Eigenaar van een eenmanszaak en vrije beroepsbeoefenaar



Handelingsbevoegdheid en aansprakelijkheid (algemeen)

In beginsel is iedere natuurlijke persoon (mens) handelingsbevoegd, dat wil zeggen, gerechtigd om voor zichzelf al die rechtshandelingen te (laten) verrichten die hem goeddunken. Dit geldt ook voor natuurlijke personen die zelfstandig, voor eigen rekening en risico, een beroep of bedrijf uitoefenen.

Bij het zelfstandig uitoefenen van een beroep denke men aan een advocaat, notaris, tandarts, huisarts, accountant, organisatie-adviseur (zgn. 'vrije beroepsbeoefenaars'), voorzover niet werkzaam in maatschapsverband. Als voorbeeld van iemand die zelfstandig een bedrijf uitoefent, noemen we de slager, bakker, winkelier, drogist, apotheker, fabrikant, boer, transporteur e.d. (zgn. 'eenmanszaken'), wederom voorzover zij hun bedrijf niet in samenwerking met één of meer gelijkwaardige partners exploiteren.



Oprichting van een eenmanszaak of eigen praktijk / kantoor

De wet stelt geen bijzondere eisen aan het oprichten van een eigen zaak dan wel van een praktijk of kantoor. Zo is niet vereist dat dit in een akte wordt vastgelegd. Wel zal de betrokken persoon aan de belastingdienst moeten mededelen dat hij een onderneming drijft en zal hij eventueel een BTW-nummer moeten aanvragen.

De eigenaar van een eenmanszaak, dus de ondernemer die een bedrijf uitoefent, dient zijn onderneming in te schrijven in het handelsregister bij de Kamer van Koophandel.

In het verleden was voor het starten van een onderneming vaak een vestigingsvergunning vereist. Dit vereiste is thans vervallen.



Het in eigen naam aangaan van een rechtshandeling

Aangezien de vrije beroepsbeoefenaar zijn vak geheel zelfstandig uitoefent, treedt hij in de regel slechts onder zijn eigen voor- en geslachtsnaam naar buiten. Dikwijls wordt aan die naam dan nog een omschrijving van het uitgeoefende vak toegevoegd. Voor het overige niets. Als voorbeelden noemen we de advocaat die in zijn tuin een bord plaats met daarop de tekst: 'Mr. E.J.P. de Bruin, advocaat en procureur' en de tandarts die op zijn briefhoofd het opschrift vermeldt: 'A.J. Peeters, tandarts'. Neemt een gehuwde vrouw als vrije beroepsbeoefenaar deel aan het rechtsverkeer, dan zal ook zij dit uitsluitend onder haar eigen geslachtsnaam doen, zo nodig aangevuld met haar beroepsactiviteiten. Wel mag zij, evenals de vrouw die gehuwd is geweest, behalve haar eigen geslachtsnaam (bijv. 'mevr. A.J. de Vries'), ook de naam van haar echtgenoot voeren (bijv. mevr. A.J. Janssen') of deze naam aan haar eigen geslachtsnaam doen voorafgaan (bijv. 'mevr. A.J. Janssen-De Vries').

Degene die zelfstandig een bedrijf uitoefent, noemen we de eigenaar van een eenmanszaak. Deze eenmanszaak kan onder verschillende namen worden gedreven. Veelal kiest de eigenaar gewoon voor zijn eigen geslachtsnaam. Men denke aan de slager die op zijn winkelruit de letters 'Slagerij E.F. Pieters' schildert. Men ziet echter ook wel dat de eenmanszaak met een fantasienaam wordt aangeduid. Een voorbeeld hiervan vinden we in de bakker die adverteert onder de naam 'De Gulden Krakeling'. De naam van de eenmanszaak (bedrijf) dient in ieder geval te voldoen aan de vereisten welke de Handelsnaamwet daarvoor stelt.

Wanneer men met een zelfstandig werkende vrije beroepsbeoefenaar een contract sluit, zal direct duidelijk zijn aan wie de rechtsgevolgen van de overeenkomst moeten worden toegerekend. De beroepsbeoefenaar tekent het contract namelijk uitsluitend in zijn eigen naam, zodat ook alleen hijzelf daaraan gebonden raakt. Hij alléén vormt dus de wederpartij met wie men gecontracteerd heeft.

