Naamloze en besloten vennootschap

 


De naamloze vennootschap

De naamloze vennootschap is een rechtspersoon met een in overdraagbare aandelen verdeeld maatschappelijk kapitaal. De aandelen van een naamloze vennootschap kunnen bestaan uit aandelen aan toonder of aandelen op naam. Van deze laatste kunnen aandeelbewijzen zijn uitgegeven, maar noodzakelijk is dit niet. Aandelen aan order kent ons recht niet. Een aandeelhouder is niet persoonlijk aansprakelijk voor de verliezen van de naamloze vennootschap bij de dragen (art. 2:64 lid 1 BW).

De naamloze vennootschap wordt door één of meer personen bij notariële akte opgericht. De akte van oprichting moet de statuten van de naamloze vennootschap in zich dragen. De statuten dienen de statutaire naam, de zetel en het doel van de naamloze vennootschap te vermelden. Na het verlijden van de oprichtingsakte door de notaris is de naamloze vennootschap tot stand gebracht. Inschrijving in het handelsregister is dus geen constitutief oprichtingsvereiste. Niet-inschrijving heeft voor de bestuurders evenwel tot gevolg dat zij hoofdelijk aansprakelijk worden voor de schulden van de naamloze vennootschap.

Vóórdat tot het verlijden van de oprichtingsakte kan worden overgegaan, dient de notaris in het bezit te zijn van een verklaring van geen bezwaar van het Ministerie van Justitie. Het departement dient met andere woorden de ontwerpakte goed te keuren. Is eenmaal goedkeuring verleent, dan moet de akte vervolgens binnen drie maanden na de dagtekening van de verklaring van geen bezwaar worden verleden, op straffe van verval van de verklaring.

De naamloze vennootschap beschikt over tenminste twee organen, te weten de algemene vergadering van aandeelhouders (ava) en het bestuur. Aan de aandeelhoudersvergadering behoren, binnen de door de wet en de statuten gestelde grenzen, alle bevoegdheden toe die niet aan het bestuur of aan anderen zijn toegekend. Men denke aan het vaststellen van de jaarrekening, het benoemen en ontslaan van bestuurders, het beslissen over statutenwijziging, dividenduitkeringen of het voortbestaan van de vennootschap. Het bestuur is belast met de zorg voor het dagelijks functioneren van de vennootschap en het bepalen van het te volgen beleid. Daarnaast heeft zij tot taak de naamloze vennootschap in en buiten rechte te vertegenwoordigen. In beginsel is een raad van commissarissen facultatief, tenzij het om een grote naamloze vennootschap (zgn. 'structuurvennootschap') gaat. Is zo'n raad van commissarissen aanwezig, dan heeft deze tot taak het bestuur te controleren en te adviseren. Voor structuurvennootschappen, waarbij de raad van commissarissen als orgaan verplicht is gesteld, is in dit verband kenmerkend dat de zeggenschap van de aandeelhoudersvergadering is ingekrompen ten behoeve van de zeggenschap van de raad van commissarissen, op de samenstelling waarvan de werknemers van de naamloze vennootschap invloed kunnen uitoefenen.



De besloten vennootschap

De wettelijke regels van titel 2.5 BW voor de besloten vennootschap zijn nagenoeg gelijk aan die van titel 2.4 BW voor de naamloze vennootschap. Slechts op enkele punten komen afwijkingen voor, welke alle het gevolg zijn van het feit dat de naamloze vennootschap gericht is op een onbeperkt aantal aandeelhouders en de besloten vennootschap juist op een gelimiteerd aantal aandeelhouders.
De besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid is evenals de naamloze vennootschap een rechtspersoon met een in aandelen verdeeld maatschappelijk kapitaal. Aandeelbewijzen worden echter niet uitgegeven. Een besloten vennootschap kent derhalve uitsluitend aandelen op naam (altijd zonder een bijbehorend aandeelbewijs). Een ander verschil met de naamloze vennootschap is dat de aandelen in een besloten vennootschap niet vrij overdraagbaar zijn. Zij kunnen wel worden verhandeld, maar de aandeelhouder moet daarbij bepaalde voorschriften in acht nemen. Zo is hij in de regel verplicht de over te dragen aandelen eerst aan zijn mede-aandeelhouders aan te bieden voor een door een onafhankelijke accountant vastgestelde prijs (zgn. 'blokkeringsregeling'). Pas wanneer zijn mede-aandeelhouders niet op zijn aanbod ingaan, is de aandeelhouder gerechtigd de aandelen aan een derde over te dragen. In andere gevallen moeten de aandeelhouders hun toestemming voor de op handen zijnde overdracht geven.

Een aandeelhouder is niet aansprakelijk voor hetgeen in naam van de besloten vennootschap wordt verricht en hij is niet gehouden te delen in de verliezen van de vennootschap te delen (art. 2:175 lid 1 BW). De aansprakelijkheid van een aandeelhouder is, evenals bij een naamloze vennootschap, beperkt tot het bedrag dat hij ter verwerving van het aandeel heeft moeten betalen. Gaat de besloten vennootschap bijvoorbeeld failliet, dan heeft zijn aandeel geen enkele waarde meer. De aandeelhouder heeft het daarvoor betaalde bedrag weliswaar verspeeld, maar de schuldeisers van de besloten vennootschap kunnen zich niet rechtstreeks ter inning van hun vordering op hem verhalen. Hierin verschilt de besloten vennootschap niet van de naamloze vennootschap. De term 'beperkte aansprakelijkheid', welke de wet consequent aan het begrip 'besloten vennootschap' toevoegt, zou dan ook net zo goed kunnen worden weggelaten.

Ook voor wat de oprichtingsvereisten en organen binnen de besloten vennootschap betreft, zijn de regels voor de naamloze en besloten vennootschap grotendeels gelijk. De besloten vennootschap beschikt over tenminste twee organen, een aandeelhoudersvergadering en een bestuur. Het bestuur is belast met de dagelijkse leiding en met de vertegenwoordiging van de besloten vennootschap in en buiten rechte. De raad van commissarissen is facultatief, tenzij het om een zogenaamde structuurvennootschap gaat.



Verschillen tussen een naamloze en een besloten vennootschap

In juridisch opzicht vertonen de regels voor de naamloze en de besloten vennootschap grote gelijkenis. Vele regels voor de besloten vennootschap zijn zelfs letterlijk uit titel 2.4 BW overgenomen. Niettemin bestaan er tussen beide rechtspersonen een aantal principiële verschillen.

