende te worden beoordeeld of de tekortkoming van één der vennoten mede was toe te rekenen aan de andere vennoten. Als de opdracht weliswaar door de vennootschap als zodanig was aanvaard, maar feitelijk alleen werd uitgevoerd door de vennoot die haar namens de maatschap met de wederpartij was overeengekomen, was de algemene opvatting dat diens tekortkoming niet aan de anderen kon worden toegerekend, tenzij dezen tijdig hadden moeten ingrijpen. De vennoten in een maatschap van beroepsbeoefenaars konden zodoende veelal ontsnappen aan een aansprakelijkheid voor de beroepsfout van één van de compagnons. Weliswaar zijn de vennoten in een stille vennoot thans slechts voor een gelijk deel verbonden, maar voor hen ontbreekt een disculpatiemogelijkheid. In het stelsel van de wet blijven zij namelijk evengoed voor gelijke delen verbonden in situaties dat de tekortkoming van één der vennoten niet aan hen is toe te rekenen. Dit valt af te leiden uit de wettekst. Een dergelijke toevoeging ontbreekt namelijk in art. 7:813 lid 3 BW, terwijl die wel met klem is opgenomen in het tweede lid van dat artikel voor het geval een openbare vennootschap een opdracht aanvaardt.

Het spreekt voor zich dat de vennoten niet aansprakelijk zijn als de handelende vennoot, die de opdracht heeft uitgevoerd en dus de tekortkoming heeft veroorzaakt, zich al tegenover de wederpartij van de vennootschap kan vrijpleiten door erop te wijzen dat de fout niet aan hem kan worden toegerekend. In dat geval kan immers niet worden gezegd dat de vennootschap toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming als bedoeld in art. 6:74 en art. 6:75 BW. De wederpartij heeft alsdan géén enkele vordering, noch op de handelende vennoot, noch op diens medevennoten, ook niet ieder voor een gelijk deel, omdat er niet is voldaan aan de vereisten die de wet stelt voor het ontstaan van schadeplichtigheid in geval van een tekortkoming in de nakoming van een verbintenis. Dat is echter een andere kwestie dan hiervóór is bedoeld. Daar wordt ervan uitgegaan dat de fout van de uitvoerende vennoot op zichzelf wel is aan te merken als een toerekenbare tekortkoming van de vennootschap, die immers de opdracht in juridische zin heeft aanvaard. Vervolgens moet worden gekeken naar de aansprakelijkheid van alle aan deze vennootschap deelnemende vennoten. Is de prestatie deelbaar, dan treedt de aansprakelijkheid van alle vennoten voor een gelijk deel automatisch in. De wederpartij heeft dan de mogelijkheid om de handelende vennoot én diens medevennoten ieder voor een gelijk deel van de totale schade aansprakelijk te stellen uit hoofde van art. 7:813 lid 3 BW, zonder dat de medevennoten zich hieraan nog kunnen onttrekken door aan te tonen dat het intreden van de tekortkoming weliswaar juridisch aan de handelende vennoot en vennootschap is te wijten, maar niet aan hen valt toe te rekenen.

Wanneer de aansprakelijkheid van de vennootschap eenmaal is vastgesteld, zou de handelende vennoot, die de fout heeft veroorzaakt, overigens om die reden als regel al niet meer kunnen aanvoeren dat de tekortkoming hem niet is toe te rekenen. In dat geval zal de tekortkoming hem immers vrijwel steeds zijn toe te rekenen. Maar zelfs als hij zich persoonlijk wel zou kunnen disculperen, zou hem dat niet baten. Mits de stille vennootschap als zodanig aansprakelijk is, zijn alle vennoten ieder voor een gelijk deel verbonden tot betaling van schadevergoeding. Daarnaast houde men er rekening mee dat de handelende vennoot eventueel afzonderlijk op grond van art. 7:404 BW voor de gehele schade hoofdelijk aansprakelijk kan zijn. Noodzakelijk daarvoor is wel dat de opdracht weliswaar door de stille vennootschap is aanvaard, maar door de opdrachtgever is verleend met het oog op de persoon van de handelende vennoot die de opdracht zelf zou uitvoeren. De handelende vennoot is in dat geval hoofdelijk aansprakelijk, onverminderd de aansprakelijkheid van de opdrachtnemer. Dit laatste brengt bij een stille vennootschap met zich mee dat zijn medevennoten ieder slechts voor een gelijk deel gebonden zijn.

