Maatschap

(externe verhouding der vennoten tot derden)




De naam en woonplaats van een maatschap

Een maatschap vormt een samenwerkingscontract tussen verschillende beroepsbeoefenaars. De vennoten maken naar buiten toe kenbaar dat zij gezamenlijk voor gemeenschappelijke rekening een 'beroep' uitoefenen. Dit gezamenlijk optreden blijkt dan uit het voeren van een gemeenschappelijke vennootschapsnaam.

Overigens kan een maatschap ook louter intern zijn aangegaan, zodat naar buiten toe niets van haar bestaan blijkt. In dat geval is er sprake van een stille maatschap. In zo'n maatschap kan niet alleen een beroep, maar ook een bedrijf worden uitgeoefend. De maten zullen uitsluitend onder hun eigen naam (voor- en geslachtsnaam) opereren, waarbij de onderlinge verhouding wordt beheerst door de maatschapsovereenkomst en de wettelijke regels inzake de interne verhoudingen der vennoten. Extern gelden uitsluitend de regels die eveneens van toepassing zijn op de eigenaar van een eenmanszaak en de vrije beroepsbeoefenaar. In feite gaat het bij een stille maatschap om een onderlinge winstverdelingsregeling en kostendeling. De stille maatschap blijft verder buiten beschouwing.

De naam van een (openbare) maatschap staat meestal in de vennootschapsakte vermeld. Voorzover het om een gemeenschappelijke naam gaat, kunnen derden hem ook afleiden uit het feitelijke gebruik ervan, bijvoorbeeld op briefhoofden, deurschilden, in het telefoonboek, in advertenties en dergelijke. Een maatschap is géén rechtssubject. De wet schrijft daarom niet voor dat de maten een woonplaats voor hun samenwerkingovereenkomst kiezen. Met treft zo'n vestigingsplaats of zetel dan ook niet in iedere vennootschapsakte aan. Niettemin mag ingevolge art. 1:14 BW het kantoor van de maatschap als woonplaats van alle gezamenlijke maten (maatschap) alsook van iedere individuele maat worden beschouwd, zij het alleen voor aangelegenheden de maatschap betreffende. Daarnaast kan men voor het uitbrengen van rechtshandelingen en verklaringen steeds zijn toevlucht zoeken tot de persoonlijke woonplaats van de maat met wie men heeft gehandeld. Uiteraard is het mogelijk dat partijen bij overeenkomst een (afwijkende) woonplaats hebben afgesproken.



Handelen door de vennoten in een maatschap

De maat in een maatschap sluit de overeenkomsten die hij in het kader van zijn beroepsuitoefening met andere aangaat in beginsel in zijn eigen naam (voor- en geslachtsnaam), ook wanneer hij voor het overige beroepsmatig naar buiten optreedt onder de gemeenschappelijke naam van de maatschap (openbare maatschap). Hij bindt met de overeenkomst in principe dan ook alleen zichzelf. De overige vennoten, met wie hij in maatschapsverband samenwerkt, dus zijn medematen, worden geen partij bij de door hem gesloten overeenkomst.

Natuurlijk is het niet uitgesloten dat één der maten als vertegenwoordiger van de maatschap (d.w.z. als vertegenwoordiger van alle maten gezamenlijk) optreedt. Dit vormt evenwel niet het wettelijke uitgangspunt. De wet stelt in art. 7A:1679 BW dat een maat de overige maten niet kan verbinden, indien deze hem daartoe geen volmacht hebben gegeven. Wil men één der maten de hier bedoelde vertegenwoordigingsbevoegdheid toekennen, dan is daarvoor dus - overeenkomstig de normale vertegenwoordigingsregels - een volmacht van de andere maten vereist.


Vertegenwoordiging van de maatschap of de individuele maten

Een maatschap is geen persoon in de zin van het recht. Zij kan derhalve niet zelf rechten en plichten dragen en aan haar komt geen rechtsbevoegdheid toe. Strikt theoretisch is het daarom niet mogelijk om namens de maatschap rechtshandelingen te verrichten. Een maat die een contract 'in naam' of 'voor rekening' van de maatschap ondertekent, treedt juist beschouwd niet als vertegenwoordiger van de maatschap op, maar als vertegenwoordiger van alle afzonderlijke maten. Tenminste, zo moet een dergelijk optreden worden geïnterpreteerd.