De naamloze vennootschap drijft als regel een grote onderneming, ter financiering waarvan zij veel kapitaal behoeft. Deze grote bedragen kunnen niet zomaar bij banken worden geleend. Om toch in haar kapitaalbehoefte te voorzien, geeft de naamloze vennootschap daarom gemakkelijk verhandelbare aandelen uit. Door plaatsing van nieuwe aandelen ('emissie') ontvangt zij dan kapitaal van degenen die de uitgegeven aandelen van haar opkopen. Dit 'gestorte' kapitaal kan weer in de onderneming worden gestoken, waarna een deel van de winst aan de (nieuwe) aandeelhouders kan worden uitgekeerd, enzovoorts. Voor de naamloze vennootschap is dus niet zozeer van belang te weten wie haar aandeelhouders zijn, maar vooral om zoveel mogelijk personen in haar aandelen geïnteresseerd te maken. Zij biedt de nieuw uit te geven aandelen daarom op een aandelenbeurs ter verhandeling aan, waar eenieder ze kan kopen en verkopen. Dit laatste vereist weer dat de uitgegeven aandelen snel en gemakkelijk kunnen worden doorgeleverd. Immers, de aandeelhouder die een beursaandeel koopt, doet dat in de regel op speculatieve gronden. Hij verwacht dat het aandeel in waarde zal stijgen. Ongeacht of dit ook werkelijk gebeurt, zal hij na verloop van tijd weer van het aandeel af willen en het alsdan ter verkoop op de beurs aanbieden. De aandelen die de naamloze vennootschap uitgeeft, zullen in beginsel dan ook toonderaandelen zijn. (of bij uitzondering aandelen op naam mét aandeelbewijs). De levering van dergelijke aandelen is eenvoudig. Afgifte van het aandelenpapier bewerkstelligt reeds de overdracht van het aandeel, zonder dat daarvoor een notariële akte of ander geschrift behoeft te worden opgesteld. Evenmin is het noodzakelijk de overdracht aan de naamloze vennootschap te betekenen om de overdracht tegen haar te kunnen doen gelden.

In de praktijk houden de banken de aandelenpapieren meestal in bewaring en geschiedt de aan- en verkoop middels een telefonische of schriftelijke opdracht van de cliënten aan de bank. Grote aandeelhouders, zoals multinationals, houden de waardepapieren veelal zelf. Hun deelneming heeft meestal een duurzaam karakter, omdat zij niet op speculatieve, maar op beleidsmatige gronden is gebaseerd.

De keerzijde van snel verhandelbare aandelen is natuurlijk dat de naamloze vennootschap zelf geen zicht meer heeft op haar aandeelhouders. Zij weet niet wie tot de aandelen gerechtigd zijn, enerzijds omdat zij zeer veel aandelen heeft uitstaan en anderzijds omdat de overdracht steeds buiten haar om geschiedt en de aandelen voortdurend van eigenaar wisselen. De meeste aandeelhouders zijn voor de naamloze vennootschap dan ook onbekend, dus 'naamloos'. Bezit van het aandelenpapier legitimeert telkens als aandeelhouder, zonder dat ter zake doet wie de betreffende aandeelhouder is of hoe hij heet.

Met het bovenstaande is slechts een deel van het hele verhaal verteld. In de praktijk beschikt een naamloze vennootschap niet alleen over beursgenoteerde aandelen aan toonder, maar ook over aandelen op naam zonder aandeelbewijs. Deze aandelen zijn doorgaans in handen van de oorspronkelijke oprichters van de naamloze vennootschap, meestal verwante multinationals of banken.
Het meerderheidsbelang dat de oprichters aanvankelijk hadden zal na verloop van tijd door de uitgifte van nieuwe beursaandelen verwateren. Hoewel de oorspronkelijke aandeelhouders vanwege liquiditeitsgebrek niet in staat waren om de nieuw uitgegeven aandelen zelf te kopen, kunnen zij maar moeilijk afstand doen van de bevoorrechte positie die zij in het begin op grond van hun meerderheidsbelang hadden. Zij willen ook daarna de heerschappij in de naamloze vennootschap blijven uitoefenen. Dat zal moeilijk gaan wanneer de meerderheid der aandelen op de openbare beurs verhandeld wordt en dus in handen is van het publiek, grote beleggingsinstellingen en pensioenfondsen of mogelijk zelfs van hun concurrenten. Daarom proberen zij via allerlei juridische beschermingsconstructies hun zeggenschap in de naamloze vennootschap te behouden, bijvoorbeeld door zich in te dekken tegen de mogelijkheid van een onverwachte 'beursoverval' (d.w.z. concurrent koopt op de beurs heimelijk de meerderheid van de aandelen op). Veelal verdragen deze constructies zich niet met de regels die de wet voor de naamloze vennootschap stelt, aangezien zij de belangen van de overige aandeelhouders, dus zeg maar van het grote publiek, geweld aandoen. In hoeverre dergelijke beschermingsconstructies geoorloofd zijn, kan niet in zijn algemeenheid worden gezegd. Deze rechtsproblematiek is nog volop in ontwikkeling, zodat het oordeel van de rechter moet worden afgewacht.

In tegenstelling tot de naamloze vennootschap is de besloten vennootschap niet gericht op een onbeperkt aantal aandeelhouders. De besloten vennootschap drijft meestal een klein familiebedrijfje of ten hoogste een middelgrote onderneming. Haar behoefte aan kapitaal kan in de regel wel gewoon door banken of de oprichter of diens familie worden gedekt. Het is er de aandeelhouder-oprichter dan ook vooral om te doen zelf de zeggenschap in de besloten vennootschap te houden. Hij wil het bedrijf, waarin hij en zijn familieleden veelal persoonlijk werkzaam zijn, niet uit handen geven. Zo de oprichter al een deel van zijn aandelenkapitaal wil verkopen, zal hij slechts met iemand in zee willen gaan die hij als opvolger of zakenrelatie geschikt acht. Tevens zal hij willen voorkomen dat deze nieuwe aandeelhouder de aandelen zomaar aan een willekeurige derde zal kunnen vervreemden. Alsdan loopt hij alsnog het risico met een ongewenste mede-aandeelhouder te worden opgescheept.