Ook de eigenaar van een eenmanszaak, die al dan niet in de uitoefening van zijn bedrijf een overeenkomst aangaat, zal dat in de regel doen onder zijn eigen naam (zijn voor- en geslachtsnaam), zelfs als hij zijn eenmanszaak voor het overige onder een andere handelsnaam voert (bijv. bakkerij 'De Gulden Krakeling'). Voor eenieder is dus bij voorbaat duidelijk dat de rechtsgevolgen van een door of met hem gesloten overeenkomst in beginsel alleen aan de bij naam genoemde eigenaar zelf kunnen worden toegerekend. Soms komt het echter voor dat de eigenaar van een eenmanszaak een overeenkomst sluit onder de fantasienaam van zijn bedrijf. Zo wordt bij mondelinge bestellingen doorgaans slechts de naam van de eenmanszaak genoemd, ook als dit een fantasie-aanduiding is. Dit doet zich bijvoorbeeld voor als een slager 100 kilo rundvlees bestelt 'voor Slagerij Het Goude Kalf te Woerden'. In dergelijke gevallen zullen de gevolgen van de rechtshandeling toch gewoon aan de eigenaar van de slagerij moeten worden toegerekend, aangezien het voor de wederpartij redelijkerwijs duidelijk was wie in werkelijkheid werd bedoeld.



Aansprakelijkheid van de eigenaar van een eenmanszaak / vrije beroepsbeoefenaar

De rechtspositie van natuurlijke personen die een beroep of bedrijf uitoefenen, is in beginsel gelijk aan die van andere natuurlijke personen. Als uitgangspunt geldt dat de beroeps- of bedrijfsbeoefenaar alleen zelf gebonden wordt aan de in zijn naam verrichte rechtshandelingen. Alléén hij kan daarvoor aansprakelijk worden gesteld. Ook zijn echtgenote is in beginsel niet voor deze schulden aansprakelijk, tenzij zulks uit de wet of een afzonderlijk met die echtgenoot gesloten overeenkomst voortvloeit. Slechts sporadisch maakt de wet de ene echtgenoot mede (hoofdelijk) aansprakelijk voor de schulden van de ander. Het gaat dan meestal om zogenaamde huishoudschulden. Daarentegen komt het in de praktijk veelvuldig voor dat de echtgenoot op grond van een overeenkomst mede aansprakelijk wordt voor de schulden van haar man. Zo ziet men niet zelden dat die echtgenoot zich als borg verbindt of als partij mede aan de overeenkomst deelneemt en het contract ook in die hoedanigheid mede ondertekent (bijv. bij hypothecaire geldlening).

Is de vrije beroepsbeoefenaar of de eigenaar van de eenmanszaak in beperkte of algehele gemeenschap van goederen gehuwd, dan is het overigens wel steeds mogelijk om de gevolgen van de in zijn naam aangegane verbintenissen mede voor rekening van het gemeenschappelijk huwelijksvermogen te brengen. Dit wil echter niet zeggen dat de echtgenoot van de vrije beroepsbeoefenaar of eigenaar daardoor mede aansprakelijk is voor de schulden van laatstgenoemde. De mogelijkheid voor een schuldeiser om zich, behalve op het privé-vermogen van zijn eigenlijke schuldenaar, tevens volledig te verhalen op het gemeenschappelijk huwelijksvermogen van die schuldenaar en diens echtgenoot, is een bijzonder gevolg van het huwelijksvermogensrecht. De wet heeft hier de verhaalsmogelijkheden van de schuldeiser uitgebreid. De echtgenoot van degene die de rechtshandeling is aangegaan, wordt zelf evenwel niet aansprakelijk. In geen geval kan de schuldeiser zijn vordering verhalen op het privé-vermogen van de echtgenoot van degene met wie hij de rechtshandeling is aangegaan. Zijn de echtgenoten in gemeenschap van goederen getrouwd, dan maakt dit verschil in de praktijk overigens niet veel uit.



Verhaalspositie van de schuldeisers van de eigenaar van een eenmanszaak / vrije beroepsbeoefenaar

Een natuurlijke persoon staat met zijn gehele vermogen in voor de nakoming van de in zijn naam aangegane verbintenissen. Dit vermogen vormt zijn zogenaamde verhaalbare vermogen dat door zijn schuldeisers ter inning van hun vordering kan worden uitgewonnen.