Betekent dit nu automatisch dat stille vennoten steeds voor gelijke delen mede aansprakelijk worden voor de beroepsfouten van hun medevennoten? Nee, want de voormelde regeling van art. 7:813 lid 3 BW geldt blijkens de wetsgeschiedenis inzake de invoering van titel 7.13 NBW alleen in geval op grond van de opdracht een deelbare prestatie door de stille vennootschap moet worden verricht. Doorgaans verplicht de opdracht echter niet tot een deelbare prestatie, zodat artikel 7:813 lid 3 BW niet van toepassing is. De gedachte is vervolgens dat deze meer bijzondere bepaling dan de meer algemene bepaling van art. 7:407 lid 2 BW niet terzijde stelt. Beide voorschriften bijten elkaar nu immers niet. Artikel 7:407 lid 2 BW is met andere woorden bij de aanvaarding van een opdracht tot het verrichten van een ondeelbare prestatie door twee of meer personen wél van toepassing, omdat een opdracht aan de vennootschap in wezen is te beschouwen als een opdracht aan de vennoten tezamen. Derhalve is elk der stille vennoten ter zake van tekortkomingen in beginsel voor het geheel aansprakelijk, tenzij de tekortkoming niet aan hem kan worden toegerekend (Parl. Gesch. Titel 7.13 BW, MvA, art. 813). Hierbij wordt ten overvloede opgemerkt dat de tekortkoming in ieder geval is toe te rekenen aan de handelende vennoot die de opdracht feitelijk heeft uitgevoerd. Anders bestaat er immers geen enkele grond voor enige aansprakelijkheid van de vennootschap, zijnde in juridische zin de tot nakoming verplichte partij, en dus evenmin van de daarin samenwerkende vennoten.

Art. 7:407 lid 2 BW kent als sanctie hoofdelijke aansprakelijkheid voor alle vennoten, tenzij één of meer vennoten erin slagen om aan te tonen dat de tekortkoming van hun compagnon niet aan hen is toe te rekenen. Daarmee wijkt dit artikel weer af van de meer algemene regeling in art. 6:6 lid 2 BW, die geldt in geval van pluraliteit van schuldenaars (twee of meer schuldenaars zijn verbonden om één prestatie te verrichten). Volgens art. 6:6 lid 2 BW zijn de schuldenaren van één ondeelbare prestatie ieder hoofdelijk verbonden voor de nakoming ervan, zonder dat aan hen nog een disculpatiemogelijkheid toekomt als de tekortkoming niet aan hen is toe te rekenen in de zin van art. 6:74 en 6:75 BW. Die disculpatiegrond hebben de vennoten die tezamen een opdracht aanvaarden dus wel. Art. 7:407 lid 2 BW gaat als meer bijzondere bepaling voor op art. 6:6 lid 2 BW.

Uit de opmerkingen in de wetsgeschiedenis volgt dat voor de vraag of art. 7:407 lid 2 BW of art. 7:813 lid 3 BW van toepassing is, uitsluitend moet worden gekeken naar de hoofdprestatie waartoe twee of meer schuldenaars zich hebben verbonden. Is deze deelbaar, dan geldt art. 7:813 lid 3 BW: alle vennoten, inclusief de handelende, zijn jegens de wederpartij van de stille vennootschap ieder voor een gelijk deel aansprakelijk, zonder dat zij zich individueel nog kunnen disculperen door te wijzen naar het feit dat de tekortkoming hen niet is toe te rekenen. Is de hoofdprestatie daarentegen ondeelbaar, zoals bij de meeste opdrachten, dan is alleen art. 7:407 lid 2 BW beslissend: alle vennoten zijn hoofdelijk aansprakelijk, zij het dat de individuele medevennoten zich daaraan nu wel kunnen onttrekken door aan te tonen dat de tekortkoming van de handelende vennoot hen niet valt toe te rekenen.

De handelende vennoot is, wanneer art. 7:407 lid 2 BW van toepassing is, hoofdelijk aansprakelijk, omdat hij zich per definitie niet kan beroepen op het feit dat de tekortkoming niet aan hem is toe te rekenen. Zo hij dat immers zou kunnen aantonen, zou de vennootschap op die grond al niet schadeplichtig zijn jegens de wederpartij, met als gevolg dat ook de handelende vennoot en diens medevennoten om die reden al niet hoofdelijk of anderszins aansprakelijk zijn.