De wetgever heeft op twee manieren aan deze gedachte uitvoering gegeven. In de eerste plaats door te bepalen dat een besloten vennootschap slechts aandelen op naam zonder aandeelbewijs kent. Een aandeel op naam is géén tastbaar of zichtbaar object. Het is een onzichtbare aanspraak op een bepaalde zeggenschap in de BV en op een bepaald deel van haar winst, welke aanspraak door het recht wordt erkend, zodat de uitoefening ervan desnoods met behulp van politie en justitie kan worden afgedwongen. Van het bestaan van de aandelen op naam blijkt slechts uit de notariële oprichtingsakte of uit latere notariële akten, wanneer nadien door de BV nieuwe aandelen op naam zijn bijgeplaatst. Van het bestaan van de aandelen op naam blijkt voorts uit het door de BV gehouden aandeelhoudersregister. Een aantekening in dit register is echter geen bestaansvoorwaarde voor het aandeel op naam.

De overdracht van een aandeel op naam kan niet worden bewerkstelligd door de afgifte van een aandelenpapier of aandeelbewijs - want die zijn er niet -, maar geschiedt door het opmaken van een notariële akte en de betekening van de overdracht aan de besloten vennootschap. Het bestuur van de BV zal de nieuwe rechthebbende als aandeelhouder in het aandeelhoudersregister vermelden. Dit register kan door alle aandeelhouders worden geraadpleegd. Zodoende kunnen zij (in theorie) steeds weten wie de rechthebbende op bepaalde aandelen op naam zijn.

De wetgever heeft in de tweede plaats bepaald dat in de statuten van de BV een zogenaamde blokkeringsregeling moet worden opgenomen. Onder een blokkeringsregeling wordt verstaan: een regeling die de aandeelhouder, in geval hij zijn aandelen wil vervreemden, verplicht om die aandelen eerst aan zijn mede-aandeelhouders aan te bieden of anders om aan hen tenminste hun toestemming te vragen om ze te mogen vervreemden. De besloten vennootschap aan wie de overdracht moet worden betekend, is in staat te controleren of de blokkeringsregeling wordt nageleefd. Een overdracht in strijd met de statutaire blokkeringsregeling is nietig. Zo'n overdracht doet de aandelen niet overgaan.

Beide maatregelen zorgen ervoor dat de kring van aandeelhouders bij een besloten vennootschap steeds beperkt blijft, dus 'besloten' is.

Bovenstaande verschillen tussen de naamloze en besloten vennootschap werken nog op een groot aantal andere terreinen door. Zo verschilt de manier waarop de aandeelhoudersvergadering bijeen moet worden geroepen. Het ligt immers voor de hand dat een naamloze vennootschap haar aandeelhouders, die zij merendeels helemaal niet kent, ook géén persoonlijke uitnodiging kan sturen. Voorts bestaat er verschil in de te voeren dividendpolitiek. De naamloze vennootschap zal af en toe een behoorlijk dividend op haar aandelen moeten uitkeren, omdat de aandeelhouders en / of het publiek anders hun interesse in de beursgenoteerde aandelen verliezen. Dit kan tot een aanmerkelijke daling van de waarde van het aandeel leiden, waardoor niet denkbeeldig is dat de NV is financiële moeilijkheden geraakt. Bij een besloten vennootschap is dit niet strikt noodzakelijk. De aandeelhouders kunnen hier vanwege fiscale redenen er juist belang bij hebben om een dividenduitkering zo lang mogelijk uit te stellen. Zij realiseren de winst dan in één keer bij verkoop van de aandelen, wat als regel tot een lagere belastingheffing leidt.



Rechtsbevoegdheid van de naamloze en besloten vennootschap

De naamloze en besloten vennootschap zijn beide volledig rechtsbevoegd. Zij mogen alle rechtshandelingen verrichten die ter verwezenlijking van hun doel gedienstig kunnen zijn. Niettemin kent ons recht een aantal voorschriften die aan de NV en BV het verrichten van bepaalde rechtshandelingen ontzeggen of die de gevolgen van de rechtshandeling niet aan de vennootschap zelf, maar aan anderen, bijvoorbeeld aan de bestuurders, toerekenen. Deze voorschriften trachten alle te voorkomen dat het vermogen van de naamloze of besloten vennootschap wordt uitgehold. We noemen de volgende. De BV kan geen eigen aandelen nemen (art. 2:205 BW), maar wel inkopen en / of intrekken (amortisatie). De BV kan geen niet-volgestorte aandelen in haar kapitaal verkrijgen (art. 2:207 lid 1 BW), zij mag volgestorte eigen aandelen slechts onder bepaalde voorwaarden in haar kapitaal opnemen (art. 2:207 lid 2-4 BW), zij mag niet, met het oog op het nemen of verkrijgen door anderen van aandelen in haar kapitaal of van certificering daarvan, zekerheid stellen, een koersgarantie geven, zich op andere wijze sterk maken of zich hoofdelijk of anderszins naast of voor anderen verbinden (art. 2:207c BW). Leningen met het oog op het nemen of verkrijgen van aandelen door anderen in haar kapitaal of van certificaten daarvan, mag de vennootschap slechts verstrekken tot ten hoogste het bedrag van de uitkeerbare reserves en voor zover de statuten dit toestaan (art. 2:207c BW). Voor de NV zie men de artt. 2:95, 2:98 en 2:98a-2:98d BW die, met kleine afwijkingen hier en daar, grotendeels hetzelfde bepalen.



Het handelen van de naamloze en besloten vennootschap

De naamloze en besloten vennootschap kunnen als rechtspersoon slechts met behulp van één of meer vertegenwoordigers aan het rechtsverkeer deelnemen. Als mogelijke vertegenwoordigers kunnen worden genoemd het bestuur, een individuele bestuurder, twee of meer bestuurders gezamenlijk, statutaire vertegenwoordigers en/of gewone gevolmachtigden. Bij het handelen ten behoeve van de naamloze of besloten vennootschap wordt altijd in naam van deze rechtspersonen opgetreden. In het contract wordt dan ook de naamloze of besloten vennootschap zelf als partij omschreven, en wel door vermelding van haar statutaire naam en statutaire zetel, zo nodig aangevuld met haar feitelijke vestigingsplaats, haar registratienummer voor het handelsregister en de Kamer van Koophandel alwaar zij is ingeschreven.
De benoeming van het bestuur van een naamloze of besloten vennootschap geschiedt voor de eerste maal bij de akte van oprichting en later door de algemene vergadering van aandeelhouders. Bij een structuurvennootschap wordt het bestuur door de raad van commissarissen benoemd (art. 2:242 BW).

De bestuurders behoeven geen aandeelhouders van de betreffende vennootschap te zijn. Bij kleine BV's met een beperkt aantal aandeelhouders is de grootaandeelhouder echter meestal tevens de bestuurder alsook de feitelijk directeur van de besloten vennootschap. Men noemt een dergelijke figuur daarom directeur-grootaandeelhouder (dga).

