Personenvennootschap




Interne verhouding tussen de vennoten onderling

Een personenvennootschap is een obligatoire overeenkomst, waarbij twee of meer partijen afspreken om op de voet van gelijkheid gezamenlijk hun beroep of bedrijf uit te oefenen. De partijen die aan zo'n samenwerkingsverband deelnemen, worden vennoten (of bij een maatschap ook wel maten) genoemd. Niet alleen natuurlijke personen, maar ook rechtspersonen kunnen als 'vennoot' aan de vennootschap deelnemen. Het is tevens mogelijk dat (verschillende) natuurlijke personen en (verschillende) rechtspersonen met elkaar een personenvennootschap aangaan.

Ons recht kent drie verschillende vennootschapsvormen zonder rechtspersoonlijkheid:

  • de maatschap;
  • de vennootschap onder firma;
  • de commanditaire vennootschap

De onderscheiding van deze rechtsvormen vindt hoofdzakelijk plaats aan de hand van de vraag of de vennoten gezamenlijk een beroep of bedrijf uitoefenen. Is er sprake van een beroepsuitoefening, dan typeert de wet het samenwerkingsverband als een maatschap. Indien de vennoten door samenwerking een bedrijf uitoefenen, gaat steeds om een vennootschap onder firma of, wanneer daaraan een of meer stille vennoten deelnemen, een commanditaire vennootschap.

De wettelijke regels voor personenvennootschappen zijn opgenomen in het Burgerlijk Wetboek en het Wetboek van Koophandel. De regels in titel 7A.9 BW zijn in eerste instantie geschreven voor de maatschap. Zij gelden evenwel ook voor de vennootschap onder firma en de commanditaire vennootschap, voorzover het Wetboek van Koophandel hiervoor géén afwijkende regeling kent.

Dit betekent in concreto dat ten aanzien van de onderlinge verhouding tussen de vennoten (interne verhouding) voor alle personenvennootschappen precies dezelfde regels van toepassing zijn, namelijk die ter zake van de maatschap, zoals neergelegd in art. 7A:1661 tot en met 7A:1678 BW. Die interne regels zullen dan ook voor de drie personenvennootschappen gelijktijdig worden besproken.

Voor de verhouding van de verschillende personenvennootschappen ten aanzien van derden, dus voor de mate waarin de vennoten bevoegd zijn om de andere vennoten aan rechtshandelingen te binden en in hoeverre de vennoten voor dergelijke rechtshandelingen door derden aansprakelijk kunnen worden gesteld, gelden steeds afzonderlijke regels. De externe verhouding van de maatschap tot derden is geregeld in art. 7A:1679 tot en met 7A:1682 BW. De externe verhouding van de vennootschap onder firma en de commanditaire vennootschap tot derden is geregeld in art. 15 tot en met 29 WvK. Die externe verhoudingen worden voor de drie personenvennootschappen telkens apart besproken.

Tot slot geeft de wet een algemene regeling voor de wijze waarop personenvennootschappen eindigen. Deze regeling, die dus zowel voor de maatschap als voor de vennootschap onder firma en commanditaire vennootschap geldt, vindt men in art. 7A:1683 tot en met 7A:1688 BW.

De ontbinding en verdeling van het gemeenschappelijk vennootschapsvermogen is onderworpen aan de algemene regels van titel 3.7 BW voor de 'Gemeenschap'. Daarbij moet vooral rekening worden gehouden met de bepalingen uit afd. 3.7.2 BW (art. 3:189 tot en met 3:194 BW). De voorschriften in afd. 3.7.1 (art. 3:166 tot en met 3:188 BW) en afd. 3.7.3 (art. 3:195 tot en met 3:200 BW) hebben alleen betekenis voorzover de bijzondere regels van afd. 3.7.2 BW geen regeling voor een bepaald onderwerp bevatten.



Aanvang van de personenvennootschap

Een personenvennootschap is geen persoon in de zin van het recht, maar een overeenkomst waarin twee of meer personen hebben afgesproken om onderling onder een gemeenschappelijke naam samen te werken bij de uitoefening van een beroep of bedrijf. De vennootschapsovereenkomst is dus in wezen niet meer dan een bijzonder soort overeenkomst, te vergelijken met een huur- of arbeidscontract. Laatstgenoemde overeenkomsten regelen de verhouding tussen de verhuurder en huurder (alsook eventuele onderhuurders) respectievelijk tussen de werkgever en een werknemer. De wet geeft daarvoor tevens een groot aantal regels, die gedeeltelijk van aanvullend, maar voor een groot deel ook van dwingend recht zijn.

Bij een vennootschapsovereenkomst is het niet anders. Door het sluiten van deze overeenkomst geven de deelnemende partijen te kennen dat zij gezamenlijk, door middel van samenwerking onder een gemeenschappelijke naam, een beroep of bedrijf uitoefenen met als oogmerk daarmee winst te behalen. Die partijen noemt men vennoten. Om die reden gaan zij met elkaar de vennootschapsovereenkomst aan. In die overeenkomst worden hun onderlinge rechten en plichten voor een groot deel geregeld. Voorzover de overeenkomst daarin niet voorziet, kan worden teruggevallen op de algemene wetsbepalingen (van hoofdzakelijk aanvullend recht) die de interne verhouding tussen de vennoten regelen. De wet geeft ook regels voor de verhouding van de personenvennootschap, dus van de aan de vennootschapsovereenkomst deelnemende partijen, ten opzichte van derden. Die wetsbepalingen zijn grotendeels van dwingend recht, zodat daarvan maar ten dele in de vennootschapsovereenkomst van kan worden afgeweken.

Een personenvennootschap vangt aan vanaf het moment dat er sprake is van een bindende vennootschapsovereenkomst tussen partijen (art. 7A:1661 BW). Niet beslissend is dus dat de vennoten iets in gemeenschap hebben gebracht, maar uitsluitend of zij de verplichting daartoe contractueel op zich hebben genomen.