Tot de hier bedoelde vertegenwoordiging zijner medematen is een maat uiteraard slechts bevoegd, indien en voorzover hij daartoe een volmacht van hen heeft verkregen, wat in beginsel aan de hand van de normale volmachtregels moet worden beoordeel (zie art. 7A:1679 en 7A:1681 BW). Dit brengt mee dat van een vertegenwoordigingsbevoegdheid in vorenbedoelde zin eerst sprake kan zijn, wanneer de overige maten aan de handelende maat hun toestemming hebben gegeven om in hun naam een aantal nader omschreven rechtshandelingen te verrichten. Deze toestemming, die juridisch een volmacht inhoudt, kan zowel mondeling als schriftelijk zijn verstrekt. In de regel wordt zij schriftelijk verleend om bewijsrechtelijke problemen ten aanzien van het bestaan en de reikwijdte van de volmacht te voorkomen.

Treedt een maat bevoegdelijk als gevolmachtigde van zijn medematen op, dan worden alle maten daardoor voor gelijke delen jegens de wederpartij gebonden. De omvang van de aansprakelijkheid van elk der maten - dus ook van de handelende maat zelf - is daarmee gerelateerd aan het aantal maatschapsleden, niet aan het interne aandeel der maten in het maatschapsvermogen of aan hun aandeel in de winst. Gelijke gebondenheid der maten bij een bevoegdelijke vertegenwoordiging één hunner, vormt slechts het wettelijke uitgangspunt. Vanzelfsprekend is het mogelijk dat uit de volmacht een andere gebondenheid dan die voor gelijke delen voortvloeit, bijvoorbeeld een gebondenheid der maten naar evenredigheid van hun aandeel in het maatschapsvermogen of naar hun aandeel in de winst. Deze afwijkende gebondenheid moet dan wel als zodanig door de wederpartij zijn aanvaard . Denkbaar is voorts dat de wederpartij uitdrukkelijk een andere gebondenheid met de gevolmachtigde is overeengekomen, bijvoorbeeld door te bedingen dat de maten ieder voor de gehele schuld aansprakelijk zijn. Voor een zodanige hoofdelijke aansprakelijkheid is uiteraard alsnog de instemming van de afzonderlijke maten vereist, mocht deze niet reeds in de volmacht liggen besloten. Tenslotte kan een hoofdelijke gebondenheid der maten ook voortvloeien uit de aard van de prestatie. Is de prestatie niet voor een splitsing in (gelijke) delen vatbaar (zgn. ondeelbare prestatie), dan is ieder der maten krachtens de wet hoofdelijk voor de gehele schuld verbonden. De wederpartij is ook dan dus gerechtigd om van iedere maat nakoming van de totale verbintenis te vorderen. Een deelbare prestatie is de verplichting voor de maatschap tot betaling van een geldsom. Is deze verplichting door de maatschap - dus door alle deelnemende maten - aangegaan, dan zijn zij ieder krachtens de hoofdregel verplicht om een gelijk geldbedrag te betalen. Een ondeelbare prestatie is bijvoorbeeld de verplichting tot levering van een huis of tot het verrichten van een bepaalde dienst. Heeft de maatschap als zodanig deze verplichting op zich genomen, dan zijn alle maten hoofdelijk aansprakelijk jegens de wederpartij voor de nakoming ervan. Let wel: dit geldt alleen als de rechtshandeling, waaruit de ondeelbare prestatie is ontstaan, namens de maatschap - dus namens alle deelnemende maten - is aangegaan. Dit is eerder uitzondering dan regel, omdat daarvoor een volmacht van de maten is vereist. De hoofdregel is immers dat een maat alleen zichzelf verbindt en dus alleen bevoegd is om in eigen naam te handelen. Is een maat alleen voor zichzelf de verplichting aangegaan om een huis te leveren of een dienst te verlenen, dan kan vanzelfsprekend alleen hij tot nakoming worden gedwongen. De andere maten zijn hiervoor niet aansprakelijk, noch voor gelijke delen, noch hoofdelijk, noch anderszins.