Het bestuur - d.w.z. de gezamenlijk optredende bestuurders - vertegenwoordigt de vennootschap, voorzover uit de wet niet anders voortvloeit. De bevoegdheid tot vertegenwoordiging komt in beginsel tevens toe aan iedere individuele bestuurder. Het wettelijk uitgangspunt is derhalve een collectieve vertegenwoordigingsmacht van het bestuur met daarnáást een individuele vertegenwoordigingsmacht voor iedere bestuurder afzonderlijk. In de statuten kan van deze regeling worden afgeweken. Daarbij kan slechts de individuele vertegenwoordigingsmacht van de bestuurders worden beperkt.

De statuten kunnen ten eerste bepalen dat de bevoegdheid tot vertegenwoordiging behalve aan het bestuur slechts toekomt aan één of meer afzonderlijke bestuurders. Een aantal bestuurders wordt dan hun individuele vertegenwoordigingsmacht ontnomen. Slechts de andere bestuurders mogen nog individueel (of tezamen met een of meer anderen) de naamloze of besloten vennootschap vertegenwoordigen.

De statuten kunnen voorts bepalen dat een bestuurder de naamloze of besloten vennootschap slechts met medewerking van een of meer anderen mag vertegenwoordigen. De betreffende bestuurders zijn dan uitsluitend tezamen met deze anderen (bestuurders of niet-bestuurders) tot vertegenwoordiging bevoegd. Hun individuele vertegenwoordigingsmacht is omgezet in een gezamenlijke vertegenwoordigingsmacht. Wanneer twee bestuurders slechts gezamenlijk kunnen optreden, spreekt men van een 'twee handtekeningenclausule'.

Uitsluitend aan de hierboven genoemde beperkingen van de individuele vertegenwoordigingsmacht der bestuurders kan, door inschrijving in het handelsregister, externe werking worden gegeven. Voor wat andere bevoegdheidsbeperkingen betreft, is dit niet mogelijk. Hun inschrijving in het handelsregister kan niet aan derden, die daarvan onkundig waren, worden tegengeworpen. De vertegenwoordigingsbevoegdheid die aan het bestuur of de bestuurders toekomt, is namelijk onbeperkt en onvoorwaardelijk, voorzover uit de wet niet anders voortvloeit. Is het bestuur of een bestuurder - alleen of tezamen met een ander - eenmaal tot vertegenwoordiging bevoegd), dan is hun vertegenwoordigingsmacht altijd algemeen. Zij omvat dan alle rechtshandelingen die aan het doel van de vennootschap gedienstig kunnen zijn. Alleen wettelijke bepalingen, niet de statuten, kunnen hierop een inbreuk maken. Een voorbeeld van een bepaling die mede een wettelijke beperking van de algemene vertegenwoordigingsmacht inhoudt, is art. 2:242 BW (benoeming bestuurders geschiedt door ava of rvc) en 2:393 BW (opdracht tot onderzoek van de jaarrekening aan een accountant geschiedt eveneens door ava of rvc).

Belangrijker zijn evenwel de zogenaamde wettelijke machtigingsvoorschriften. Kenmerkend voor deze voorschriften is dat zij het bestuur (en niet de - individueel of gezamenlijk optredende - bestuurders) uitsluitend tot het verrichten van bepaalde rechtshandelingen bevoegd verklaren, indien en voorzover deze daartoe de machtiging van de algemene aandeelhoudersvergadering heeft verkregen, een en ander op voorwaarde dat in de statuten niet anders is bepaald (art. 2:204, 2:206 en 2:206a BW). Het is volgens deze voorschriften dus mogelijk dat het bestuur de omschreven rechtshandeling zonder machtiging van de aandeelhoudersvergadering verricht, maar alleen als de bevoegdheid daartoe in de statuten nadrukkelijk aan het bestuur is toegekend. Bevatten de statuten inderdaad zo'n regeling en is deze regeling in het handelsregister gepubliceerd, dan komt daaraan externe werking toe, in die zin dat het bestuur bevoegd is de rechtshandeling in naam van de vennootschap aan te gaan ook zonder dat de algemene vergadering daartoe machtiging of opdracht heeft gegeven. Van een beperking van de algemene vertegenwoordigingsmacht van het bestuur is hier geen sprake. In zoverre bestaat er dan ook geen probleem. Evenmin doen zich problemen voor als de naamloze of besloten vennootschap in de statuten herhaalt wat krachtens aanvullend recht reeds geldt, namelijk dat de betreffende rechtshandelingen slechts na machtiging van de aandeelhoudersvergadering door het bestuur mogen worden verricht, of anders gezegd, dat het bestuur zonder machtiging niet zelfstandig mag opereren. Aangezien het hier een nadere omschrijving van een wettelijk machtigingsvoorschrift betreft, komt aan deze beperking externe werking toe. Zwijgen de statuten, dan dient de wederpartij, die met het bestuur van de NV / BV handelt, ervan uit te gaan dat de NV / BV alleen gebonden is als de aandeelhoudersvergadering de vereiste machtiging heeft gegeven.

Het rechtspersonenrecht kent nog twee machtigingsvoorschriften van geheel andere aard. Anders omdat hetgeen hiervoor werd opgemerkt, voor hen niet opgaat. Art. 2:246 BW bepaalt dat het bestuur zonder opdracht der algemene vergadering niet bevoegd is om aangifte tot faillietverklaringen te doen, tenzij bij de statuten anders is bepaald. Heeft een rechter evenwel uitspraak gedaan op de faillissementsaanvrage van het wellicht onbevoegde bestuur, dan kan daarop later niet meer worden teruggekomen. De rechterlijke uitspraak blijft hoe dan ook in stand, tenzij zij door de rechter zelf wordt gewijzigd.

Art. 2:274 BW bepaalt dat een aantal besluiten van het bestuur van een structuurvennootschap aan de goedkeuring van de raad van commissarissen is onderworpen. Aan de vraag of art. 2:247 BW externe werking heeft, komt men niet toe. Het tweede lid van dit artikel zegt namelijk zelf al dat het ontbreken van de goedkeuring van de raad van commissarissen op en van de voormelde besluiten de vertegenwoordigingsbevoegdheid van het bestuur of de bestuurders niet aantast. Het ontbreken van de benodigde goedkeuring kan derhalve niet door de NV / BV aan derden, die te goeder trouw met het bestuur of een vertegenwoordigingsbevoegde bestuurder hebben gehandeld, worden tegengeworpen. Art. 2:274 BW heeft bijgevolg alleen interne werking, ook wanneer de daarin voorkomende bepalingen uitdrukkelijk (bijv. via de statuten) in het handelsregister staan gepubliceerd.