Of een vennootschapsovereenkomst - dus een personenvennootschap - tot stand is gekomen, moet worden beoordeeld aan de hand van de gewone daarvoor geldende regels van het contracten- en verbintenissenrecht. Dit heeft tot gevolg dat de vennootschapsovereenkomst mondeling door partijen kan worden gesloten. Er is voor het ontstaan van de vennootschapsovereenkomst - dus van de personenvennootschap als zodanig - geen akte of een andere vorm vereist. Daardoor kan het bestaan van de vennootschapsovereenkomst soms ook stilzwijgend uit de omstandigheden worden afgeleid. Ook als partijen hieromtrent niets met elkaar hebben afgesproken, noch mondeling, noch schriftelijk, kan uit de feitelijke situatie - zoals uit de wijze waarop zij samenwerken en de zaken regelen - volgen dat zij gezamenlijk een maatschap, vennootschap onder firma of commanditaire vennootschap uitoefenen. Een vennoot kan, door aan te tonen dat hij tezamen met een andere persoon op een bepaalde wijze een beroep of bedrijf uitoefent, op iedere manier het bestaan van een personenvennootschap tussen hen aantonen. Dit is van belang, omdat de wet bepaalde rechtsgevolgen aan een dergelijk samenwerkingsverband vastknoopt, ongeacht of partijen zelf bewust waren dat zij samenwerkten in de vorm van een personenvennootschap. Een aantal van die bepalingen zijn van dwingend recht, zodat partijen daarvan niet af kunnen wijken. Bovendien zal er in de hier bedoelde situatie meestal niets op papier staan of anderszins zijn geregeld, waardoor ook de aanvullende wetsbepalingen voor personenvennootschappen (vooral ten aanzien van de interne verhoudingen) betekenis krijgen. Een partij kan de andere partij bijvoorbeeld ter invulling van hun onderlinge verhouding aan die aanvullende regels houden totdat zij tezamen - dus met wederzijds goedvinden - daarvoor andere afspraken in de plaats hebben gesteld.

Een vennoot kan zodoende op iedere denkbare wijze aantonen dat de wijze waarop hij met een ander samenwerkt, heeft geleid tot het ontstaan van een bepaalde personenvennootschap. Niettemin bevat art. 22 WvK voor de vennootschap onder firma (inclusief de commanditaire vennoten met twee of meer beherende vennoten) wel een vormvereiste. Daaruit zou de indruk kunnen ontstaan dat een rechtsgeldige oprichting van zo'n vennootschap slechts kan geschieden bij akte. Maar gezien de woorden 'zonder dat het gemis ener akte aan derden kan worden tegengeworpen' is duidelijk dat het hier slechts om een bewijsregel gaat en geen constitutief vormvereiste voor het ontstaan van de vennootschap zelf. Art. 22 WvK zou dus slechts inhouden dat de vennoten onderling het bestaan van een hier bedoelde vennootschap slechts kunnen aantonen door middel van een onderhandse (contract) of notariële akte. Maar ook dit is later door de Hoge Raad genuanceerd. Het bestaan van zo'n vennootschap kan namelijk ook op andere manieren worden bewezen. Indien tussen partijen een aantal jaren feitelijk een vennootschap onder firma bestaat, kan één van hen zich hieraan niet onttrekken door slechts te wijzen op het ontbreken van een akte.

Derden kunnen eveneens op iedere denkbare wijzen aantonen dat partijen samenwerken in de vorm van een personenvennootschap. Dit kan voor hen bijvoorbeeld zinvol zijn als zij niet alleen de partij met wie zij hebben gehandeld, maar ook diens wederpartij in het samenwerkingsverband, (hoofdelijk) aansprakelijk wil stellen voor de vennootschapsschuld.

Overigens wordt er in de meeste gevallen wel een vennootschapsakte tussen de deelnemende vennoten opgemaakt. Dit verdient ook ten zeerste aanbeveling. In die akte kan dan uiteraard een bepaald moment worden genoemd waarop partijen voor gemeenschappelijke rekening een beroep of bedrijf uitoefenen, dus waarop de personenvennootschap zal ontstaan (art. 7A:1661 BW). Het moment van ondertekening van de akte (of het tot stand komen van de mondelinge overeenkomst) behoeft dus niet samen te vallen met het moment waarop de personenvennootschap daadwerkelijk is opgericht. Dit laatste kan namelijk ook een bepaalde datum in de toekomst zijn. Het is ook mogelijk om met terugwerkende kracht een personenvennootschap overeen te komen, bijvoorbeeld door in maart van enig jaar af te spreken van de winsten vanaf het begin van het kalenderjaar voor gemeenschappelijke rekening en risico komen. Het spreekt voor zich dat op die manier niet met terugwerkende kracht de belangen van derden kunnen worden geschaad. Tevens zal de belastingdienst in beginsel niet aanvaarden dat bijvoorbeeld de twee vennoten geacht moeten worden met terugwerkende kracht vanaf het begin van het jaar een personenvennootschap te hebben gedreven. In de praktijk lost men dit probleem op door bijvoorbeeld in maart een vennootschapsakte op te maken, waarin partijen aangeven dat zij met ingang van 1 januari van dat jaar voor gezamenlijke rekening en risico een personenvennootschap drijven. Maar wederom geldt dat daarmee reeds ingetreden gevolgen (bijvoorbeeld op naam van één der partijen ingediende kwartaalaangifte BTW) niet met terugwerkende kracht ongedaan kunnen worden gemaakt.



Duur van de samenwerking

De personenvennootschap kan voor bepaalde of onbepaalde tijd zijn aangegaan. Onder een personenvennootschap voor bepaalde tijd verstaat men uitsluitend de vennootschap waarvan het begin en het einde nauwkeurig op een bepaalde datum is vastgesteld (bij. 'de maatschap eindigt op 31 december 2010'). Alle andere vennootschapsvormen zijn volgens de wet vennootschapsovereenkomsten voor onbepaalde tijd. Géén vennootschap voor bepaalde tijd is derhalve de maatschap die voor het leven of ter verwezenlijking van een bepaald project of doel is aangegaan, hoewel deze uit haar aard wel tijdelijk is, zij het dat men niet precies weet op welk moment zij eindigt.