Is één der maten uitdrukkelijk mede namens zijn medematen opgetreden, zonder evenwel tot een zodanige vertegenwoordiging bevoegd te zijn, dan zullen de overige maten in beginsel niet door deze rechtshandeling worden gebonden. Zij kunnen in dat geval niet door de wederpartij aansprakelijk worden gesteld, noch voor het geheel, noch voor een gedeelte der schuld. Op grond van wat normaal bij onbevoegde vertegenwoordiging geldt, zou men moeten aannemen dat ook de onbevoegd handelende maat niet zelf aan de rechtshandeling is gebonden. Die regel gaat hier echter niet op. Aangezien de onbevoegd handelende maat niet slechts beoogt om zijn medematen, maar ook om zichzelf te binden - hij handelt immers 'in naam' of 'voor rekening' van de maatschap c.q. van alle maten gezamenlijk - wordt algemeen aangenomen dat hij bij het overschrijden van zijn vertegenwoordigingsbevoegdheid gewoon zichzelf voor het geheel heeft verbonden. Hij wordt met ander woorden geacht zelf partij bij de overeenkomst te zijn geworden en hij kan dientengevolge door zijn wederpartij voor het geheel aansprakelijk worden gesteld. De wederpartij behoeft bijvoorbeeld geen genoegen te nemen met een schadevergoeding in geld, maar is gerechtigd van de onbevoegd handelende maat terdege nakoming van de gehele verbintenis verlangen. Men zie ook het begin van art. 7A:1681 BW.

Het voormelde is uiteraard niet van toepassing indien een derde, die niet als maat aan de maatschap deelneemt maar bijvoorbeeld wel van de maten beheersbevoegdheid of een volmacht heeft gekregen, zijn vertegenwoordigingsbevoegdheid te buiten gaat. Hij is de onbevoegd verrichte rechtshandeling niet mede ten behoeve van zichzelf aangegaan (hij was immers geen maat) en zal dan ook op grond van de normale vertegenwoordigingsregels door zijn wederpartij slechts tot schadevergoeding kunnen worden aangesproken.

De hierboven beschreven hoofdregel, dat de overige maten niet gebonden worden door een onbevoegd verrichte vertegenwoordigingshandeling van één hunner medematen, moet in twee gevallen wijken vanwege het bijzondere karakter dat aan de maatschap als samenwerkingsverband wordt toegekend. In de eerste plaats zijn de overige maten toch ieder voor een gelijk deel van de verbintenis verbonden, wanneer zij de onbevoegd verrichte vertegenwoordigingshandeling van hun medemaat alsnog bekrachtigen. Men zie art. 7A:1682 BW. De overige maten zijn steeds tot een dergelijke bekrachtiging of toetreding bevoegd. Noch hun handelende medemaat, noch diens wederpartij kan zich hiertegen verzetten (art. 7A:1682 BW). Nadat de gezamenlijke maten 'uitvoering van de overeenkomst hebben gevorderd', kan de maat die in naam van de maatschap gehandeld heeft, niet meer als enige (voor het geheel) worden aangesproken. De gezamenlijke maten vormen nu de contractspartij, zodat zij ieder voor een gelijk deel aansprakelijk zijn (art. 7A:1680 BW). Het spreekt voor zich dat de overige maten niet door de wederpartij tot een zodanige toetreding of bekrachtiging kunnen worden gedwongen. Wel is de wederpartij gerechtigd uitvoering van de gezamenlijke maten te vorderen, voorzover bevoegdelijk in naam van de maatschap werd opgetreden of, mocht dat niet het geval blijken te zijn, voorzover hij vanwege zijn goede trouw de bescherming van het recht ondervindt (zie hierna).

De tweede afwijking van de hoofdregel staat in het slot van art. 7A:1681 BW: als een maat zonder daartoe gevolmachtigd te zijn 'voor rekening van de maatschap' heeft gehandeld, dan kunnen alle maten desondanks voor een gelijk deel door de wederpartij worden aangesproken indien 'de zaak ten voordele van de maatschap gestrekt hebbe'. Volgens de rechtspraak is van baat in de hier bedoelde zin slechts sprake wanneer de gehele transactie per saldo voor de maatschap voordelig is geweest, wat dan bovendien door de wederpartij dient te worden aangetoond. In werkelijkheid zal, wanneer de maten zich tegen hun gebondenheid verzetten, geen voordeel voor de maatschap te verwachten zijn, zodat aan deze bepaling weinig praktische betekenis moet worden toegekend.

Beide besproken uitzonderingen op de hoofdregel gelden niet alleen voor de maatschap, maar evenzeer voor de vennootschap onder firma en de commanditaire vennootschap.