Bij de vrije beroepsbeoefenaar en eigenaar van een eenmanszaak verdeelt men het verhaalbare vermogen, in overeenstemming met de fiscale regels, wel in privé-vermogen en ondernemingsvermogen. Ondernemingsvermogen is al het vermogen dat naar fiscale maatstaven gemeten redelijkerwijs verband houdt met de beroeps- of bedrijfsuitoefening van de natuurlijke persoon in kwestie. De met dit vermogen behaalde resultaten vormen fiscale winst (of verlies). Al het andere vermogen is, fiscaal gezien, privé-vermogen. De met dit vermogen behaalde resultaten vormen in fiscale zin inkomsten uit arbeid, winst uit vermogen, winst uit aanmerkelijk belang, andere inkomsten uit arbeid of periodieke uitkeringen en verstrekkingen. Naar gelang de bron waaruit de winsten of inkomsten voortvloeien, gelden er verschillende fiscale regels en regimes. Vandaar dat binnen het belastingrecht dit onderscheid wordt gemaakt.

Civielrechtelijk maakt men geen onderscheid tussen privé-vermogen en ondernemingsvermogen. In civielrechtelijke zin is al het vermogen van een natuurlijke persoon 'verhaalbaar vermogen'. Dit vermogen omvat zowel de goederen die de schuldenaar voor de uitoefening van zijn beroep of bedrijf nodig heeft (fiscaal ondernemingsvermogen) als al zijn andere vermogensbestanddelen (fiscaal privé-vermogen). Dit gehele vermogen kunnen zijn schuldeisers uitwinnen teneinde hun vorderingen op hem te verhalen. Is de schuldenaar in gemeenschap van goederen gehuwd, dan kunnen zijn schuldeisers zich tevens op alle gemeenschapsgoederen verhalen, ongeacht of deze privé of bedrijfsmatig worden aangewend en ongeacht door welke echtgenoot zij zijn ingebracht of thans worden gebruikt.

Soms bezit de eigenaar van een eenmanszaak meer bedrijven, die alle onder een eigen naam aan het handelsverkeer deelnemen. Dit is bijvoorbeeld het geval wanneer bakkerij 'De Gulden Krakeling' te Amersfoort en speelgoedfabriek 'Kiddy Fun' te Breda toebehoren aan dezelfde eigenaar, de heer A. Janssen te Wassenaar, zonder dat zij in de vorm van een rechtspersoon (bijv. een besloten vennootschap) worden gedreven. De goederen van deze 'bedrijven' vormen in juridische zin - tezamen met het privé-vermogen van de eigenaar - één vermogen, namelijk het vermogen van de natuurlijke persoon A. Janssen. Alle schulden van A. Janssen kunnen op zijn totale vermogen, dus op alle ondernemingsgoederen van de bakkerij en de speelgoedfabriek en op al zijn privé-goederen, worden verhaald, ongeacht om welke reden of onder welke bedrijfsnaam zij werden aangegaan. Hetzelfde geldt voor een vrije beroepsbeoefenaar die - al dan niet onder verschillende benamingen - twee of meer praktijken of kantoren houdt.

Het beroepsvermogen van de vrije beroepsbeoefenaar en het bedrijfsvermogen van de eigenaar van de eenmanszaak vormen derhalve géén van het overige vermogen afgescheiden vermogen. We spreken van 'afgescheiden vermogen' als een deel van het vermogen van een persoon is afgezonderd van de rest van diens vermogen, omdat het in het bijzonder is gereserveerd ter verhaal van bepaalde schulden, die bij voorrang op dit afgescheiden vermogen kunnen worden verhaald. Dat bij de vrije beroepsbeoefenaar en eigenaar van een eenmanszaak zo'n afgescheiden vermogen ontbreekt, heeft tot gevolg dat het niet ter zake doet om welke redenen hij de schuld is aangegaan of in welke hoedanigheid (privé of als ondernemer). Een schuld die is ontstaan in het kader van de beroeps- of bedrijfsuitoefening geeft dezelfde verhaalsmogelijkheden als een schuld die geheel om privé-redenen is aangegaan. Iedere schuldeiser staat zodoende in rangorde gelijk en kan ter inning van zijn vordering het totale vermogen van de vrije beroepsbeoefenaar of eigenaar uitwinnen, zonder dat de ene vordering voorrang heeft bij de uitwinning van een bepaald deel van dit vermogen (uiteraard tenzij een schuldeiser een zekerheidsrecht, zoals pand of hypotheek, heeft bedongen). Het onderscheid tussen ondernemingscrediteuren, die zich bij voorrang op het afgescheiden ondernemingsvermogen van de beroeps- of bedrijfsbeoefenaar kunnen verhalen, en privé-crediteuren, die ten aanzien van het verhaal op dit deel van het vermogen zijn achtergesteld, komt derhalve bij de vrije beroepsbeoefenaar en de eigenaar van een eenmanszaak niet voor.

