Einde van een personenvennootschap





Ontbinding van de personenvennootschap

Een personenvennootschap wordt ontbonden:

  • door verloop van de tijd waarvoor zij is aangegaan
  • door het tenietgaan van een goed of de volbrenging van een handeling die het onderwerp van de personenvennootschap uitmaakt;
  • door opzegging door een vennoot aan de andere vennoten;
  • door ontbinding van de personenvennootschap door de rechter op verzoek van één der vennoten wegens een gewichtige reden;
  • door de dood van één der vennoten (tenzij is bedongen dat de personenvennootschap met zijn erfgenamen zal worden aangegaan);
  • door de onder curatele stelling van één der vennoten;
  • door het faillissement van of de toepasselijkheid van de wettelijke schuldsaneringsregeling op één der vennoten.

Met de ontbinding is de personenvennootschap nog niet ten einde gekomen. De vennootschap blijft voortbestaan totdat alle gemeenschappelijke goederen (gemeenschappelijk vennootschapsvermogen) tussen de vennoten zijn verdeeld overeenkomstig ieders aanspraak. Die aanspraak wordt bepaald door de vennootschapsovereenkomst of anders door de wet.

Uitgangspunt is dat iedere vennoot bij de verdeling eerst zijn nog niet opgenomen winstaandelen mag opnemen en vervolgens ten minste in waarde (nominaal) terugkrijgt van wat hij in de loop der tijd heeft ingebracht. Daarop in mindering komen de nog openstaande vennootschapsschulden overeenkomstig het deel waarvoor de vennoten intern draagplichtig zijn. Indien mogelijk worden daarmee als eerste de vennootschapsschulden volledig afbetaald.

Voorzover mogelijk heeft iedere vennoot ook recht op teruggave van de spullen en goederen die hij feitelijk in de goederengemeenschap heeft ingebracht. De vennoot die een onroerende zaak heeft ingebracht, mag dus verlangen dat die zaak weer aan hem in eigendom wordt toegescheiden. Dit is natuurlijk alleen mogelijk als die goederen op zichzelf nog in het vennootschapsvermogen aanwezig zijn. Bij ingebrachte voorraden en machines zal dit zeker niet altijd het geval zijn. Bij de feitelijke toedeling van de ingebrachte goederen wordt de verkrijging meegerekend tegen de werkelijke waarde bij de verdeling.

Wanneer er daarna nog vennootschapsvermogen ter verdeling resteert, delen de vennoten daarin naar evenredigheid van ieders aandeel in de jaarwinst.



Voortzettingsregelingen

Een personenvennootschap is een hoogstpersoonlijke rechtsbetrekking die door de vennoten met het oog op de persoon van de betrokken deelnemers is aangegaan (overeenkomst 'intuitu personae'). Iedere wijziging in de samenstelling van de deelnemers leidt dan ook tot de ontbinding van de vennootschap, met alle gevolgen van dien, zoals een vereffening en verdeling. Niet altijd is het echter wenselijk om in geval van een verandering in de samenstelling der deelnemende vennoten de vennootschap te doen beëindigen. In geval van een uittreding of verstoting wensen de overgebleven vennoten de vennootschap veelal voort te zetten. Het zou onzinnig zijn, wanneer zij eerst tot ontbinding van de vennootschap en de verdeling van het vermogen zouden moeten overgaan, om daarna opnieuw met elkaar een vennootschapsovereenkomst te sluiten. Hetzelfde geldt wanneer een uittredende vennoot zijn gehele positie in de vennootschap aan een nieuw vennoot overdraagt. De bedoeling bij zo'n positiewisseling zal toch zijn de bestaande samenwerking te handhaven. Een ontbinding is dan alleen maar omslachtig en hinderlijk. Het duidelijkst speelt dit wanneer een nieuwe vennoot tot een reeds bestaande vennootschap wenst toe te treden, zonder dat hij de plaats van een ander inneemt. Doorgaans wensen de vennoten zo'n toetreding als een uitbreiding van de bestaande vennootschap te zien en niet als het sluiten van een nieuwe vennootschapovereenkomst. Hoewel de wet geen voorziening geeft voor het geval er een wisseling in de samenstelling der deelnemende vennoten optreedt, zijn er in het contractenrecht een aantal regelingen ontwikkeld en uitgewerkt, die beogen de vennootschap in dergelijke situaties te laten voortbestaan. De Hoge Raad heeft deze regelingen uitdrukkelijk erkend (HR 6 februari 1935, NJ 1935, 1513 en HR 7 december 1949, WPNR 4122).