Ontstentenis of belet van een bestuurder

De statuten moeten voorschriften bevatten omtrent de wijze waarop in het bestuur van de naamloze of besloten vennootschap voorlopig wordt voorzien, in geval van ontstentenis of belet van bestuurders (art. 2:244 lid 4 BW). Schorsing, ontslag, overlijden en vrijwillig aftreden van bestuurders (ontstentenis) mag niet tot gevolg hebben dat de vennootschap voor korte of langere tijd stuurloos wordt. Ook de omstandigheid dat een bestuurder feitelijk niet in staat is om met anderen te communiceren, bijvoorbeeld vanwege een zeer ernstige ziekte of vermissing in het buitenland (belet), mag geen belemmering voor het bestuur van de vennootschap betekenen. De statuten dienen hiervoor een oplossing te bieden.
Als de vennootschap over een meerhoofdig bestuur beschikt, zullen de overblijvende bestuurders veelal met de bestuurstaak van de weggevallen bestuurder worden belast. Is er slechts één bestuurder of zijn alle bestuurders weggevallen, dan zal iemand buiten het bestuur moeten worden aangewezen om de bestuurstaken op zich te nemen. Doorgaans kiest men daarbij voor een of meer commissarissen of, zo die ontbreken, voor enkele door de aandeelhoudersvergadering aangewezen personen.

Indien reeds bij voorbaat een vervangende bestuurder in de statuten wordt aangewezen en ingeschreven, zal hij de vennootschap altijd kunnen vertegenwoordigen: de derde mag immers op de inschrijving afgaan en zal geen onderzoek behoeven in te stellen naar de vraag of de 'echte' bestuurders hun functie niet kunnen uitoefenen of ontstent zijn. De vennootschap die dit risico wil vermijden, kan ook pas tot inschrijving overgaan, nadat de algemene vergadering ter oplossing van een aanwezigheidsprobleem een vervangende persoon heeft aangewezen.



Vertegenwoordigingsmacht bij tegenstrijdig belang tussen bestuur en vennootschap

De naamloze of besloten vennootschap wordt in alle gevallen waarin zij een tegenstrijdig belang heeft met een of meer bestuurders, vertegenwoordigd door haar commissarissen (art. 2:256 BW). Van een tegenstrijdig belang is bijvoorbeeld sprake wanneer de te verrichten rechtshandeling betrekking heeft op de arbeidsovereenkomst, het salaris of de pensioenrechten van een bestuurder (directeur). Ook andere overeenkomsten met de bestuurder privé of met een hem in privé toebehorende BV leveren een tegenstrijdig belang op. Men denke voorts aan een procedure van de bestuurder tegen de vennootschap of andersom. In al deze gevallen dient de vennootschap in beginsel door de raad van commissarissen te worden vertegenwoordigd. Aangezien het hier gaat om een wettelijke beperking van de algemene vertegenwoordigingsmacht van het bestuur of de bestuurder, heeft deze bepaling externe werking.
Art. 2:256 BW is van aanvullend recht. In de statuten kan ervan af worden geweken. Voorstelbaar is bijvoorbeeld dat bij van een tegenstrijdig belang niet de commissarissen, maar een andere bestuurder of een derde tot vertegenwoordiging van de vennootschap bevoegd zijn verklaard.
Art. 2:256 BW bepaalt uitdrukkelijk dat de aandeelhoudersvergadering in geval van een tegenstrijdig belang te allen tijde het recht heeft andere personen als vertegenwoordigers van de vennootschap aan te wijzen. De aandeelhoudersvergadering is dus nimmer gebonden aan de door de wet voorgestelde of in de statuten genoemde plaatsvervangers. Dit neemt niet weg dat publicatie in de statuten van een of meer plaatsvervangers tegenover derden althans een schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid kan oproepen.



Aansprakelijkheid bestuurders en anderen voor de schulden van de naamloze of besloten vennootschap

De naamloze en besloten vennootschap treden in het maatschappelijk verkeer op als zelfstandige personen. Hun rechtspersoonlijkheid heeft tot gevolg dat de in hun naam aangegane schulden uitsluitend op hun eigen vermogen kunnen worden verhaald. De bestuurders, commissarissen en aandeelhouders zijn in beginsel niet persoonlijk aansprakelijk voor de verbintenissen der vennootschap (art. 2:5 en 2:175 BW).
Nochtans kunnen de bestuurders, commissarissen en aandeelhouders van de naamloze of besloten vennootschap bij uitzondering toch door derden (hoofdelijk) aansprakelijk worden gesteld voor de vennootschapsschulden. Hieronder een overzicht van de belangrijkste regelingen op dit gebied.

  1. De bestuurders zijn naast de naamloze of besloten vennootschap hoofdelijk aansprakelijk voor elke tijdens het bestuur verrichte rechtshandeling waardoor de vennootschap wordt verbonden in het tijdvak voordat de opgave ter eerste inschrijving in het handelsregister, vergezeld van de neer te leggen afschriften, is geschied.

    De bestuurders zijn verplicht de vennootschap te doen inschrijven in het handelsregister en een authentiek afschrift van de akte van oprichting en van de daaraan ingevolge art. 2:203a BW (verklaring i.v.m. storting op aandelen in geld), 2:204 BW (verklaring i.v.m. voor de vennootschap bezwarende rechtshandelingen) en 2:204a BW (verklaring i.v.m. waarde van de storting niet in geld) gehechte stukken neer te leggen ten kantore van het handelsregister. Tegelijkertijd moeten zij opgave doen van het totaal van de vastgestelde en geraamde kosten die met de oprichting verband houden en ten laste van de naamloze of besloten vennootschap komen. De inschrijving en opgave dient te geschieden ten kantore van de Kamer van Koophandel binner welker rechtsgebied de naamloze of besloten vennootschap haar zetel heeft. Niet nakoming van deze verplichting leidt tot hoofdelijke aansprakelijkheid van alle bestuurders voor rechtshandelingen die vóór de inschrijving van de naamloze of besloten vennootschap in het handelsregister in naam van de vennootschap zijn aangegaan. Daarbij doet niet ter zake of deze handelingen zijn verricht door het bestuur of de bestuurders zelf, of door statutaire vertegenwoordigers of gevolmachtigden.