Het belang van het onderscheid tussen vennootschapsovereenkomsten voor bepaalde en onbepaalde tijd ligt in art. 7A:1686 lid 2 BW: een personenvennootschap voor bepaalde tijd aangegaan, kan tussentijds niet worden opgezegd, tenzij dit is bedongen. Hebben partijen bij voorbaat vastgesteld wanneer de personenvennootschap zal eindigen of zal worden ontbonden, dan hebben zij klaarblijkelijk de bedoeling gehad een voortijdige beëindiging van de vennootschap door opzegging uit te sluiten. Mochten zij niet anders hebben bepaald, dan kan de vennootschap in dat geval dus alleen op een andere manier dan door een opzegging worden ontbonden (zie hierna). Is de personenvennootschap voor onbepaalde tijd aangegaan, dan zijn partijen steeds gerechtigd haar tussentijds door opzegging te ontbinden, tenzij hieromtrent andere afspraken zijn gemaakt. De benadering is in dat geval dus juist omgekeerd.

Het kan om verschillende redenen zinvol zijn de duur van de samenwerking te beperken. Veelal wenst men eerst via een zogenaamde kennismakingsperiode te bezien of het tussen de betrokken vennoten wel 'klikt'. Na deze proefperiode volgt dan de beslissing of men samengaat of niet of dat men de samenwerking wellicht in een afwijkende vorm moet voortzetten. Een tijdelijk vennootschapscontract kan daarnaast wenselijk zijn wanneer men de samenwerking slechts aangaat vanwege het verrichten van een bepaald werk of het bereiken van een bepaald doel. Heeft de personenvennootschap een bepaalde handeling tot doel, bijvoorbeeld het starten van een nieuw kantoor in een bepaalde plaats, maar hebben partijen toch een termijn vastgelegd, dan heeft men te doen met een vennootschap voor bepaalde (maximum) tijd. Voorts is een personenvennootschap voor bepaalde tijd zinvol, wanneer men juist gedurende een op voorhand vastgestelde periode zekerheid wil verkrijgen dat de samenwerking zal worden voortgezet, bijvoorbeeld omdat men gedurende die tijd zelf nog niet over voldoende ervaring of middelen beschikt. In dat geval zal een tussentijdse opzegging zijn uitgesloten, hetgeen meestal uitdrukkelijk in het contract zal worden vermeld.

De personenvennootschap die voor een bepaalde tijd is aangegaan, wordt ontbonden door het verloop van de bedongen tijd (art. 7A:1683 sub 1 BW). Wanneer de vennootschap is aangegaan voor een bepaalde, in concreto omschreven handeling, wordt zij ontbonden zodra deze handeling is volbracht (art. 7A:1683 sub 2 BW). Beide voorschriften zijn van regelend recht. De vennoten kunnen de personenvennootschap bij het intreden van één van de hier bedoelde ontbindingsgronden dus uitdrukkelijk en zelfs stilzwijgend voortzetten. Uit het feit dat de vennoten het samenwerkingsverband na het intreden van de hier genoemde ontbindingsgronden gewoon handhaven, mag in beginsel zelfs worden afgeleid dat zij stilzwijgend overeenstemming hebben bereikt over de verlenging van de vennootschap. In principe wordt de voortgezette personenvennootschap daarbij beschouwd als een vennootschap voor onbepaalde tijd.



Inbreng in gemeenschap

Kenmerkend voor een personenvennootschap is dat de deelnemende vennoten allemaal iets in gemeenschap brengen (art. 7a:1655 BW). De inbreng van de vennoot kan bestaan uit geld, goederen, genot op goederen en arbeid (7a:1662 lid 1 BW). Het vennootschapsvermogen dat daaruit ontstaat, wordt beschouwd als een samenstel van onderling samenhangende verbintenissen, waarbij de relaties tussen de vennoten worden beheerst door de bijzondere bepalingen van het vennootschapsrecht (BW en WvK), het verbintenissenrecht van Boek 6, het overeenkomstenrecht van titel 3.2 en 6.5 en de redelijkheid en billijkheid. Het ingebrachte vennootschapsvermogen, waarover art. 7A:1655 BW spreekt, is geen gemeenschappelijk vermogen, maar een samenstel van onderlinge contractuele afspraken. 'Inbrengen' betekent hier dus niet 'tot gemeenschappelijk eigendom maken', maar 'ter beschikking stellen van de vennootschap ter bereiking van het gemeenschappelijke doel'. Zo kan een vennoot bepalen dat hij het genot van zijn kantoor inbrengt, in die zin dat dit voor het vennootschapsdoel mag worden gebruikt, terwijl de andere vennoot verplicht is om zijn arbeid in te brengen. Er is dan weliswaar iets in gemeenschap gebracht als bedoeld in art. 7A:1655 BW, zodat er sprake is van een personenvennootschap, maar er is nog geen gemeenschappelijke eigendom.

In de praktijk ontstaat er echter nagenoeg steeds ook vennootschapsvermogen dat aan de vennoten gezamenlijk in eigendom toebehoort. Wanneer namens de personenvennootschap een bankrekening wordt geopend, waarop de vennoten het door hen in te brengen geld storten of waarop de gelden, verdiend tijdens de uitoefening van het gemeenschappelijk beroep of bedrijf, worden ontvangen, is er immers al gemeenschappelijke 'eigendom' als bedoeld in art. 3:166 BW. De vennoten zijn ieder voor een bepaald deel mede-rechthebbende op dit gemeenschappelijke goed. Hetzelfde geldt als er andere goederen worden ingebracht, bijvoorbeeld als er van de gemeenschappelijke gelden inventaris, machines of voorraden worden gekocht of als één der vennoten zijn bedrijfspand inbrengt door het op naam van alle deelnemende vennoten in de openbare registers in te schrijven. Deze goederengemeenschap is aan eigen regels onderworpen, die voornamelijk in de rechtsliteratuur en jurisprudentie zijn ontwikkeld, met als uitgangspunt het bijzondere karakter van de vennootschap (samenwerkingsverband tussen gelijkwaardige partijen). Na de ontbinding van de vennootschap wordt de goederengemeenschap beheerst door de speciaal daarvoor geschreven regels van titel 3.7 ('Gemeenschap'). De bepalingen terzake van de goederengemeenschap zijn grotendeels van regelend recht, zodat de vennoten er ook een eigen regeling voor in de plaats kunnen stellen.