Tot slot zijn de overige maten, ondanks het onbevoegde optreden van hun medemaat, toch ieder voor een gelijk deel verbonden, indien zij zelf bij de wederpartij het gerechtvaardigd vertrouwen hebben gewekt dat de onbevoegd handelende maat wel tot vertegenwoordiging bevoegd was. De schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid moet daarbij uiteraard uit de handelingen en gedragingen van de overige maten zelf zijn af te leiden. Derden zullen niet zomaar op de verklaringen van de onbevoegd handelende medemaat mogen afgaan. Zo is de (op zich juiste) mededeling van de handelende maat dat hij met anderen een maatschap vormt, ontoereikend om bij de wederpartij het gerechtvaardigde vertrouwen te wekken dat hij tot vertegenwoordiging van zijn medematen bevoegd is. Zelfs het tonen van het maatschapscontract is in dit opzicht niet voldoende om de wederpartij als te goeder trouw zijnde derde in bescherming te nemen. Daarvoor is meer vereist, bijvoorbeeld dat het maatschapscontract een inmiddels achterhaalde bepaling bevat waarin de wederzijdse vertegenwoordigingsbevoegdheid der maten is opgenomen, zonder dat van een latere wijziging van deze bevoegdheid aantekening is gemaakt, of dat de maten in het verleden meerdere keren - met de handelende medemaat aan het hoofd - als eenheid jegens deze wederpartij zijn opgetreden. Ook een bestuursbesluit, waaruit direct volgt dat één der maten een bepaalde rechtshandeling namens de maatschap mag verrichten, mag als een volmacht worden beschouwd.



Aansprakelijkheid van de maten in een maatschap

Ten aanzien van de aansprakelijkheid van een maat voor schulden, moet een onderscheid worden gemaakt tussen privé-schulden en zogenaamde maatschapsschulden.

Privé-schulden zijn alle schulden die een maat 'in eigen naam' is aangegaan, ongeacht of zij direct of indirect betrekking hebben op de maatschap of het daarin uitgeoefende beroep. Voor de verbintenissen welke de maat onder zijn eigen naam is aangegaan, kan alléén hijzelf aansprakelijk worden gesteld. De andere maten vallen buiten de tot stand gebrachte rechtsverhouding en kunnen om die reden ook niet door de wederpartij ter verantwoording worden geroepen. Anderzijds kan een maat ook niet aansprakelijk worden gesteld voor de rechtshandelingen van zijn medematen. De maten handelen als uitgangspunt dus ieder voor zich.

Maatschapsschulden zijn alle schulden die de maat bevoegdelijk krachtens een daartoe strekkende volmacht van de overige maten 'in naam van de maatschap' - d.w.z 'namens alle maten tezamen' - is aangegaan of die weliswaar zonder een daartoe strekkende volmacht 'in naam van de maatschap' zijn aangegaan, maar de andere maten toch binden vanwege een bekrachtiging of latere toetreding als bedoeld in art. 7A:1682 BW of vanwege het feit dat de te goeder trouw zijnde wederpartij, die met een niet tot vertegenwoordiging bevoegde maat heeft gehandeld, alsnog de bescherming van het recht ondervindt.

De hoofdregel is dat iedere maat voor deze zogenaamde maatschapsschulden voor een gelijk deel gebonden is, tenzij met de schuldeiser een andere deelaansprakelijkheid is overeengekomen. Dit betekent dat een zogenaamde maatschapscrediteur (schuldeiser van een vordering op alle maten tezamen) slechts van iedere individuele maat de nakoming van diens eigen gedeelte kan eisen. In wezen valt zijn vordering op de gezamenlijke maten dus uiteen in een aantal kleinere, zelfstandige vorderingen, waarbij iedere maat uitsluitend voor zijn eigen deel afzonderlijk als schuldenaar optreedt, los van de andere maten. De maatschapscrediteur is immers niet gerechtigd één maat voor het geheel aansprakelijk te stellen, waarbij de aangesproken maat vervolgens maar moet zien hoe hij het te veel betaalde intern op zijn medematen verhaald krijgt. Een dergelijke hoofdelijke aansprakelijkheid kent ons recht bij de maatschap niet. Maar de maatschapscrediteuren, dus de schuldeisers wier vordering voortvloeit uit een in naam van de maatschap verrichte rechtshandeling, nemen bij het verhaal op het vermogen van een individuele maat (voor een gelijk gedeelte van de totale schuld) wel een aparte positie in ten opzichte van de privé-schuldeisers van die individuele maat.