  2. De bestuurders zijn naast de naamloze of besloten vennootschap hoofdelijk aansprakelijk voor elke tijdens het bestuur verrichte rechtshandeling waardoor de vennootschap wordt verbonden in het tijdvak voordat aan de door de wet voor de oprichting gestelde kapitaalsvereisten is voldaan;

    De bestuurders zijn hoofdelijk aansprakelijk voor alle rechtshandelingen verricht in het tijdvak dat het gestorte deel van het kapitaal van de naamloze of besloten vennootschap nog niet het bij de oprichting voorgeschreven minimumkapitaal bedraagt. Dit minimumkapitaal is voor de BV vastgesteld op € 18.000, voor de NV op € 45.378. Ook zolang op het bij de oprichting geplaatst kapitaal niet tenminste een vierde van het nominale bedrag is gestort, zijn de bestuurders hoofdelijk aansprakelijk. De hoofdelijke aansprakelijkheid voor rechtshandelingen die zijn verricht voordat aan de voormelde kapitaalsvereisten is voldaan, blijft bestaan indien later alsnog aan deze vereisten wordt tegemoetgekomen.
    Overigens houdt de Minister van Justitie er toezicht op dat bij de oprichting aan beide voormelde voorwaarden is voldaan. Bij het niet naleven van deze kapitaalsvereisten zal het departement weigeren een verklaring van geen bezwaar af te geven. Bijgevolg zal men in het handelsregister geen naamloze of besloten vennootschappen aantreffen die bij hun oprichting niet aan de hier bedoelde kapitaalsvereisten hebben voldaan.
    Men zij erop bedacht dat de kapitaalsvereisten alleen betrekking hebben op de situatie bij oprichting van de vennootschap. Het is dus niet zo dat een eenmaal ingeschreven vennootschap ook ná haar oprichting steeds aan deze voorwaarden moet blijven voldoen. Mogelijk is bijvoorbeeld dat het werkelijke kapitaal van de vennootschap als gevolg van slechte bedrijfsresultaten beneden het minimum startkapitaal van € 18.000 resp. € 45.378 zakt, ja zelfs negatief wordt. Dit leidt dan niet tot hoofdelijke aansprakelijkheid van de bestuurders. Voorstelbaar is voorts dat bij een latere emissie minder dan een vierde van het alsdan geplaatste kapitaal wordt gestort. Dit heeft evenmin hoofdelijke aansprakelijkheid van de bestuurders tot gevolg.

  3. De bestuurders zijn ingeval van een nietige inkoop van eigen aandelen als bedoeld in art. 2:207 BW hoofdelijk aansprakelijk jegens de vervreemder te goeder trouw, die door de nietigheid schade lijdt.

    Volgestorte eigen aandelen mag de besloten vennootschap slechts verkrijgen indien aan de in lid 2 van art. 2:207 BW genoemde kapitaalsvereisten is voldaan. Verkrijging van eigen aandelen in strijd met dit tweede lid is nietig. Degene die de aandelen aan de vennootschap heeft verkocht en geleverd, blijkt bij nietigheid van de transactie zijn aandelen dus in het geheel niet te hebben vervreemd. Hij kan hiervan financieel nadeel ondervinden, dit terwijl hij eigenlijk geen zicht had op de interne vermogenssituatie bij de vennootschap en dus niet kon weten of door de vennootschap inderdaad aan de gestelde kapitaalsvereisten was voldaan. De bestuurders zijn daarom allen hoofdelijk aansprakelijk jegens de vervreemder te goeder trouw die door een eventuele nietigheid als bedoeld in art. 2:207 lid 2 BW schade lijdt. Een en ander volgt hier direct uit de wet (art. 2:207a lid 1 BW). Zie tevens art. 2:207b - 2:207c BW. Voor de NV geldt in ar. 2:98 BW een iets afwijkende regeling.
    Verkrijging door de vennootschap van niet volgestorte aandelen in haar kapitaal is nietig, ongeacht op welke vennootschap de aandelen betrekking hebben (art. 2:207 lid 1 BW). Ook hier kan de vervreemder vanwege de nietigheid van de transactie schade lijden. Voor verhaal op de bestuurders is nu echter geen ruimte. Eenieder wordt geacht te weten dat het verboden is om niet-volgestorte aandelen aan een vennootschap te verkopen. De vervreemder zelf moet op de hoogte zijn van het feit of de door hem aangeboden aandelen al dan niet zijn volgestort.

  4. De bestuurders van een moedermaatschappij zijn hoofdelijk aansprakelijk wanneer een dochtermaatschappij op een met art. 2:207d BW strijdige wijze aandelen neemt of verkrijgt in de moedermaatschappij.

    Een dochtermaatschappij mag voor eigen rekening geen aandelen nemen of doen nemen in het kapitaal van de moedervennootschap. Zulke aandelen mogen dochtermaatschappijen onder bijzondere titel bovendien slechts verkrijgen of doen verkrijgen, voorzover de moedervennootschap zelf ingevolge art. 2:207 lid 1-3 BW eigen aandelen mag verkrijgen. Indien is gehandeld in strijd met een van deze bepalingen zijn de bestuurders van de moedervennootschap hoofdelijk aansprakelijk tot vergoeding aan de dochtermaatschappij van de verkrijgingsprijs met de wettelijke rente daarover vanaf het tijdstip waarop de aandelen zijn genomen of verkregen. Betaling van de vergoeding geschiedt tegen overdracht van deze aandelen. Een bestuurder van de moedervennootschap behoeft de verkrijgingsprijs niet te vergoeden als hij bewijst dat het nemen of verkrijgen van de aandelen door de dochtermaatschappij niet aan de moedervennootschap is te wijten. Onder het begrip 'aandelen' worden hier ook steeds de 'certificaten' daarvan begrepen.
    Zie voor het geval een vennootschap aandelen in een andere vennootschap verwerft en vervolgens dochtermaatschappij van die andere vennootschap wordt of voor het geval een dochtermaatschappij onder algemene titel aandelen in een moedermaatschappij verkrijgt, het bepaalde in art. 2:207d lid 3 BW.

  5. Iedere bestuurder (en commissaris) is in geval van een faillissement van de vennootschap hoofdelijk aansprakelijk voor de daarbij aan het licht tredende tekorten, indien het bestuur (of de raad van commissarissen) zijn taak kennelijk onbehoorlijk heeft vervuld en aannemelijk is dat dit een belangrijke oorzaak is van het faillissement.