De aard van de te betalen schadevergoeding speelt dus geen rol voor de toepasselijkheid van art. 7:407 lid 2 BW of art. 7:813 lid 3 BW, maar alleen de hoofdverbintenis zelf. Een andere opvatting leidt tot een onmogelijk gevolg. Het toerekenbaar niet-nakoming van een prestatie, ongeacht of deze deelbaar of ondeelbaar is, mondt immers altijd uit in een verplichting tot betaling van schadevergoeding in geld. Dit is per definitie een deelbare prestatie. Zou men dan niet naar de hoofdverbintenis behoeven te kijken, maar naar de verbintenis tot betaling van aanvullende of vervangende schadevergoeding, dan zou uiteindelijk altijd art. 7:813 lid 3 BW aan de oppervlakte treden. Dit is niet de bedoeling. Het is met andere woorden niet zo dat de wederpartij, die vanwege een toerekenbare tekortkoming in de nakoming van een ondeelbare prestatie schadevergoeding vordert, kan switchen naar art. 7:813 lid 3 BW om de medevennoten ieder zonder disculpatiemogelijkheid voor een gelijk deel aansprakelijk te kunnen houden.



De openbare vennootschap zonder rechtspersoonlijkheid (OV)

De in Boek 7A geregelde maatschap, voor zover deze onder een gemeenschappelijke naam opereert, en de in het Wetboek van Koophandel omschreven vennootschap onder firma worden in titel 7.13 NBW gevangen onder de noemer van de openbare vennootschap. Titel 7.13 NBW geeft daarmee voor deze twee samenwerkingsverbanden dezelfde regeling. Het verschil tussen een maatschap en vennootschap onder firma is komen te vervallen.

De regeling in titel 7.13 NBW voor de openbare vennootschap zonder rechtspersoonlijkheid stemt overeen met de regeling die in Boek 7A BW en het Wetboek van Koophandel is opgenomen voor de vennootschap onder firma. Kenmerkend is namelijk dat de vennoten in beginsel allen gerechtigd zijn om de openbare vennootschap te vertegenwoordigen, tenzij die bevoegdheid is beperkt of uitgesloten. Een in naam van de openbare vennootschap verrichte rechtshandeling roept een vennootschapsschuld in het leven. Alle deelnemende vennoten zijn daarvoor hoofdelijk verbonden, zonder dat de vennoten onderling de mogelijkheid hebben om iets anders overeen te komen. De vennootschapscrediteur mag zich - bij voorrang op de privé-schuldeisers van de individuele vennoten - verhalen op het afgescheiden vennootschapsvermogen.

Het voormelde betekent wel dat er in de nieuwe regeling veel verandert voor beroepsbeoefenaars die onder de oude regeling onder een gemeenschappelijke samenwerken in een openbare maatschap. Hun samenwerkingsverband wordt in de nieuwe regeling getypeerd als een openbare vennootschap. Dat betekent dat iedere vennoot in beginsel bevoegd is om in naam van de vennootschap rechtshandelingen met derden te verrichten en dat alle vennoten tegenover derden hoofdelijk verbonden zijn voor de in naam van de vennootschap aangegane verbintenissen. Bij de maatschap is dit anders. Hier mag een vennoot in beginsel alleen op grond van een volmacht tot vertegenwoordiging van de andere vennoten overgaan. Het wettelijke uitgangspunt is met andere woorden juist dat er geen algemene bevoegdheid tot vertegenwoordiging van alle vennoten bestaat. En zo een vennoot krachtens volmacht de andere vennoten bevoegdelijk verbindt, is dit geen hoofdelijke verbondenheid. De vennoten worden slechts voor een gelijk deel verbonden, tenzij de prestatie ondeelbaar is. De positie van de vennoten in een maatschap van beroepsbeoefenaars is daarmee vergelijkbaar met die van de vennoten in een stille vennootschap, maar als zij onder een gemeenschappelijke naam aan het rechtsverkeer deelnemen, wordt hun samenwerkingsverband in titel 7.13 NBW toch als openbare vennootschap aangemerkt. Hiermee lijkt de positie van samenwerkende beroepsbeoefenaars in de nieuwe regeling toch te zijn verslechterd ten gunste van de schuldeisers.