Voorbeeld:
J.E.P. de Bruin is zelfstandig accountant. Hij koopt een twintigtal computers bij winkelier Janssen. Het koopcontract ondertekent hij met de naam 'Drs. J.E.P. de Bruin RA, registeraccountant te 's-Gravenhage'. Zowel uit de inhoud van de overeenkomst als uit de omschrijving van De Bruin als contractspartij wordt duidelijk dat hij de overeenkomst in het kader van zijn beroepsuitoefening is aangegaan. Dit heeft evenwel geen gevolgen voor zijn verhaalsaansprakelijkheid. De verhaalsmogelijkheden van verkoper Janssen worden hierdoor noch beperkt, noch uitgebreid. Het is bijvoorbeeld niet zo dat Janssen, juist omdat De Bruin de schuld in de uitoefening van zijn beroep is aangegaan, zich alleen op het beroepsvermogen van zijn wederpartij zou mogen verhalen Ook De Bruins vakantiehuisje, zijn fiets, zijn spaarrekening en zijn effecten, welke alle niets met zijn beroep als accountant van doen hebben, kunnen bij het niet-nakomen van zijn verplichtingen door winkelier Janssen worden uitgewonnen. Anderzijds geniet Janssen geen voorrang bij een eventuele uitwinning van het beroepsvermogen van zijn schuldenaar. Hij staat ten aanzien van het verhaal op de kantoorinventaris, vakliteratuur e.d. in rangorde gelijk met de andere schuldeisers van De Bruin, bijvoorbeeld met een schuldeiser die wegens de verkoop van een vakantiehuisje nog iets van De Bruin te goed heeft. Het beroepsvermogen van De Bruin vormt in dit opzicht geen van het overige vermogen afgescheiden vermogen, waarop de zogenaamde ondernemingscrediteuren, zoals Janssen, zich bij voorrang op de privé-crediteuren, zoals de verkoper van het vakantiehuisje, zouden kunnen verhalen.

Is de schuldenaar (hier: de vrije beroepsbeoefenaar of eigenaar van de eenmanszaak) gehuwd, dan moet nog een ander onderscheid worden gemaakt, namelijk dat tussen het privé-huwelijksvermogen van iedere echtgenoot afzonderlijk en het gemeenschappelijk huwelijksvermogen van beide echtgenoten tezamen. Tot dit laatste vermogen is iedere echtgenoten voor de helft gerechtigd. Het genoemde onderscheid is van belang voor de verhaalsmogelijkheden van de schuldeisers. Is een schuldenaar getrouwd, dan kunnen zijn schuldeisers zich niet alleen op het privé-huwelijksvermogen van hun eigenlijke schuldenaar verhalen, dus van degene met wie zij de rechtshandeling zijn aangegaan waaruit de schuld voortvloeit, maar ook op het gemeenschappelijke huwelijksvermogen dat deze tezamen met zijn echtgenoot heeft. Men zou kunnen denken dat die echtgenoot daardoor, althans gedeeltelijk, mede-aansprakelijk wordt voor de schuld van de echtgenoot-schuldenaar. Immers, haar helft van de gemeenschap kan evengoed worden uitgewonnen voor de schulden die haar echtgenoot is aangegaan en welke daardoor in feite alléén aan hem mogen worden toegerekend. Toch volgt de wetgever deze gedachtegang niet. De wet stelt dat uitsluitend de echtgenoot-schuldenaar zelf aansprakelijk is voor de in zijn naam aangegane schulden, zij het dat een bijzondere regel binnen het huwelijksvermogensrecht meebrengt dat deze schulden niet alleen kunnen worden verhaald op zijn privé-huwelijksvermogen en op zijn aandeel (de helft) in een eventueel binnen het huwelijk aanwezige huwelijksgemeenschap, maar tevens op het aandeel van zijn echtgenoot in diezelfde gemeenschap. In ieder geval kan een schuldeiser van de ene echtgenoot zich niet verhalen op het privé-huwelijksvermogen van de andere echtgenoot. De privé-goederen van de andere echtgenoot blijven buiten hun bereik. Dat geldt ook wanneer de echtgenoot-schuldenaar de schuld in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf is aangegaan, terwijl hij dat beroep of bedrijf hoofdzakelijk of mede uitoefent met de privé-goederen van zijn echtgenoot. Het verband dat dan feitelijk tussen de schuld en die goederen wordt gelegd, is niet voldoende om ook de privé-goederen van de echtgenoot van de schuldenaar binnen het verhaal te betrekken. Voor de verhaalsaansprakelijkheid is zodoende alleen van belang aan wie de goederen in juridische zin - dat wil hier zeggen naar de regels van het huwelijksvermogensrecht - toebehoren. Niet van belang is verder op welke wijze of door wie de goederen in economische zin worden gebruikt.