Nevenverplichtingen: samenwerkingsverplichting naar redelijkheid

De vennoten zijn op grond van de vennootschapsovereenkomst verplicht om met elkaar samen te werken ter verwezenlijking van het doel van de vennootschap. Tot hoever die samenwerking moet gaan, wordt bepaald door de inhoud van de vennootschapsakte en voorts in meer algemene zin door de redelijkheid en billijkheid (art. 6:248 BW). De redelijkheid en billijkheid schrijven voor dat een vennoot bij zijn handelen niet alleen kijkt naar zijn eigen belangen, maar tevens naar die van de vennootschap als geheel en de overige vennoten. Schiet een vennoot tekort in de nakoming van zijn zorgvuldigheidsplicht, dan is hij gehouden de schade die de vennootschap daardoor lijdt aan deze te vergoeden, uiteraard tenzij die tekortkoming hem niet kan worden toegerekend. Hetzelfde geldt wanneer een vennoot een bepaling uit de vennootschapsakte overtreedt. Hij pleegt in beide gevallen wanprestatie.

Een wettelijke uitwerking van de redelijkheid en billijkheid vinden we in de artt. 7a:1665 en 7a:1666 BW. Het eerste artikel ziet op het geval dat zowel de vennootschap als een vennoot (in privé) een opeisbare vordering op een derde heeft. Ontvangt de vennoot vervolgens van deze derde een betaling, dan dient hij de betaling naar evenredigheid van de omvang van beide vorderingen aan zichzelf en aan de vennootschap toe te rekenen. Heeft hijzelf € 1.000 te vorderen en de vennootschap € 4.000 en ontvangt hij € 2.500 van deze schuldenaar, dan dient hij dus € 2.000 aan de vennootschapskas af te staan, zodat hij zelf slechts € 500 mag behouden. Dit deel komt dan in mindering op zijn privé-vordering. Deze bepaling geldt zolang het van de schuldenaar ontvangen bedrag niet toereikend is om daaruit beide vorderingen volledig te voldoen. Zij is echter niet van toepassing wanneer de schuldenaar bij de betaling uitdrukkelijk aangeeft dat deze strekt ter voldoening van de schuld aan de vennoot of aan de vennootschap.

Uit de redelijkheid en billijkheid vloeit voort, dat de gelden die een vennoot ten behoeve van de vennootschap in ontvangst neemt, later in de vennootschapskas of op de gemeenschappelijke bankrekening moeten worden gestort. Het ging immers om een betaling aan de vennootschap, waarbij voor de betaler irrelevant is wie deze in ontvangst nam.

In beginsel is een vennoot niet gerechtigd om te eigen behoeve gelden uit de vennootschapskas op te nemen. Doet hij dat toch, dan dient hij de opgenomen bedragen weer terug te storten na daartoe door de andere vennoten te zijn aangemaand. Tevens is hij daarover dan wettelijke rente verschuldigd.

Hebben de vennoten afgesproken dat zij, als voorschot op de jaarlijkse uitkering van hun aandeel in de boekwinst, bepaalde kasgelden mogen opnemen, dan zullen zij meestal tevens hebben voorzien in een renteregeling. Mocht dat niet het geval zijn - zij hebben bijvoorbeeld alleen aangegeven dat de opgenomen voorschotten aan het einde van het jaar in mindering komen op het uit te keren aandeel in de jaarwinst -, dan zullen zij in principe hebben bedoeld dat zij over de als voorschot opgenomen bedragen geen rente aan de vennootschap verschuldigd zijn. Iets dergelijks geldt wanneer zij weliswaar niets uitdrukkelijk omtrent het opnemen van zulks voorschotten hebben afgesproken, maar één of meer vennoten daartoe in de praktijk wel zijn overgegaan, zonder dat de anderen hiertegen hebben geageerd.

Uit de redelijkheid en billijkheid vloeit voort dat de vennoten aan de buitenwereld geen mededelingen mogen doen die de gemeenschappelijke belangen zouden kunnen schaden, bijvoorbeeld doordat zij geheimen van de vennootschap prijsgeven terzake van haar financiële toestand, productieproces, klantenkring en dergelijke. Binnen het kader van een beroepsbeoefening kunnen voorts bepaalde beroepsregels en gedragcodes een zekere geheimhouding verlangen. Deze verplichtingen zijn nogal vaag. Dikwijls willen de vennoten duidelijker afgebakend zien waartoe zij wel en niet gerechtigd zijn. Daarom nemen zij in de vennootschapsakte een geheimhoudingsplicht op terzake van enkele nader omschreven aangelegenheden, zoals die betreffende de onderlinge samenwerking, de gezamenlijke bedrijfsvoering en de binnen het bedrijf aanwezige kennis. Voorts verplichten zij zich ook onderling om zich aan de eventueel geldende beroepsregels en gedragcodes te houden. Tot slot komt het voor dat zij zich verbinden tot geheimhouding terzake van enkele aangelegenheden die niets met het vennootschapsverband van doen hebben, bijvoorbeeld omdat zij door de nauwe samenwerking met elkaar veel informatie over elkaars kennis en bedrijven verkrijgen. De geheimhoudingsplicht wordt als regel niet beperkt voor de duur van het samenwerkingsverband, maar eveneens van toepassing verklaard op de periode daarna, dus bijvoorbeeld nadat men is uitgetreden of de vennootschap als zodanig is ontbonden. Op overtreding van de geheimhoudingsplicht wordt doorgaans een vooraf gefixeerde boete gesteld.