    Bij het faillissement van de naamloze of besloten vennootschap is ingevolge art. 2:248 BW iedere bestuurder en commissaris jegens de boedel hoofdelijk aansprakelijk voor het bedrag van de schulden, voorzover deze niet door vereffening van de overige baten kunnen worden voldaan, maar alleen als het bestuur c.q. de commissarissen hun taak kennelijk onbehoorlijk hebben vervuld en aannemelijk is dat dit een belangrijke oorzaak van het faillissement is. Met bestuurder wordt voor de toepassing van deze regeling gelijkgesteld degene die feitelijk het beleid van de failliete vennootschap heeft bepaald of mede heeft bepaald als ware hij bestuurder. De taken zijn in ieder geval onbehoorlijk vervult wanneer de rechtspersoon is tekortgeschoten in haar publicatieplicht betreffende de jaarrekening. Dit wordt dan tevens vermoedt een belangrijke oorzaak van het faillissement te zijn. Overigens eist de rechter thans dat er nog aanvullende omstandigheden zijn die in de richting van een onbehoorlijk bestuur wijzen. Alleen het niet of niet tijdig publiceren van enkele jaarrekeningen is dus niet voldoende om de bestuurders of commissarissen hoofdelijk aansprakelijk te doen zijn.
    Niet aansprakelijk in de zin van art. 2:248 BW is de bestuurder of commissaris die bewijst dat de onbehoorlijke taakvervulling door het bestuur of de raad van commissarissen niet aan hem te wijten is en dat hij niet nalatig is geweest in het treffen van maatregelen om de gevolgen daarvan af te wenden.

  6. De bestuurders (en commissarissen) zijn jegens derden hoofdelijk aansprakelijk voor de schade die deze lijden als gevolg van het bekendmaken van misleidende cijfers en gegevens ter zake van de vennootschap.

    Indien door de jaarrekening, door tussentijdse cijfers die de vennootschap bekend heeft gemaakt of door het jaarverslag een misleidende voorstelling wordt gegeven van de toestand der vennootschap, zijn de bestuurders én commissarissen tegenover derden hoofdelijk aansprakelijk voor de schade, door dezen dientengevolge geleden. De bestuurder of commissaris die bewijst dat dit niet aan hem te wijten is, is niet aansprakelijk (art. 2:249 BW).

  7. De aansprakelijkheid van een rechtspersoon als bestuurder van een andere rechtspersoon rust tevens hoofdelijk op ieder die ten tijde van het ontstaan van de aansprakelijkheid van de rechtspersoon daarvan bestuurder is.

    De aansprakelijkheid van een rechtspersoon als bestuurder van een andere rechtspersoon rust tevens hoofdelijk op ieder die ten tijde van het ontstaan van de aansprakelijkheid van de rechtspersoon daarvan bestuurder is.
    Deze in art. 2:11 BW vervatte bepaling is gericht op het geval dat een rechtspersoon bestuurder is van een andere rechtspersoon. Is de eerstgenoemde rechtspersoon als bestuurder aansprakelijk, dan rust deze aansprakelijkheid tevens hoofdelijk op degene die tijdens het ontstaan van de aansprakelijkheid daarvan bestuurder waren. Hiermee wordt voorkomen dat men door inschakeling van een rechtspersoon de bestuursaansprakelijkheid, zoals die uit de wet voortvloeit, zou kunnen ontlopen.

  8. Niet-bestuurders die krachtens enige bepalingen van de statuten of een besluit van de aandeelhoudersvergadering bestuursdaden hebben verricht, zijn voor de gevolgen van deze daden hoofdelijk aansprakelijk, indien ook een bestuurder hiervoor hoofdelijk aansprakelijk zou zijn geweest.

    Allen, commissarissen of anderen, die, zonder deel uit te maken van het bestuur der vennootschap, krachtens enige bepaling der statuten of krachtens besluit van de aandeelhoudersvergadering, voor zekere tijd of onder zekere omstandigheden, daden van bestuur verrichten, worden te dien aanzien, wat hun rechten en verplichtingen ten opzichte van de vennootschap en van derden betreft, als bestuurder aangemerkt. Hieruit volgt dat deze personen, voor de rechtshandelingen die zij binnen deze hoedanigheid verrichten, hoofdelijk aansprakelijk kunnen worden gesteld, indien ook een bestuurder, had hij deze handeling verricht, hiervoor hoofdelijk aansprakelijk had kunnen worden gesteld. Bij de hier bedoelde bestuursdaden, verricht krachtens de statuten of een besluit van de ava, denke men aan art. 2:244 BW (handelen bij belet of ontstentenis van een bestuurder) en art. 2:256 BW (vertegenwoordiging bij enig tegenstrijdig belang tussen de vennootschap en een bestuurder). Het goedkeuren van bepaalde bestuurshandelingen of het daartoe machtigen geldt binnen dit kader niet als het verrichten van daden van bestuur (art. 2:261 BW).

  9. Een bestuurder (of commissaris) kan persoonlijk uit onrechtmatige daad aansprakelijk worden gesteld, wanneer hij namens de vennootschap een rechtshandeling heeft verricht die in strijd is met de wet of met hetgeen volgens het ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt.
  10. De zelfstandige positie die een rechtspersoon in het maatschappelijk verkeer inneemt, mag niet door haar bestuurders, leden of aandeelhouders worden misbruikt. Geschiedt dat toch, dan is niet uitgesloten dat de bestuurder jegens de wederpartij van de vennootschap persoonlijk aansprakelijk wordt gesteld uit onrechtmatige daad (art. 6:162 BW). De bestuurder die de wederpartij van de NV/ BV (bewust) verkeerd informeert of haar heeft bewogen tot het verrichten van een bij de wet verboden (nietige) rechtshandeling, zal als regel ook persoonlijk uit onrechtmatige daad aansprakelijk kunnen worden gesteld door de wederpartij, de NV / BV of een derde. Een ander voorbeeld is het geval dat de bestuurder bij het aangaan van de overeenkomst wist of redelijkerwijs behoorde te weten dat de vennootschap niet, of niet binnen een redelijke termijn, aan haar verplichtingen zou kunnen voldoen en ook geen verhaal zou kunnen bieden voor de schade die de wederpartij ten gevolge van die tekortkoming in de nakoming zou lijden. Uiteraard is er geen sprake van een onrechtmatige daad van de zijde van de bestuurder wanneer deze een transactie aangaat, die - gelet op de toestand en mogelijkheden van de vennootschap - als aanvaardbaar mag worden beschouwd, maar die desalniettemin toch niet door de vennootschap wordt nagekomen. Alsdan is er wellicht sprake van een wanprestatie van de vennootschap, maar niet van een onrechtmatige daad van de bestuurder.

  11. Binnen een concern kan de moedervennootschap (aandeelhoudster) soms aansprakelijk worden gesteld voor de schade die één van haar dochtervennootschappen heeft veroorzaakt.