Daar staat echter wel een geringe versoepeling tegenover voor zover het gaat om de aansprakelijkheid in geval van een in naam van de openbare vennootschap aanvaarde opdracht. Wanneer twee of meer personen gezamenlijk één opdracht aanvaarden, zijn zij ieder ingevolge art. 7:407 lid 2 BW voor het geheel - dus hoofdelijk - aansprakelijk voor de nakoming ervan, tenzij de tekortkoming niet aan een bepaalde vennoot is toe te rekenen. Maar deze speciale bepaling wordt in eerste instantie terzijde geschoven door de meer bijzondere bepaling van art. 7:813 BW, voor zover de opdracht is aanvaard door een openbare vennootschap. In art. 7:813 lid 1 BW is bepaald dat de vennoten in een openbare vennootschap hoofdelijk verbonden zijn voor de verbintenissen van de vennootschap. Dit is een verzwaring van de aansprakelijkheid zoals die gold krachtens art. 7:407 lid 2 BW, omdat volgens die bepaling de vennoten weliswaar eveneens hoofdelijk aansprakelijk waren voor een tekortkoming van één van hen, maar niet als de fout niet aan henzelf was toe te rekenen.

Deze laatste zinsnede had tot gevolg dat de zo belangrijke aansprakelijkheid van beroepsbeoefenaars voor beroepsfouten, begaan door één van de andere vennoten, kwam te vervallen, aangezien zo'n fout in principe niet als een tekortkoming aan diens medevennoten kan worden toegerekend. Art. 7:813 lid 1 BW zou dit echter terugdraaien. De andere vennoten zouden, ook als de beroepsfout niet aan hen was toe te rekenen, toch allen daarvoor hoofdelijk aansprakelijk zijn. Dit ongewenste gevolg is in het tweede lid van art. 7:813 BW weggenomen. Deze bepaling zegt namelijk dat, indien een openbare vennootschap een opdracht heeft ontvangen, ieder der vennoten voor het geheel - dus hoofdelijk - aansprakelijk is terzake van een tekortkoming in de nakoming, tenzij de tekortkoming niet aan hem is toe te rekenen. Daarmee is bereikt dat de overige vennoten in beginsel niet aansprakelijk zijn voor een beroepsfout van één van hen, tenzij het intreden van de tekortkoming wel aan hen is toe te rekenen, bijvoorbeeld omdat zij te laat hebben ingegrepen of onvoldoende hebben gedaan om te verhinderen dat er inderdaad schade voor de wederpartij van de openbare vennootschap zou ontstaan. Zie het onderstaande citaat uit de wetsgeschiedenis bij invoering van titel 7.13 BW.

'In de door de leden geschetste casus waarin een vennoot een opdracht aanneemt namens een openbare vennootschap, welke onder zijn supervisie wordt uitgevoerd zonder enige betrokkenheid van de andere vennoten, geldt het volgende. Wordt bij de uitvoering van de opdracht een fout gemaakt, dan geldt artikel 813 lid 2. Indien de overige vennoten aantonen dat die fout hun niet kan worden toegerekend in de zin van art. 6:75 BW, zijn zij voor de ontstane schade niet mede hoofdelijk aansprakelijk. Daarvoor behoeft niet steeds voldoende te zijn dat zij met de uitvoering van de opdracht geen betrokkenheid hadden; onder omstandigheden kan ook van belang zijn of de overige vennoten hadden moeten ingrijpen' (Parl. Gesch. Titel 7.13 BW, MvA art. 7:813).



De commanditaire vennootschap zonder rechtspersoonlijkheid (CV)

De commanditaire vennootschap zonder rechtspersoonlijkheid van titel 7.13 NBW is in grote lijnen dezelfde als die van Boek 7A BW en het Wetboek van Koophandel. Wel wordt er niet meer gesproken van beherende vennoten, maar van gewone vennoten.

Uitsluitend de gewone vennoten zijn gerechtigd om in naam van de commanditaire vennootschap te handelen, zij het dat hun bevoegdheid daartoe op iedere manier kan worden beperkt of uitgesloten. De gewone vennoten van de commanditaire vennootschap zijn hoofdelijk verbonden voor de verbintenissen van de vennootschap. De commanditaire vennoten zijn op grond van de wet bij voorbaat volledig uitgesloten van de bevoegdheid om rechtshandelingen te verrichten namens of voor rekening van de vennootschap. Dit mag evenmin krachtens een volmacht geschieden. De commanditaire vennoten worden aan de andere kant echter niet verbonden voor de verbintenissen van de vennootschap.