Voor de goede orde: de term privé-vermogen, zoals die in het huwelijksvermogensrecht wordt gehanteerd, valt niet samen met de fiscale term privé-vermogen, zoals die hierboven werd gebezigd. Binnen het belastingrecht duidt de term 'privé-vermogen' op dat deel van het vermogen van de vrije beroepsbeoefenaar of eigenaar van de eenmanszaak dat volgens fiscale regels niet in of ten behoeve van de uitoefening van het beroep of bedrijf wordt aangewend. Het staat als zodanig tegenover het fiscale ondernemingsvermogen. Binnen het huwelijksvermogensrecht staat de term 'privé-vermogen' tegenover het begrip 'gemeenschapsvermogen', en geeft zij aan dat volgens de regels van het huwelijksvermogensrecht een deel van het vermogen binnen het huwelijk niet aan de echtgenoten tezamen, maar aan slechts aan één van hen toebehoort. De term 'privé-vermogen' heeft zodoende twee totaal verschillende betekenissen, die niets met elkaar gemeen hebben. Zo is het heel goed denkbaar dat het gemeenschappelijk huwelijksvermogen niet tot een onderneming behoort en aldus in fiscale zin privé-vermogen vormt van de echtgenoten. Anderzijds kan het privé-huwelijksvermogen naar de regels van het huwelijksvermogensrecht aan de ene echtgenoot toebehoren, maar naar fiscale maatstaven gemeten ondernemingsvermogen zijn van de andere echtgenoot, namelijk wanneer het feitelijk wordt gebruikt in de uitoefening van het beroep of bedrijf van deze laatste voor wiens rekening en risico de onderneming wordt gedreven.



Vertegenwoordiging van de eigenaar van een eenmanszaak / vrije beroepsbeoefenaar

De vrije beroepsbeoefenaar en de eigenaar van een eenmanszaak werken alléén. Zij oefenen hun beroep respectievelijk bedrijf zelfstandig uit, zonder dat zij met één of meer gelijkwaardige partners samenwerken (uiteraard kunnen zij wel personeel in dienst hebben). Omdat de vrije beroepsbeoefenaar en eigenaar van een eenmanszaak zelfstandig als ondernemer aan het rechtsverkeer deelneemt, zal niet snel de indruk kunnen ontstaan dat zij een overeenkomst mede namens anderen personen dan zichzelf aangaan, zoals bijvoorbeeld wel het geval is bij de maatschap of vennootschap onder firma. Naar buiten toe wijst immers niets in die richting.

De normale regels voor volmachtverlening en vertegenwoordiging zijn hier dan ook van toepassing. Pas als op grond daarvan tot vertegenwoordiging kan worden geconcludeerd, mag de wederpartij ervan uitgaan dat de door de beroeps- of bedrijfsbeoefenaar gesloten overeenkomst mede ten behoeve van anderen strekt. Dit betekent dat die overeenkomst in dat geval ook mede in naam van die anderen moet zijn aangegaan, zodat de wederpartij van begin af weet met wie zij in werkelijkheid verbonden wordt. De positie van de vrije beroepsbeoefenaar en eigenaar verschilt in dit opzicht in niets van die van een natuurlijke persoon die geen beroep of bedrijf uitoefent. Andersom geldt hetzelfde. Alleen wanneer op grond van de normale vertegenwoordigingsregels mag worden aangenomen dat een persoon bevoegd is om namens de vrije beroepsbeoefenaar of eigenaar van de eenmanszaak te handelen, komen de rechtsgevolgen voor rekening en risico van laatstgenoemde. De boekhandelaar die een doos papier aan de vrouw van de vrije beroepsbeoefenaar verkoopt, is de rechtshandeling in principe alleen met de vrouw zelf aangegaan, niet met haar echtgenoot. Alleen de vrouw is dan ook aansprakelijk voor de nakoming ervan. Maar heeft de vrije beroepsbeoefenaar zelf de schijn gewekt dat de vrouw bevoegd was om de bestelling in zijn naam te verrichten, dan kan de verkoper wél de vrije beroepsbeoefenaar gebonden houden. Dit doet zich onder meer voor als de vrouw altijd het papier voor de zaak van haar man bestelt en de man de prijs in het verleden ook altijd op naam van zijn onderneming of zijn eigen naam heeft betaald. In dat geval mag de boekhandelaar erop vertrouwen dat de vrouw ook bij de laatste bestelling als vertegenwoordiger van haar man is opgetreden. De rechtshandeling is rechtstreeks tussen de boekhandelaar en de man (vrije beroepsbeoefenaar) totstandgekomen, zodat deze partijen door de overeenkomst met elkaar verbonden zijn.