    Art. 2:175 BW verklaart uitdrukkelijk dat een aandeelhouder niet persoonlijk aansprakelijk is voor hetgeen in naam van de vennootschap wordt verricht en dat hij niet gehouden is boven het bedrag dat op zijn aandelen behoort te worden gestort in de verliezen van de vennootschap bij te dragen. Deze regeling wordt in het rechtspersonenrecht strikt nageleefd. Wel kunnen aandeelhouders langs een andere weg voor de vennootschapsschulden aansprakelijk worden gesteld. Dit speelt met name wanneer een moedervennootschap een aanzienlijk pakket aandelen in een dochtervennootschap houdt, waardoor zij in de positie verkeert om rechtstreeks invloed op de gang van zaken binnen de dochtervennootschap uit te oefenen. Onder omstandigheden kan het uitoefenen van zulke invloed, of juist het nalaten daarvan, tot aansprakelijkheid van de moedermaatschappij (aandeelhoudster) leiden. Zolang de moedermaatschappij echter zuiver als een holding opereert en de betreffende deelneming slechts als een belegging ziet, heeft zij van een aansprakelijkheidsstelling niets te duchten.
    De aansprakelijkheid van de moedermaatschappij kan worden gefundeerd op art. 6:162 BW (onrechtmatige daad) en art. 2:248 BW (bestuursaansprakelijkheid 'als ware de moedermaatschappij bestuurder'). Beide aansprakelijkheidsgronden kunnen afzonderlijk van elkaar door de wederpartij van de dochtervennootschap worden ingeroepen. Voor een beroep op art. 6:162 BW is bijvoorbeeld plaats wanneer de moedermaatschappij over alle aandelen in de dochtermaatschappij beschikt en zich daardoor een goed beeld van de gang van zaken aldaar kan vormen, maar desondanks nalaat de schuldeisers van die dochtermaatschappij in bescherming te nemen, hoewel zij daartoe wel de mogelijkheden had. Als voorbeeld hiervan geldt het arrest HR 25 september 1981, NJ 192, 443 ('Osby-L.V.M.'). Osby-Zweden is 100% aandeelhouder van dochtervennootschap Osby-Nederland. Osby-Zweden heeft Osby-Nederland financieel met kredieten ondersteund. Ter zekerheidsstelling daarvan heeft Osby-Nederland al haar huidige en toekomstige vorderingen aan Osby-Zweden gecedeerd en haar enige fabriekspand aan Osby-Zweden verhypothekeerd. Na deze zekerheidsstellingen ten gunste van de moedermaatschappij gaat de dochtermaatschappij met een aantal andere schuldeisers een nieuw krediet aan. De financiële injectie kan echter de slechte gang van zaken binnen Osby-Nederland niet verhelpen. Osby-Nederland vraagt korte tijd later alsnog haar eigen faillissement aan. Voor de schuldeisers van Osby-Nederland is er, vanwege de zekerheidsstellingen ten gunste van Osby-Zweden, weinig verhaalbaar vermogen over. Zij vorderen schadevergoeding van Osby-Zweden wegens onrechtmatige daad. De Hoge Raad oordeelt als volgt: Indien een moedermaatschappij alle aandelen in een dochtermaatschappij bezit en aan de dochter krediet heeft verstrekt en vervolgens de activa van de dochter, toekomstige inbegrepen, volledig of nagenoeg volledig van deze in zekerheid verkrijgt, aldus dat de dochter aan nieuwe schuldeisers die haar na de zekerheidsstelling krediet geven praktisch geen verhaal meer biedt, kan er, indien de moedermaatschappij nalaat zich de belangen van de nieuwe schuldeisers aan te trekken, onder omstandigheden sprake zijn van een onrechtmatige daad van haar jegens dezen. Met name zal dit zo zijn, indien de moeder een zodanig inzicht in en zeggenschap over het beleid van de dochter heeft, dat zij, gelet op de omvang van haar vorderingen en van de zekerheidsstelling en het verloop van zaken in het bedrijf van de dochter, ten tijde van gedragingen als voormeld wist of behoorde te voorzien, dat nieuwe schuldeisers zouden worden benadeeld bij gebrek aan verhaal, en desalniettemin nalaat zorg te dragen dat die schuldeisers worden voldaan. De Hoge Raad merkte voorts op: Door Osby-Zweden wordt ten onrechte beroep gedaan op de beperkte aansprakelijkheid van de aandeelhouder. Het is juist dat een aandeelhouder aan de vennootschap niet méér kan verliezen dan zijn kapitaaldeelneming, maar dit staat er niet aan in de weg dat een aandeelhouder jegens een schuldeiser van de vennootschap tot een groter bedrag aansprakelijk kan zijn uit hoofde van een door hem jegens de schuldeiser gepleegde onrechtmatige daad. Tot zover het oordeel van de Hoge Raad.
    Voor een beroep op art. 2:248 lid 7 BW is plaats wanneer de moedermaatschappij zich daadwerkelijk met het beleid van de dochtermaatschappij heeft bemoeid, 'als ware zij daarvan een bestuurder'. Deze bemoeienis moet dus zover zijn gegaan dat de moedermaatschappij (aandeelhoudster) feitelijk het bestuur van de dochtervennootschap is gaan uitmaken. Zij dient het bestuur van de dochtermaatschappij als het ware terzijde te hebben gesteld. Het geven van algemene aanwijzingen of het uitstippelen van het concernbeleid is daartoe niet voldoende.

 


Externe informatie over de naamloze en besloten vennootschap

Ongeacht of de naamloze of besloten vennootschap een onderneming drijft of slechts als houdster- of beheersmaatschappij optreedt, zij moet altijd in het handelsregister worden ingeschreven. Aldaar kan men dan ook voor informatie terecht omtrent de vertegenwoordigingsbevoegdheid van de bestuurders, statutaire vertegenwoordigers en algemene gevolmachtigden.

Teneinde de toegankelijkheid van het handelsregister te vergroten is een naamloze of besloten vennootschap gehouden om op van haar uitgaande brieven, orders, facturen, offertes en dergelijke te vermelden onder welk nummer en bij welke Kamer van Koophandel zij in het handelsregister is ingeschreven.

Iedere naamloze en besloten vennootschap is onderworpen aan het jaarrekeningenrecht van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek. Dit betekent dat zij verplicht is om een jaarrekening op te stellen en deze bij het handelsregister van de Kamer van Koophandel, binnen wiens district haar statutaire zetel ligt, voor het publiek ter inzage te leggen.