Handelt een commanditaire vennoot toch - al dan niet krachtens volmacht - in naam van de vennootschap of oefent hij door zijn handelen een beslissende invloed uit op het optreden door de besturende vennoten namens de vennootschap, dan is hij tegenover derden hoofdelijk verbonden voor de verbintenissen der vennootschap die ten tijde van zijn handelen of daarna zijn ontstaan, tenzij zijn handelen deze verbondenheid niet of niet ten volle rechtvaardigt (art. 7:837 lid 2 BW). Hier is ten opzichte van de oude regeling dus enige nuancering aangebracht. Enerzijds wordt de commanditaire vennoot niet alleen hoofdelijk aansprakelijk als hij toch namens de commanditaire vennootschap heeft gehandeld, maar óók als hij de commanditaire vennootschap feitelijk bestuurt of op het bestuur een overheersende invloed uitoefent. Dit laatste is een uitbreiding ten opzichte van de oude regeling. Daar staat echter tegenover dat de strikte toepassing van de sanctie voor de commanditaire vennoot van hoofdelijkheid voor alle bestaande vennootschapsschulden in de nieuwe regeling is losgelaten. Dit is weliswaar het uitgangspunt, maar de redelijkheid en billijkheid kan de hoofdelijke verbondenheid geheel of ten dele opheffen.

Is de naam van de commanditaire vennoot in de naam van de vennootschap opgenomen, dan is de commanditaire vennoot eveneens hoofdelijk verbonden voor de verbintenissen der vennootschap, zij het nu alleen voor die welke zijn ontstaan terwijl de vennootschap deze naam voert. Dit geldt niet indien een vennoot wiens naam in die der vennootschap voorkomt, commanditaire vennoot wordt (art. 7:837 lid 3 BW).

De schulden die voortvloeien uit in naam van de commanditaire vennootschap verrichte rechtshandelingen, zijn vennootschapsschulden. De wederpartij met een dergelijke vordering kan deze - bij voorrang op de privé-schuldeisers van de individuele vennoten - verhalen op het afgescheiden vennootschapsvermogen. Mocht haar vordering niet volledig hieruit kunnen worden voldaan, dan mag zij voor het restant verhaal zoeken op het eigen vermogen van de gewone vennoten, die immers hoofdelijk verbonden zijn. De commanditaire vennoten staan aan een dergelijk gevaar vanzelfsprekend niet bloot.



De openbare vennootschap met rechtspersoonlijkheid (OVR)

De wet erkent een notarieel vastgelegde openbare vennootschap als een rechtspersoon die, voor wat het vermogensrecht betreft, gelijkstaat met een natuurlijke persoon en met andere rechtspersonen, zoals een vereniging, besloten vennootschap of stichting (art. 7:802 lid 2 jo. art. 2:5 BW). De openbare vennootschap met rechtspersoonlijkheid (OVR) neemt daardoor als zelfstandig rechtssubject aan het rechtsverkeer deel. Zij is zelf direct aansprakelijk voor de in haar naam aangegane vennootschapsschulden. Zij is tevens zelf de rechthebbende op het ingebrachte vennootschapsvermogen. Dat vermogen behoort alleen aan haar toe. De vennoten hebben er niet direct een goederenrechtelijk aandeel in. Wel hebben zij een bepaald vermogensrechtelijk belang in de OVR. Dit belang is echter géén goederenrechtelijk aandeel in het vennootschapsvermogen zelf, maar een door de wet en vooral de vennootschapsovereenkomst nader bepaald verbintenisrechtelijk belang in de openbare vennootschap als rechtspersoon. Dit belang wordt een 'aandeel' genoemd. Het gaat daarbij wel om een aandeel in de openbare vennootschap als zodanig en dus niet om een rechtstreeks goederenrechtelijk aandeel in haar vermogen. De inhoud en omvang van het aandeel in de OVR is geregeld in de notariële vennootschapsovereenkomst.

Het aandeel van een vennoot in een openbare vennootschap lijkt wel enigszins op een aandeel in een naamloze of besloten vennootschap. Een aandeelhouder in een naamloze of besloten vennootschap is geen rechthebbende op het vermogen van de rechtspersoon. Dat is immers de rechtspersoon zelf. De wet bepaalt in Boek 2 BW wat de inhoud van een aandeel in een NV of BV is. Zo'n aandeel bevat telkens een stemrecht en een aanspraak op het kapitaal van de NV of BV. In de statuten van de NV of BV is nader uitgewerkt welke aandelen er zijn en wat hun nominale waarde is. Het stemrecht geeft de aandeelhouder de bevoegdheid om in de algemene vergadering van aandeelhouders een stem uit te brengen bij de besluitvorming. De aanspraak op kapitaal houdt in dat, wanneer de rechtspersoon heeft besloten om tot uitkering van de winst of reserves over te gaan, deze naar rato van de nominale waarde van het aandeel aan de aandeelhouder wordt uitgekeerd. De ontvangen winstuitkering valt in het eigen vermogen van de aandeelhouder. Bij ontbinding van de NV of BV wordt een eventueel resterend liquidatiesaldo op dezelfde wijze over de aandelen verdeeld.