De redelijkheid en billijkheid bepalen dat een vennoot tijdens het bestaan van het samenwerkingsverband de vennootschap geen concurrentie mag aandoen. Op zichzelf zou hieromtrent dus niets in de vennootschapsakte moeten worden bepaald. Niet duidelijk is echter tot hoever de non-concurrentieverplichting strekt en op welke werkgebieden en geografische omgeving zij betrekking heeft. Daarom is het verstandig duidelijke afspraken over dit onderwerp in de vennootschapsakte op te nemen. Zulks is zelf noodzakelijk wanneer een vennoot zich het recht heeft voorbehouden om tijdens de duur van het vennootschap te eigen behoeve soortgelijke activiteiten (in dezelfde of nabij omgeving) te verrichten. Op overtreding van het non-concurrentiebeding wordt wederom een vooraf gefixeerde boete gesteld.

Het zal van de omstandigheden afhangen in hoeverre een vennoot na uittreding of ontbinding van de vennootschap gerechtigd is de overige vennoten concurrentie aan te doen. De redelijkheid en billijkheid zijn hieromtrent niet duidelijk. Veelal wordt het non-concurrentiebeding in die zin doorgetrokken dat een uittredende vennoot gedurende enige jaren in een nader omschreven gebied niet dezelfde werkzaamheden als de vennootschap mag verrichten. Bij een algehele ontbinding mogen de vennoten als regel ieder hun eigen weg vervolgen. Het zou onzinnig zijn hier anders te bepalen, aangezien de vennootschap na haar einde geen concurrentie kan worden aangedaan die strijdig is met het vennootschapsdoel. Overtreding wordt wederom gesanctioneerd met een op voorhand vastgestelde boete.

Ofschoon de interne verhouding tussen de vennoten onderling nader door de redelijkheid en billijkheid wordt ingekleurd, verdient het aanbeveling daarover in de vennootschapsakte uitdrukkelijke afspraken te maken. Dit komt de rechtszekerheid ten goede, nu alle vennoten op voorhand weten waaraan zij zijn gebonden en daarvoor niet te zijner tijd hun heil behoeven te zoeken bij een onzekere factor als 'de redelijkheid en billijkheid', die door eenieder toch anders kan worden uitgelegd.



Verdeling van de winst

De vennootschapsakte bepaalt nagenoeg steeds hoe de jaarlijkse winst tussen de vennoten moet worden verdeeld. Partijen hebben op dit gebied veel vrijheid. Nochtans moeten zij met een aantal dwingendrechtelijke regels rekening houden.

Het is ten eerste niet geoorloofd om te bepalen dat één of meer vennoten niet in de winst delen (art. 7A:1672 lid 1 BW). Iedere vennoot moet dus een aandeel in de winst hebben, al behoeft ieders aandeel natuurlijk niet even groot te zijn. Een overeenkomst die niet aan deze voorwaarden voldoet, is geen vennootschap, hetgeen overigens niet uitsluit dat zij wellicht als een andere rechtsverhouding kan worden beschouwd, bijvoorbeeld als een schenkingsovereenkomst of een samenwerkingsovereenkomst van een geheel eigen soort (HR 6 juni 1956, NJ 1957, 333).

Het is de tweede plaats niet geoorloofd te bepalen dat de omvang van ieders aandeel in de winst door één of meer vennoten of een derde wordt vastgesteld (art. 7A:1671 lid 1 BW). De wetgever was beducht dat er veel moeilijkheden zouden ontstaan, wanneer één vennoot telkens zou mogen uitmaken wat ieders aandeel in de winst is. Waarom het vaststellen van ieders winstaandeel - hetgeen iets anders is dan de vaststelling van de totaal behaalde winst - niet aan een onafhankelijke derde (bijv. accountant) mag worden opgedragen, is niet duidelijk. Toch is dit verboden. Het is evenmin toegestaan de vaststelling van ieders winstaandeel te onderwerpen aan een bindend advies van een derde, al bestaan hierover verschillende meningen. Wie het zekere voor het onzekere wil nemen, wendt zich bij dergelijke geschillen tot de burgerlijke rechter. Het is wel toegestaan dat de vennoten periodiek, bijvoorbeeld aan het einde van het boekjaar, gezamenlijk vaststellen wat ieders winstaandeel is, al dan niet aan de hand van vooraf bepaalde criteria (bijv. gerealiseerde omzet, aantal gewerkte uren, gemaakte kosten), zij het dat bij dit winstvaststellingsbesluit iedere vennoot een gelijke stem moet hebben.

Met inachtneming van de bovenstaande dwingende rechtsregels staat het partijen vrij zelf te bepalen wat ieders aandeel in de jaarlijkse winst (en het verlies) zal zijn. Meestal zal bij de bepaling van ieders aandeel aansluiting worden gezocht bij ieders inbreng en bij de mate waarin een persoon daadwerkelijk binnen de vennootschap arbeid heeft verricht of anderszins actief is geweest. Dit is echter niet altijd het geval. Soms ziet men dat de vennoten, onafhankelijk van hun inbreng, ieder een gelijk aandeel in de winst hebben of dat zij allen een ongelijk aandeel genieten, waarvan de omvang is bepaald door ieders inbreng in het kapitaal bij aanvang van de vennootschap. Deze verdelingsvormen zijn echter niet de meest gangbare. Het is namelijk gebruikelijk dat de vennoten eerst een vaste uitkering genieten over het door hen ingebrachte kapitaal, om de resterende winst daarna onderling te verdelen. De vaste uitkering over het ingebrachte kapitaal wordt meestal bepaald door een zekere rente te berekenen over de som waarop de vennoten in de boeken van de vennootschap op hun kapitaalrekeningen gecrediteerd staan (het vermogen dat zij geacht worden te hebben ingebracht en in de loop der tijd te hebben verworven minus wat zij in de loop der tijd weer daarvan af hebben geboekt). De rente is de normale rente voor geldleningen, welk percentage veelal met 1 of 2 % wordt verhoogd vanwege het risico dat de inbrenger met zijn ingebrachte kapitaal loopt. De winst die er na aftrek van deze vaste vergoeding overblijft, noemt men de 'overwinst'. Als regel wordt de overwinst gelijkelijk onder de vennoten verdeeld. Uiteraard is het geoorloofd om voor een andere verdeelsleutel te kiezen, bijvoorbeeld voor verschillende aandelen per vennoot in de overwinst of voor bedragen afhankelijk van de per vennoot gerealiseerde omzet, gewerkte uren e.d.