Verhaalspositie van de schuldeisers van een maat of de maatschap

Indien de maten gemeenschappelijk eigenaar zijn geworden van bepaalde goederen, beschikt de maatschap over een gemeenschappelijk maatschapsvermogen. De wet bestempelt deze gemeenschappelijke goederen van de maatschap als een 'afgescheiden vermogen', namelijk afgescheiden ten behoeve van het verhaal van de maatschapscrediteuren van het privé-vermogen van de afzonderlijke individuele maten. In concreto betekent dit dat de zogenaamde maatschapscrediteuren zich bij voorrang op het gemeenschappelijke maatschapsvermogen mogen verhalen. Pas nadat zij volledig aan hun trekken zijn gekomen, wordt een eventueel restant van de maatschapsgemeenschap tussen de maten verdeeld overeenkomstig hun interne aanspraak: het wordt dan in privé aan die maten toegescheiden. Pas nu staat het, tezamen met het overige privé-vermogen van de desbetreffende maat, open voor verhaal van de privé-schuldeisers van die maat.

De privé-schuldeisers van een persoon die als maat aan een maatschap deelneemt, zijn steeds gerechtigd om de verdeling van de maatschapsgemeenschap te vorderen, teneinde staat te worden gesteld om zich op de aan hun schuldenaar toegescheiden vermogensobjecten te verhalen. De maatschapscrediteuren kunnen zich evenwel krachtens art. 3:193 BW tegen deze verdeling verzetten, zolang hun vordering nog niet volledig is voldaan. Zij zullen dit ook zeker doen, aangezien met de verdeling van het gemeenschappelijk maatschapsvermogen ook hun verhaalsvoorrang daarop verdwijnt.

Overigens zal de waarde van de maatschapsgemeenschap als regel niet toereikend zijn om daaruit alle maatschapscrediteuren te kunnen voldoen. In dat geval blijven er na het verhaal van de maatschapscrediteuren dus geen gemeenschapsgoederen meer over, welke nog aan de maten in privé zouden kunnen worden toegescheiden. Dit leidt er aldus toe, dat de privé-schuldeisers van die maat zich feitelijk niet op de goederen van de maatschapsgemeenschap, noch op het onverdeelde aandeel daarin, hebben kunnen verhalen. Wel zullen zij bij het verhaal op het privé-vermogen van hun schuldenaar de concurrentie ondervinden van de maatschapscrediteuren, waarbij de laatstgenoemden zich slechts op de betrokken maat kunnen verhalen voor het deel van de schuld waarvoor die maat zelf aansprakelijk was. Uiteraard deelt de maatschapscrediteur voor dit deel slechts in de opbrengst van het privé-vermogen van de maat naar evenredigheid van de omvang van zijn vordering, zoals die nog resteert na het verhaal op de goederen van de maatschapsgemeenschap.



Aansprakelijkheid van een maat en verhaalspositie van zijn schuldeisers in geval van een huwelijk

Behalve het gemeenschappelijk maatschapsvermogen kan bij een maat, althans voorzover het om een natuurlijke persoon gaat, ook het huwelijksvermogensrecht nog een rol spelen. Na inbreng van de goederen in de maatschap, in die zin dat de maten daarvan mede-eigenaar zijn geworden, vormen die gemeenschappelijk aan de maten toebehorende goederen (het maatschapsvermogen) een afgescheiden vermogen. In de verhouding tussen de maat en diens echtgenoot behoort het aandeel van de maat in de maatschapsgemeenschap tot zijn privé-huwelijksvermogen, ongeacht onder welk huwelijksgoederenregime hij is getrouwd (verknochtheid). Wel kan de overgang van de goederen uit het privé-huwelijksvermogen van de echtgenoot of het gemeenschappelijke huwelijksvermogen - via het aandeel in het maatschapsvermogen en de daaraan verbonden verknochtheid - naar het privé-huwelijksvermogen van de man voor laatstgenoemde tot een vergoedingsplicht leiden (compenstatiebeginsel). Na ontbinding van de maatschap en de verdeling van het gemeenschappelijk vermogen, komen de toegescheiden goederen weer binnen het bereik van het huwelijksgoederenregime. Zij behoren na toescheiding in beginsel aan de maat in privé toe, tenzij zij onder de omschrijving van een beperkte of algehele de gemeenschap vallen en op grond daarvan gemeenschappelijk vermogen worden (toetrekkingsbeginsel). Ook dit kan wederom tot vergoedingsplichten aanleiding geven. Is op bovenstaande wijze eenmaal vastgesteld wie in goederenrechtelijke zin gerechtigd is tot de (voormalige) maatschapsgoederen, dan kan de hoofdregel inzake de verhaalsaansprakelijkheid van echtgenoten wederom onverkort worden toegepast. De schuldeisers van de maat kunnen zich verhalen op het privé-huwelijksvermogen van hun schuldenaar en op het gemeenschappelijk huwelijksvermogen dat hun schuldenaar tezamen met zijn echtgenoot bezit. Binnen hun bereik komt derhalve ook het aandeel van die echtgenoot in de goederen van de huwelijksgemeenschap. Buiten hun bereik blijven evenwel de privé-huwelijksgoederen van die echtgenoot. In beginsel kunnen de voormalige maatschapsgoederen, welke inmiddels tussen de verschillende maten zijn verdeeld, na de toescheiding niet direct tot het privé-huwelijksvermogen van de echtgenoot van de maat gaan behoren. Wel is het denkbaar dat die echtgenoot een concurrerend vergoedingsrecht jegens zijn huwelijkspartner heeft, welke hij op diens privé-huwelijksvermogen kan verhalen. In zoverre ondervinden de schuldeisers van de maat dan toch enige concurrentie van de echtgenoot van hun schuldenaar.