Een aandeel van een vennoot in een OVR vertoont dezelfde kenmerken. Ook het OVR-aandeel van een vennoot verleent géén onmiddellijk goederenrechtelijk recht op het vennootschapsvermogen, maar bevat een stemrecht en een aanspraak op het kapitaal die pas tot uitdrukking komt nadat de OVR heeft besloten tot uitkering van de winst over te gaan of na de ontbinding en liquidatie van de openbare vennootschap. De inhoud van het aandeel wordt echter niet bepaald door Boek 2 BW en de statuten van de rechtspersoon, maar door titel 7.13 BW en vooral de notariële vennootschapsovereenkomst. De bevoegdheden van een vennoot, zoals neergelegd in de vennootschapsovereenkomst, zijn daardoor van geheel andere aard dan die van een aandeelhouder in een NV of BV. Iedere vennoot heeft in principe één aandeel in de OVR. Het OVR-aandeel kan niet worden losgekoppeld van de hoedanigheid van vennoot. Een vennoot in een OVR is in beginsel tevens altijd bestuurder van deze rechtspersoon en bevoegd om de OVR in en buiten rechte te vertegenwoordigen. Het aandelenkapitaal in een NV of BV is over meerdere aandelen verdeeld. Eén aandeelhouder kan méér aandelen bezitten en zelfs alle aandelen in de NV of BV in handen hebben. Een aandeelhouder is niet bevoegd om de NV of BV te besturen of haar te vertegenwoordigen. Dat kan hij alleen als hij officieel tevens tot bestuurder van de NV of BV is benoemd. De aandelen in een NV of BV worden bij notariële akte overgedragen of, bij aandelen aan toonder, door afgifte van het aandelenpapier. Een OVR-aandeel kan eveneens worden overgedragen, maar dit vertoont meer verwantschap met een contractsovername, waarbij de nieuwe vennoot de contractspositie van de uitgetreden vennoot binnen de vennootschapsovereenkomst voortzet. Voor zo'n overdracht is steeds de instemming van alle vennoten vereist.

Dat de openbare vennootschap met rechtspersoonlijkheid zelf rechthebbende is op het ingebrachte vennootschapsvermogen, brengt met zich mee dat deze vennootschapsvorm géén afgescheiden vermogen kent. Van een 'afgescheiden vermogen' is immers sprake als de wet binnen het civielrechtelijke vermogen van één persoon een splitsing aanbrengt tussen enerzijds vermogen dat in het bijzonder is bestemd voor het verhaal van de vorderingen van bepaalde schuldeisers en anderzijds het overige vermogen van die persoon, waarop al zijn schuldeiser zich mogen verhalen. Bij de gewone openbare vennootschap is zo'n splitsing bijvoorbeeld wel gemaakt. De wet erkent daar weliswaar het bestaan van een vennootschapsgemeenschap, maar nu de gewone openbare vennootschap geen rechtspersoon is, behoort dat vermogen toe aan de vennoten gezamenlijk. Die vennoten hebben daarin ieder een goederenrechtelijk aandeel. Het vennootschapsvermogen behoort met andere woorden aan hen toe. Het goederenrechtelijke aandeel vormt een onderdeel van het eigen vermogen van de vennoten. Dit goederenrechtelijke aandeel is evenwel ten behoeve van de verhaalspositie van de vennootschapscrediteuren afgezonderd van het overige vermogen, en wel doordat de wet uitdrukkelijk bepaalt dat de vennootschapscrediteuren zich bij voorrang mogen verhalen op de vennootschapsgemeenschap, dus in wezen op alle goederenrechtelijke aandelen van de deelnemende vennoten in de vennootschapsgemeenschap. Er is een afzonderlijke wettelijke bepaling voor nodig geweest om dit gevolg te bewerkstelligen, omdat binnen het privaatrecht een persoon maar één vermogen heeft. Maar zo'n wettelijke bepaling is niet nodig als de openbare vennootschap reeds uit zichzelf rechtspersoonlijkheid bezit. Want dan wordt die splitsing daadwerkelijk aangebracht bij inbreng van de goederen in de OVR. Die splitsing vloeit bij een in een notariële akte vastgelegde openbare vennootschap met andere woorden direct voort uit het feit dat deze vennootschap een rechtspersoon is, dus een rechtssubject met een eigen vermogen. Reeds daardoor is het vennootschapsvermogen, dat in de OVR is ingebracht, in civielrechtelijke zin afgezonderd van het eigen vermogen van de deelnemende vennoten. Het behoort gewoon aan een andere persoon toe en vormt uitsluitend diens vermogen.