Een andere mogelijkheid is om als eerste aan één of meer vennoten of aan allen een periodiek uit te betalen vaste vergoeding voor arbeid (management fee) toe te kennen. De resterende winst wordt vervolgens aan de hand van een bepaalde sleutel verdeeld, waarbij weer aansluiting kan worden gezocht bij de inbreng van de vennoten of de door iedere vennoot gewerkte uren, gerealiseerde omzet et cetera.

Het bovenstaande vormt slechts een afspiegeling van de in de praktijk meest voorkomende winstverdelingsregelingen. Andere omstandigheden kunnen om een andere oplossing vragen. Dit doet zich bijvoorbeeld voor wanneer één der vennoten 'goodwill' inbrengt. Die goodwill zal na verloop van tijd verwateren en opgaan in de door de vennootschap zelf nieuw gevormde goodwill. Dit verlies aan inbreng zal moeten worden gecompenseerd, eventueel door aan de betrokken vennoot gedurende enige jaren een extra aandeel in de winst toe te kennen. Het is echter eveneens mogelijk om dat de overige vennoten bij aanvang van de vennootschap een deel van de goodwill van de inbrengende vennoot tegen betaling overnemen.

Indien een vennoot toetreedt tot een bestaande vennootschap en de vennoot over onvoldoende middelen beschikt om zijn toetreding te financieren kan een verkleining van een aandeel in de winst gedurende enkele jaren een oplossing bieden. Voorts kan men in dit verband denken aan de afspraak dat de toetredende vennoot een normaal aandeel in de winst heeft, maar dat hij gehouden is om daaruit zijn schulden aan de overige vennoten te voldoen. Tot slot ziet men wel dat de winstverdeling plaatsvindt op basis van periodiek (telkenjare) te nemen besluiten. Die besluiten zullen met eenstemmigheid van stemmen door alle vennoten moeten worden genomen. Het nadeel van deze winstverdelingsregeling is dan ook dat er ieder jaar kans op een conflict ontstaat terzake van het belangrijkste onderdeel van de vennootschap, te weten de verdeling van de gemeenschappelijke winst.

Hebben partijen niets omtrent de verdeling van de winst geregeld, dan vindt de winstverdeling plaats aan de hand van het bepaalde in art. 7A:1670 lid 1 BW: ieders aandeel in de winst (en het verlies) is evenredig aan hetgeen hij daadwerkelijk heeft ingebracht. Meestal zal een vennoot niet slechts geld of goederen inbrengen, maar ook zijn arbeid. Hebben alle vennoten vermogen ingebracht, maar brengen daarnaast ook één of meer der vennoten of allen arbeid in, dan dient de totale waarde van ieders inbreng van vermogen plus arbeid te worden getaxeerd. Vervolgens kan aan de hand van ieders gekapitaliseerde inbreng van geld, goederen, rechten en arbeid in verhouding tot de totale gekapitaliseerde inbreng ieders aandeel in de winst worden vastgesteld. Hebben één of meer der vennoten geen vermogen, maar alleen arbeid ingebracht, dan vindt de winstverdeling plaats overeenkomstig art. 7A:1670 lid 2 BW: het aandeel van de vennoot die slechts zijn arbeid inbrengt, is gelijk aan het aandeel van de vennoot die het minste kapitaal heeft ingebracht. Meestal neemt men aan dat deze laatste verdelingsregel slechts geldt, indien alle vennoten die vermogen hebben ingebracht, ook arbeid inbrengen. Anders zou hij tot onbillijke resultaten leiden wanneer één der overige vennoten slechts een klein vermogen, maar geen arbeid inbrengt. Indien alle vennoten uitsluitend arbeid inbrengen, is art. 7A:1670 lid 2 BW niet van toepassing, zodat de winstverdeling wederom aan de hand van lid 1 dient te geschieden: de ingebrachte arbeidsprestaties moeten worden getaxeerd; vervolgens kan aan de hand daarvan ieders aandeel worden bepaald. Brengt iedere vennoot zijn volledige arbeidskracht in, dan zal dit in beginsel moeten betekenen dat iedere vennoot een gelijk winstaandeel geniet, tenzij de arbeidsprestaties van de een van een hoger niveau zijn dan die van de ander.



Interne verdeling van het verlies (draagplicht)

Naast aan afspraak terzake van de verdeling van de winst zullen partijen meestal tevens een regeling treffen voor de interne draagplicht terzake van de geleden verliezen van de vennootschap. Doorgaans sluit die regeling aan bij die inzake de winstverdeling, in die zin dat ieders aandeel in de winst gelijk is aan ieders aandeel in het verlies. Mocht er wel een winstverdelingsregeling bestaan, maar niets omtrent de toerekening van het verlies zijn bepaald, dan geldt deze regel zelfs als wettelijk uitgangspunt, tenzij uit de vennootschapsverhoudingen, bepaalde artikelen uit de vennootschapsakte of overige omstandigheden van het geval (stilzwijgend) een andere verliesverdeling voortvloeit. Is door de vennoten zelf geen winstverdeling overeengekomen, dan geeft de wet hiervoor een regeling (zie hierboven). Vervolgens wordt ook ten aanzien van de interne verdeling van het verlies (draagplicht) weer bij die wettelijke winstverdeling aangesloten, tenzij uit de vennootschapsakte of overige omstandigheden van het geval iets anders volgt.

Partijen behoeven nochtans de verliestoerekening niet op de winstverdeling te doen aansluiten. Zo is het geoorloofd om het aandeel in de winst op een ander deel te stellen dan het aandeel in het verlies. De wet verzet zich er zelfs niet tegen om één vennoot voor alle verliezen draagplichtig te maken, al gebeurt dit in de praktijk zelden.