Binnen de voortzettingsregelingen onderscheidt ment twee hoofdsoorten. Ten eerste zijn er voortzettingsbedingen die gericht zijn op handhaving van de obligatoire rechtsverhouding tussen de overgebleven vennoten en eventueel de nieuw toegetreden compagnon. Dergelijke bedingen bewerkstelligen dat de vennootschap als gevolg van de wisseling in de samenstelling der vennoten niet wordt ontbonden, maar onverkort voortleeft. Tevens leggen zij de rechtspositie van de overgebleven deelnemers en de eventueel nieuw toegetreden vennoot contractueel vast. Dergelijke voortzettingsbedingen hebben nochtans geen betrekking op de goederengemeenschap binnen het samenwerkingsverband.

Daarom onderscheidt men in de tweede plaats zogenaamde vermogensbedingen, die tot doel hebben dat het bedrijfsgebonden vermogen van de voort te zetten vennootschap eveneens in stand blijft (of zich uitbreidt). Zonder dit vennootschapsvermogen kan de vennootschap feitelijk immers niet bestaan.

Bij dit alles houde men in het oog dat een voortzetting slechts kan slagen, ongeacht de aard van het gemaakte beding, indien er na de wisseling in de samenstelling tenminste twee vennoten overblijven. Een vennootschapsovereenkomst met één deelnemende vennoot is uit zijn aard onmogelijk. Nemen er twee vennoten aan de vennootschap deel en wisselt één ervan zijn plaats in ten behoeve van een derde, dan wordt de vennootschapsovereenkomst steeds geacht twee partijen te hebben gehad, zodat de overeenkomst onverkort wordt voortgezet. Blijft er na de wisseling in de samenstelling der vennoten slechts één vennoot over, dan is de vennootschapsovereenkomst als zodanig ten einde gekomen. Soms voorziet de vennootschapsakte voor deze situatie in een regeling dat de overgebleven vennoot het recht heeft om alléén de onderneming voort te zetten, hetgeen dan geschiedt in de vorm van een eenmanszaak of een andere rechtsvorm (bijv. besloten vennootschap). Zonder zo'n voorziening kan hij bijvoorbeeld niet zonder meer aanspraak maken op het gebruik van de handelsnaam van de vennootschap of de noodzakelijke bedrijfsactiva.



De man/vrouw-vennootschap

In civielrechtelijk opzicht bestaat er geen enkel bezwaar tegen een vennootschap tussen echtgenoten (of tussen twee levenspartners). Wel zal de vennootschap ook hier aan alle wezenskenmerken moeten voldoen. Ten eerste dienen de echtgenoten de vennootschap aan te gaan met als gemeenschappelijk doel het behalen van vermogensrechtelijk voordeel. De doelstelling mag daarbij ruim worden genomen. Het oogmerk om door samenwerking de verliezen te verminderen of kosten te besparen wordt bijvoorbeeld eveneens aangemerkt als een gemeenschappelijk voordeelstreven. Ten tweede moeten alle echtgenoten iets in de vennootschap inbrengen. De inbreng kan bestaan uit geld, goederen, genot van goederen en arbeid, maar ook uit 'goodwill'. In de derde plaats moeten de echtgenoten binnen de vennootschap op de voet van gelijkheid samenwerken. Evenmin als binnen het huwelijk mag dus binnen de beroeps- of bedrijfsuitoefening door de echtgenoten een hiërarchische verhouding bestaan.

Een vennoot kan - geheel buiten de vennootschap om - met een derde overeenkomen dat de winsten die hij op zijn aandeel geniet geheel of gedeeltelijk aan deze derde zal doen toekomen. Denkbaar is tevens dat de vennoot en derde tegelijkertijd een afspraak maken terzake van de onderlinge draagplicht voor dat deel van de vennootschapsschulden dat de vennoot in vennootschapsverband dient te dragen. Hier is sprake van een zogenaamde 'croupiersovereenkomst'. Een dergelijke overeenkomst kan zodanig worden ingericht dat er een zogenaamde 'ondervennootschap' (of 'ondermaatschap') ontstaat. Vereist daarvoor is in de eerste plaats dat de vennoot en de derde beiden in economisch opzicht gerechtigd zijn tot het aan de vennoot toebehorende aandeel in de vennootschap. Dit betekent dat de vennoot en de derde beiden (bijv. ieder voor de helft) gerechtigd moeten zijn tot de jaarwinst en, bij uittreding of ontbinding van de ondervennootschap, tot het liquidatiesaldo (dus tot de stille reserves en goodwill op het vennootschapsaandeel). Niet vereist is dat de derde tevens draagplichtig is voor de schulden van de ondervennootschap, dus dat hij bij te dragen in de verliezen die de vennoot op grond van zijn aandeel in de hoofdvennootschap lijdt. Vereist is in de tweede plaats dat de vennoot en de derde beiden iets in de ondervennootschap inbrengen. Tot de inbreng van de vennoot moet in ieder geval zijn aandeel in de hoofdvennootschap behoren. De inbreng van de derde zal veelal bestaan uit geld of goederen, maar kan ook beperkt blijven tot arbeid. Noodzakelijk is tenslotte nog dat de vennoot en de derde op de voet van gelijkheid aan de ondervennootschap deelnemen. De ondervennootschap bestaat alleen tussen de betrokken vennoot en de derde. Zij staat verder los van de hoofdvennootschap en de overige vennoten. Uiteraard kan een ondervennootschap ook worden aangegaan tussen een vennoot en zijn echtgenote of levenspartner. Met name wanneer de vennoot een beroepsbeoefenaar is, die in een kantoor of praktijk samenwerkt met collega's, zal hij veelal voor deze optie kiezen, omdat zijn medevennoten doorgaans niet bereid zijn om zijn echtgenote tevens als vennoot toe te laten.