Doordat de OVR zelf als rechtspersoon aansprakelijk is voor de in haar naam verrichte rechtshandelingen, kunnen háár schuldeisers zich meteen - als enigen - verhalen op dat vennootschapsvermogen. De schuldeisers van de individuele vennoten zijn niet gerechtigd om zich te verhalen op het vermogen van de OVR, omdat zij met die rechtspersoon niets van doen hebben. Zij hebben immers alleen een vordering op één van de vennoten zelf, niet op de rechtspersoon, met wie zij niet hebben gehandeld. Pas als er na uitwinning van het eigen vermogen van de OVR door haar eigen schuldeisers (de vennootschapscrediteuren) nog iets van dat vermogen resteert, kan dit ter beschikking komen van de individuele vennoten. Vereist daarvoor is dat de OVR wordt ontbonden en haar nog aanwezige vermogen wordt verdeeld over de individuele vennoten. De openbare vennootschap bestaat alsdan als rechtspersoon niet meer, althans zij is in haar eindfase aanbeland. Zodra de nog aanwezige goederen van de ontbonden rechtspersoon door overdracht in het eigen vermogen van de verschillende vennoten zijn gevloeid, kunnen diens eigen schuldeisers zich daarop verhalen. Hetzelfde geldt natuurlijk voor de winstuitkeringen die in de loop van het bestaan van de OVR aan de vennoten worden toegekend. Na ontvangst van de winstuitkering, bijvoorbeeld op de eigen bankrekening, behoort deze tot het eigen vermogen van de vennoot in kwestie. Alsdan kunnen de eigen schuldeisers van die vennoot zich uiteraard wel daarop verhalen, bijvoorbeeld door beslag te leggen op de bankrekening van de vennoot.

De situatie is weer enigszins vergelijkbaar met die bij een besloten vennootschap, waar immers het zogenaamde liquidatiesaldo na ontbinding van deze rechtspersoon eveneens ten goede komt aan de aandeelhouders en dan in hun eigen vermogen wordt opgenomen en waar de dividenduitkeringen van de BV worden opgenomen in het eigen vermogen van de aandeelhouder.

De bijzondere positie van een vennoot brengt met zich mee dat hij - naast de OVR - hoofdelijk aansprakelijk is voor alle vennootschapsschulden. Mocht het vermogen van de OVR zelf niet toereikend zijn om daarmee alle vennootschapscrediteuren te voldoen, dan kunnen die steeds verhaal zoeken op het eigen vermogen van de deelnemende vennoten. De totale restantschuld kan daarbij volledig aan één vennoot in rekening worden gebracht, aangezien er sprake is van hoofdelijke verbondenheid. Bij dit verhaal op het eigen vermogen van de vennoten nemen de vennootschapscrediteuren géén voorrangspositie in ten opzichte van de eigen schuldeisers van die individuele vennoot. Zo het eigen vermogen van een vennoot onvoldoende mocht zijn om daaruit al zijn schuldeisers - zowel de vennootschapscrediteuren als de eigen schuldeisers - te voldoen, delen de vennootschapscrediteuren naar rato van de omvang van hun restantvordering gelijk op met de eigen schuldeisers van die vennoot. Wel geldt ook hier dat zij de volledige restantschuld bij iedere afzonderlijke vennoot mogen indienen en daardoor feitelijk toch een betere verhaalspositie innemen.

Hier wijkt de OVR in belangrijke mate af van de besloten vennootschap. De bestuurders en aandeelhouders van een besloten vennootschap zijn immers juist niet aansprakelijk voor de schulden van de BV. Zo alle schulden van de BV niet door haarzelf kunnen worden nagekomen, blijven haar schuldeisers met een oninbare vordering achter. Die kunnen zij niet dan alsnog ten laste brengen van het eigen vermogen van de bestuurders of aandeelhouders van de BV. Slechts in uitzonderingssituaties van wanbeleid, onbehoorlijk bestuur of een onrechtmatige daad van een bestuurder is dit anders.