Het nemen van besluiten binnen de personenvennootschap

Het optreden van de vennoten wordt in de eerste plaats bepaald door wat de vennootschapsovereenkomst voorschrijft. Maar daarnaast zullen de vennoten voor afzonderlijke onderwerpen telkens de intern te volgen koers moeten uitstippelen. Dit geschiedt door het nemen van besluiten in meestal maandelijks te houden vergaderingen. De bevoegdheid tot besluitvorming is een afzonderlijk recht. Zij staat los van de bestuurs- en vertegenwoordigingsbevoegdheid der vennoten. De interne besluitvorming heeft in beginsel geen betekenis voor derden. Die mogen varen op de regeling van de externe vertegenwoordigingsbevoegdheid, zoals die uit de vennootschapsovereenkomst en, bij de vennootschap onder firma en commanditaire vennootschap, het handelsregister blijkt, tenzij zij wisten dat een bepaald optreden van een vennoot niet aan het doel van de vennootschap gedienstig kon zijn of in strijd was met een intern besluit.

Bij de besluitvorming nemen alle vennoten, ongeacht hun inbreng of aandeel in de winst, een gelijke positie in. Zij hebben ieder evenveel recht van spreken, dus een gelijke stem. De besluiten kunnen slechts worden genomen met eenstemmigheid (unanimiteit van stemmen) in een vergadering of andere besluitvormingsprocedure, waarin alle vennoten hun stem hebben geuit. Eenstemmigheid impliceert dat iedere vennoot bij de besluitvorming een vetorecht heeft, dus dat hij de aanname van een besluit kan blokkeren door tegen te stemmen. Het vereiste dat alle vennoten binnen de besluitvormingsprocedure aanwezig of vertegenwoordigd moeten zijn, kan worden doorbroken, bijvoorbeeld door (voor bepaalde beslissingen) een quorumeis te stellen. Een unanimiteit van stemmen is evenmin verplicht. Het is geoorloofd af te spreken dat de besluiten (met betrekking tot bepaalde onderwerpen) met een gewone of gekwalificeerde meerderheid van stemmen kunnen worden genomen, eventueel in een vergadering waarin slechts een deel van de vennoten behoeft te zijn vertegenwoordigd. Onduidelijk is of zulks ook is toegestaan terzake van besluiten tot wijziging van de vennootschapsovereenkomst, ontbinding, het verdelen van de winst en het toetreden van een nieuwe vennoot. Sommige schrijvers menen dat voor beslissingen hieromtrent steeds de toestemming van alle vennoten is vereist. De meesten denken evenwel dat ook dergelijke beslissingen aan een gewone of gekwalificeerde meerderheid onderworpen kunnen worden (al dan niet in combinatie met quorumeis), zij het dat de vennootschapsakte voor de betreffende onderwerpen wel afzonderlijk een beding van die strekking zal moeten bevatten, zodat niet kan worden volstaan met een algemene clausule dat de besluiten bij meerderheid van stemmen worden genomen.

Het is geoorloofd om het nemen van besluiten over bepaalde onderwerpen uitdrukkelijk aan één of meer nader genoemde vennoten of organen over te laten. Zo kan men de beslissing over aangelegenheden terzake van de administratie en boekhouding bij één der beherende vennoten leggen. Soms heeft een bepaalde vennoot als enige een bepaalde beheers- of beschikkingsbevoegdheid. Alsdan kan men de besluitvorming hierop doen aansluiten, maar noodzakelijk is dit niet. Het toekennen van bepaalde beslissingsbevoegdheden aan één of meer nader genoemde vennoten geschiedt in de praktijk vooral bij grote vennootschappen met een omvangrijke organisatorische structuur. Hier wordt in de vennootschapsakte soms een aantal afzonderlijke organen geschapen, met ieder geheel eigen bevoegdheden. Vaak is er een algemeen bestuur en een algemene vergadering van vennoten. Soms vormen enkele leden uit het algemene bestuur tezamen de dagelijkse leiding, directie of het dagelijks bestuur van de vennootschap en wordt er een zogenaamde vennootschapsraad ingesteld, die toezicht houdt. Voorzover men één of meer vennoten of organen de exclusieve bevoegdheid wil toekennen terzake van het nemen van besluiten tot wijziging van de vennootschapsakte of tot onderwerpen die tot de hoofdzaken van de vennootschapsovereenkomst behoren, zoals de winstverdeling, de gemeenschap, de bevoegdheid tot vertegenwoordiging, toetreding van vennoten en dergelijke, zal men wederom uitdrukkelijk een afzonderlijk beding van die strekking in de vennootschapsakte moeten opnemen, nu een algemene clausule in dezen niet volstaat. Alle vennoten worden dan reeds geacht daarvoor een instemmend besluit te hebben gegeven.



Onderlinge verdeling van organisatorische taken: beheers- en bestuursregelingen

De vennoten verrichten tijdens het bestaan van de vennootschap vele feitelijke handelingen en rechtshandelingen. Zo zullen zij in de uitoefening van hun beroep of bedrijf bepaalde contracten sluiten, betalingen doen, reparaties uitvoeren et cetera. Alle handelingen die door de normale uitoefening van het beroep of bedrijf worden gevorderd, rekent men tot de beheersdaden. Alle andere dan de normale alledaagse verrichtingen, kwalificeert men tot de niet-beheersdaden. De beheersdaden en niet-beheersdaden vat men samen onder het begrip 'bestuur'. Met bestuur bedoelt men dus de wijze waarop de vennoten onderling de vennootschapsaangelegenheden leiding geven en regelen. In hoeverre de verschillende vennoten bevoegd zijn tot het verrichten van beheersdaden en niet-beheersdaden wordt door de vennootschapsakte en de wet bepaald. De hier bedoelde bestuursbevoegdheid moet niet worden verward met de bevoegdheid van de vennoten om de vennootschap - dat wil zeggen de deelnemende vennoten - te vertegenwoordigen bij het verrichten van rechtshandelingen met derden. Daarbij gaat het namelijk om de externe verhouding van de personenvennootschap. In die verhouding is van belang in hoeverre een derde de andere vennoten gebonden en aansprakelijk kan houden. Daarbij doet, althans voor de derde, in beginsel niet ter zake of die vennoot krachtens zijn interne verhouding tot de overige vennoten bevoegd was om deze rechtshandeling met de derde aan te gaan. Bij bestuursbevoegdheid gaat het om een interne verhouding, namelijk in hoeverre een vennoot volgens de onderling tussen de vennoten geldende afspraken, gerechtigd is om bepaalde rechtshandelingen en feitelijke daden te verrichten. Vennoten die overeenkomstig de hen gegeven bestuursbevoegdheid handelen, kunnen niet persoonlijk door de anderen voor de eventuele negatieve gevolgen van hun optreden verantwoordelijk worden gesteld. De vennootschap dient als zodanig deze gevolgen te dragen.