Het feit dat de echtgenoten in algehele gemeenschap van goederen zijn getrouwd, betekent op zichzelf nog niet dat zij op grond daarvan ieder voor de helft vormt geen beletsel voor het tot stand brengen van de vennootschap. Het aandeel in de vennootschap is ook bij een huwelijk in gemeenschap van goederen 'verknocht' aan de echtgenoot die de positie van vennoot inneemt. Het vormt zijn of haar privé-vermogen. Bij een man/vrouw-firma hebben dus beide echtgenoten zo'n privé-vermogen, naast de algehele gemeenschap van goederen. Aangezien het vennootschapsaandeel van de ene echtgenoot op zichzelf wel binnen de omschrijving van de huwelijksgoederengemeenschap past - deze is immers 'algeheel' -, dient de waarde ervan bij ontbinding van het huwelijk te worden verrekend met de andere echtgenoot. Deze heeft recht op een uitkering van de helft van die waarde. Bezitten beide echtgenoten een aandeel in dezelfde vennootschap, dan dient er in principe over en weer een verrekening plaats te vinden. Het spreekt voor zich dat deze verrekening achterwege kan blijven wanneer de vennootschapsaandelen van beide echtgenoten gelijk zijn. Valt het vennootschapsaandeel niet binnen de omschrijving van de (beperkte) huwelijksgoederengemeenschap, dan behoeft er bij een ontbinding van het huwelijk natuurlijk niet te worden verrekend.

'Ondernemer' in de zin van het belastingrecht is de belastingplichtige voor rekening van wie een onderneming wordt gedreven en die rechtstreeks wordt verbonden voor verbintenissen betreffende die onderneming (art. 3.4 IB).

Bij een civielrechtelijke man/vrouw-firma is zowel de man als vrouw hoofdelijk aansprakelijk voor de vennootschapsschulden (art. 18 WvK). Dit kan contractueel niet worden uitgesloten. Beiden kwalificeren derhalve als ondernemer in fiscale zin. Dit geldt ook als het gaat om een man/vrouw-onderfirma.

Bij een civielrechtelijke man/vrouw-maatschap zijnde man en vrouw ieder voor gelijke delen aansprakelijk voor de maatschapsschulden, dus voor de schulden die in naam van de maatschap zijn aangegaan. Ook dan zullen beiden dus worden aangemerkt als ondernemer in fiscale zin. Dezelfde conclusie moet worden getrokken in geval van een man/vrouw-ondermaatschap.

Bij een stille maatschap oefenen man en vrouw weliswaar tezamen een beroep of bedrijf uit, maar nemen zij niet op een voor derde kenbare wijze onder een gemeenschappelijke naam aan het rechtsverkeer deel. De naar buiten toe tredende maat doet dat in eigen naam en bindt zodoende de andere stille maat niet, tenzij deze een volmacht heeft op grond van art. 7A:1679 en 7A:1681 BW. Is er geen volmacht aanwezig en gaat een stille maat zelf geen verbintenissen betreffende de onderneming aan, dan is er geen ondernemerschap in fiscale zin.

Een stille vennoot in een commanditaire vennootschap is niet aansprakelijk voor de vennootschapsschulden en bijgevolg géén ondernemer voor de heffing van inkomstenbelasting. Wel wordt hij krachtens een afzonderlijke bepaling geacht om winst uit onderneming te genieten, zodat zijn winstaandeel valt in Box I. Maar van bepaalde ondernemersfaciliteiten is de stille vennoot op die manier wel uitgesloten.

Om als fiscale ondernemer te kunnen worden aangemerkt, moet er binnen de personenvennootschap of ondervennootschap wel steeds sprake zijn van een objectieve onderneming, dus van een organisatie die aan de hand van de fiscale criteria voldoet aan de kwalificatie van fiscale onderneming. Met name bij onderfirma's en ondermaatschappen tussen echtgenoten kunnen zich hierbij moeilijkheden voordoen.