Als rechtspersoon neemt de openbare vennootschap met rechtspersoonlijkheid zelfstandig deel aan het verkeer. De rechtshandelingen worden dan ook in haar eigen naam aangegaan. Wel heeft zij, evenals bijvoorbeeld een vereniging of besloten vennootschap, steeds de hulp nodig van één of meer natuurlijke personen, die namens haar optreden. In beginsel zijn alle deelnemende vennoten gerechtigd om als bestuurder van de OVR namens deze rechtspersoon met derden te handelen. Verschil met bijvoorbeeld een besloten vennootschap is wel dat de vertegenwoordigingsbevoegdheid van de vennoten op allerlei manieren kan worden beperkt of uitgesloten en dat deze inperkingen na inschrijving in het handelsregister aan derden kunnen worden tegengeworpen. Een ander verschil is natuurlijk dat de bevoegdelijk door een vennoot in naam van de OVR aangegane verbintenissen niet alleen de rechtspersoon, maar ook de deelnemende vennoten hoofdelijk verbinden.



De commanditaire vennootschap met rechtspersoonlijkheid (CVR)

Voor een in een notariële akte vastgelegde commanditaire vennootschap (CVR) geldt in principe hetzelfde als voor de openbare vennootschap met rechtspersoonlijkheid. Wel dient bedacht te worden dat dit alleen kan worden gezegd voor de 'gewone vennoten' binnen de CVR. De commanditaire vennoten nemen uit hun aard steeds een afwijkende positie in, die met zich meebrengt dat zij de CVR niet mogen vertegenwoordigen en niet aansprakelijk zijn voor de in naam van de commanditaire vennootschap tot stand gebrachte rechtshandelingen. Maar wel hebben de commanditaire vennoten, evenals de gewone vennoten, slechts een aandeel in de CVR zelf, en dus geen direct goederenrechtelijk aandeel in haar vermogen. Dat vermogen behoort aan de CVR zelf toe. Een afgescheiden vermogen ontbreekt derhalve ook hier.

De CVR verricht in eigen naam rechtshandelingen, waarvan de gevolgen direct aan haar worden toegerekend. Alleen de gewone vennoten mogen namens de CVR optreden. De commanditaire vennoten is dat uitdrukkelijk verboden. De vertegenwoordigingsbevoegdheid van de gewone vennoten kan in de notarieel vastgelegde vennootschapsovereenkomst op allerlei manieren met externe werking worden beperkt of uitgesloten. Alleen de gewone vennoten zijn - naast de CVR - hoofdelijk verbonden voor alle in naam van de commanditaire vennootschap aangegane verbintenissen. Zo het vermogen van de CVR niet voldoende is om daaruit al haar schulden te betalen, mogen de schuldeisers van de CVR (de vennootschapscrediteuren) zich verhalen op het eigen vermogen van de gewone vennoten. In geen geval kunnen de commanditaire vennoten voor de vennootschapsschulden worden aangesproken. Wel kunnen zij indirect de nadelige gevolgen ondervinden als het vennootschapsvermogen geheel of ten dele wordt uitgewonnen, zodat er minder of niets resteert om na het einde van de CVR aan de gewone en commanditaire vennoten uit te keren.

De positie van de commanditaire vennoten lijkt nog meer dan die van de gewone vennoten op die van een aandeelhouder in een NV of BV. Evenmin als een aandeelhouder is de commanditaire vennoot bevoegd om de CVR te besturen en te vertegenwoordigen. In tegenstelling tot een aandeelhouder mag hij zelfs niet tot bestuurder worden benoemd of krachtens volmacht in naam van de commanditaire vennootschap handelen. En evenmin als de aandeelhouder in een NV of BV is de commanditaire vennoot in een CVR aansprakelijk voor de vennootschapsschulden. Evenals de aandeelhouder kan hij slechts de waarde van zijn aandeel verliezen, namelijk als het vermogen van de rechtspersoon volledig wordt uitgewonnen ter voldoening van de vennootschapsschulden. In geen geval behoeft de commanditaire vennoot de reeds ontvangen winstuitkeringen terug te storten in de CVR. Ook een aandeelhouder in een NV of BV is daartoe niet verplicht. Dit geldt natuurlijk niet als de winstuitkering op ongeoorloofde wijze de verhaalspositie van de schuldeisers van de rechtspersoon heeft benadeeld (actio pauliana) of anderszins tegenover hen onrechtmatig is. Alsdan is zowel de commanditaire vennoot als de aandeelhouder in een BV gehouden om de ten onrechte ontvangen bedragen weer aan de rechtspersoon terug te betalen.