Overtreding van de bestuursbevoegdheid heeft in beginsel tot gevolg dat de betrokken vennoot wanprestatie pleegt tegenover zijn medevennoten en bijgevolg schadeplichtig wordt. De bestuursbevoegdheid heeft geen betekenis voor de bevoegdheid van een vennoot om in naam van de vennootschap op te treden. De binding van de vennootschap, dus van de gezamenlijke vennoten, aan derden wordt bepaald door de in de vennootschapsovereenkomst geregelde vertegenwoordigingsbevoegdheid der vennoten en de eventuele inschrijving van die bevoegdheid in het handelsregister (dit laatste alleen bij de vennootschap onder firma en commanditaire vennootschap). Uiteraard verdient het wel aanbeveling de interne bestuursbevoegdheid te laten aansluiten op de externe vertegenwoordigingsbevoegdheid. In die zin zullen de besturende vennoten dan ook steeds vertegenwoordigingsbevoegd zijn. Het omgekeerde geldt niet. Een niet (volledig) tot bestuur bevoegde vennoot kan toch (volledig) bevoegd zijn de vennoot te vertegenwoordigen. Is een vennoot intern bevoegd een bepaalde handeling te verrichten, maar extern niet, dan kan de derde, met wie de vennoot heeft gehandeld, uitsluitend deze vennoot zelf aansprakelijk houden. Vervolgens is de vennoot bevoegd de gevolgen door te berekenen aan de overige vennoten, overeenkomstig hun interne afspraak. Is een vennoot intern noch extern bevoegd, dan kan de derde wederom uitsluitend de handelende vennoot zelf gebonden houden, maar nu is die vennoot niet in staat de gevolgen aan de vennootschap als zodanig door te berekenen. Is een vennoot intern niet bevoegd, maar extern wel, dan kan de derde de vennootschap als zodanig gebonden houden. De overige vennoten kunnen de eventuele negatieve gevolgen hier evenwel op de handelende vennoot afwentelen, aangezien deze immers zijn interne beheers- en beschikkingsbevoegdheid overschreed. Voorzover de derde de bescherming van het recht geniet, kan hij de andere vennoten ook gebonden houden, wanneer de handelende vennoot de vennootschap onbevoegdelijk heeft vertegenwoordigd.

Het ligt door de hand intern ieders bevoegdheid tot beheer en / of bestuur nauwkeurig af te bakenen. Vaak gebeurt dit echter niet. In dat geval moet daarvoor te rade worden gegaan bij de wettelijke bepalingen van aanvullend recht op dit gebied.

Bij gebreke van bijzondere bedingen omtrent de wijze van beheer worden de vennoten geacht zich over en weer de macht te hebben verleend om, de een voor de anderen, te beheren. Hetgeen ieder van hen verricht, is ook verbindend voor de anderen, zonder dat hij daarvoor hun afzonderlijke toestemming behoeft (art. 7A:1676 sub 1 BW). Ieder der vennoten heeft derhalve beheersbevoegdheid, tenzij er anders is overeengekomen. De vennoten moeten zich intern neerleggen bij een beheersdaad welke door een beheersbevoegde vennoot is verricht; de gevolgen van die handeling komen voor gemeenschappelijke rekening, in die zin dat iedere vennoot voor zijn aandeel gerechtigd en draagplichtig wordt. Hoewel alle vennoten, wanneer er niets anders is afgesproken, beheersbevoegd zijn, behoudt iedere vennoot wel het recht om zich te verzetten tegen de beheersdaad van een ander, althans zolang die handeling nog niet is verricht. Ieder der vennoten heeft aldus een preventief vetorecht (art. 7A:1676 sub 1 BW). Deze bevoegdheid kan een vennoot niet worden ontnomen doordat de meerderheid of alle overige vennoten het met zijn veto oneens is. Wel kan de vennootschapsovereenkomst in dit opzicht worden aangepast. Maar daarvoor zal als regel eveneens de toestemming van alle vennoten vereist zijn, tenzij hierover eerder andere afspraken zijn gemaakt.

De wet geeft slechts voorschriften voor handelingen die tot de alledaagse transacties binnen de vennootschap behoren, dus voor beheersdaden. Voor andere bestuurshandelingen bevat zij geen regeling. Dit houdt in dat het bevoegd handelen van de vennoten hier moet berusten op gezamenlijk met eenstemmigheid genomen besluiten, zodat iedere vennoot een vetorecht heeft. De vennootschapsakte kan niettemin anders bepalen. Zo is het denkbaar dat voor het verrichten van niet-beheersdaden slechts een gewone of gekwalificeerde meerderheid is vereist. Daarbij kunnen bepaalde niet-beheersdaden worden uitgesloten, in die zin dat daarvoor weer de toestemming van alle vennoten noodzakelijk is. Volgt - direct of indirect - uit een eenmaal genomen besluit der vennoten dat een bepaalde niet-beheersdaad mag worden verricht, dan kan hieraan uitvoering worden gegeven door een beherend vennoot (bij interne aangelegenheden) of door een vennoot die daartoe krachtens de vennootschapsakte vertegenwoordigingsbevoegd is (bij rechtshandelingen met derden). Opgemerkt moet worden dat een beherend vennoot doorgaans tevens vertegenwoordigingsbevoegd is, al kan die bevoegdheid aan bepaalde beperkingen (bijv. tweehandtekeningenclausule al dan niet voor bepaalde rechtshandelingen) zijn onderworpen.