Externe informatie over de maatschap

In een maatschap wordt geen bedrijf, maar een beroep uitgeoefend. Zij komt om die reden niet voor inschrijving in het handelsregister in aanmerking. Voor informatie omtrent bijvoorbeeld de inhoud van het maatschapscontract, de beheersbevoegdheid der afzonderlijke maten, de gerechtigdheid der maten tot de winst, etc. kan men dan ook niet bij de Kamer van Koophandel terecht. Wil men hieromtrent meer te weten komen, dan zal men van de maat overlegging van het maatschapscontract moeten verlangen. Hiermee heeft men evenwel nog geen inzicht verkregen in de werkelijke verhouding tussen de maten onderling. Het maatschapscontract kan immers in de loop der tijd zijn uitgebreid of aangepast. Voor een juiste visie op de interne maatschapsverhouding is het dientengevolge noodzakelijk alle maten afzonderlijk te raadplegen. Slechts zelden zullen derden overigens geïnteresseerd zijn in de interne maatschapsverhouding. In het stelsel van de wet verbindt een maat immers alleen zichzelf, behalve voorzover hij als gevolmachtigde van zijn medematen optreedt. Is er geen volmacht aanwezig, dan weet de wederpartij dat de maat de overeenkomst in eigen naam en voor eigen rekening aangaat. Is er wel een volmacht voorhanden, dan blijkt daaruit als vanzelf in hoeverre de maat bevoegd is de handeling in naam en voor rekening van zijn medematen te verrichten. De voor de wederpartij van belang zijnde externe informatie volgt hier met andere woorden direct uit de verleende volmacht zelf, of anders uit het ontbreken daarvan. Wel kan het aanbeveling verdienen het huwelijksgoederenregister te raadplegen.

Ook de maatschap waarin een beroep wordt uitgeoefend, is onderworpen aan de boekhoud- en balansplicht. De maten zijn evenwel niet gehouden de eigen boekhoudkundige gegevens of die van de maatschap als zodanig bij de Kamer van Koophandel te deponeren. Wel worden de afzonderlijke maten als zelfstandige ondernemers in de zin van de Wet op de inkomstenbelasting beschouwd. Om ieders winst- of verliesaandeel te kunnen berekenen, wordt eerst het resultaat van de maatschap, dus van alle samenwerkende beroepsbeoefenaars tezamen, in een fiscale balans en winst- en verliesrekening vastgelegd. Vervolgens wordt de winst en het verlies uitgesplitst en aan de verschillende maten toegerekend. Om voor iedere maat diens belastbaar inkomen vast te stellen zal de winst of het geleden verlies nog moeten worden aangevuld met zijn overige inkomsten, bijvoorbeeld met die uit arbeid (loon) of uit vermogen (rente, dividenden) of andere bronnen die niets met de maatschap van doen hebben. Het opstellen van de fiscale balans en winst- en verliesrekening van de maatschap en het invullen van de belastingaangiften van de afzonderlijke maten behoeft niet door een registeraccountant (RA) of accountant-administratieconsulent (AA) te geschieden (geen verplichte accountantscontrole voor maatschap of maten). Teneinde te kunnen controleren of de overlegde gegevens juist zijn, doet men er daarom verstandig aan inzage te verlangen in de laatste (voorlopige of definitieve) belastingaanslag inkomstenbelasting van de betreffende maat met wie men de verbintenis is aangegaan. Het ligt voor de hand daarbij te eisen dat ook de originele aanslag zelf - en zo nodig het bankafschrift waaruit de betaling van die aanslag blijkt - worden getoond.