De eigenaar van een eenmanszaak moet zijn bedrijf in het handelsregister inschrijven. Daarbij dient hij onder andere aan te geven welke procuratiehouders en andere algemene gevolmachtigden hem mogen vertegenwoordigen. Ook de omvang van ieders vertegenwoordigingsbevoegdheid moet worden vermeld. Andere dan de genoemde gevolmachtigden mógen in het handelsregister worden ingeschreven, maar verplicht is dit niet. Inschrijving in het handelsregister is nimmer een voorwaarde om als vertegenwoordiger van de eigenaar van de eenmanszaak te kunnen optreden. Een gevolmachtigde procuratiehouder die, ondanks dat daartoe een verplichting bestaat, niet in het handelsregister is ingeschreven, mag de eigenaar toch binnen de grenzen van de aan hem toegekende bevoegdheid vertegenwoordigen.



Externe informatie over de eigenaar van een eenmanszaak en vrije beroepsbeoefenaar

De vrije beroepsbeoefenaar oefent geen bedrijf uit en behoeft zich aldus niet in het handelsregister te laten inschrijven. Als regel zullen derden ook niet meer dan anders geïnteresseerd zijn in de rechts- en handelingsbevoegdheid van de vrije beroepsbeoefenaar, nu van tevoren vaststaat dat hij als enige voor de door hem aangegane verbintenissen aansprakelijk is. Alleen uit de gewone vertegenwoordigingsregels kan, zoals bij andere natuurlijke personen, iets anders volgen.

De eigenaar van een eenmanszaak moet, in tegenstelling tot de vrije beroepsbeoefenaar, wel steeds in het handelsregister zijn ingeschreven. Wenst men zekerheid omtrent de handelingsbevoegdheid en aansprakelijkheid van de eigenaar van een eenmanszaak te verkrijgen, dan kan men dit register daarvoor raadplegen.

Met name wanneer het om aanzienlijke vorderingen gaat, kan het daarnaast raadzaam zijn om bij het huwelijksgoederenregister informatie op te vragen. Een schuldeiser kan zich in geval van wanprestatie immers niet verhalen op het privé-huwelijksvermogen van de echtgenoot van de beroeps- of bedrijfsbeoefenaar, ook niet wanneer laatstgenoemde zijn beroep of bedrijf voornamelijk met privé-goederen van die echtgenoot uitoefent, waardoor het lijkt alsof die onderneming en de daarin ondergebrachte goederen aan hem toebehoren. Men mag dus niet zomaar op de feitelijke situatie afgaan. Toch vormt dit geen probleem. Een blik in het huwelijksgoederenregister laat meestal al snel zien in hoeverre de kans bestaat dat de belangrijkste verhaalsobjecten (bijv. spaarrekening, aandelen, huis, kantoor) in privé blijken toe te behoren aan de echtgenote en daardoor aan het verhaal van de schuldeiser zijn onttrokken. Zo nodig dient het openbare register voor registergoederen te worden geraadpleegd en kan aanvullende informatie bij de echtgenote zelf worden ingewonnen. Denkbaar is tevens dat men de echtgenote verzoekt zich mede (hoofdelijk) aansprakelijk te stellen.

Op de beroeps- en bedrijfsbeoefenaar rust een zogenaamde boekhoud- en balansplicht. Zij dienen de financiële gegevens die met hun onderneming verband houden volgens de gangbare opvattingen in een balans en resultatenrekening te vertalen. De hier bedoelde bedrijfseconomische balans en winst- en verliesrekening behoeven echter niet door een registeraccountant (RA) of accountant-administratieconsulent (AA) te worden opgesteld. Eenieder is gerechtigd deze financiële stukken te maken. De zogenaamde 'verplichte accountantscontrole' geldt voor de beroeps- en bedrijfsbeoefenaar dus niet. Bovendien zijn deze ondernemers niet verplicht hun bedrijfseconomische balans en resultatenrekening bij de Kamer van Koophandel te deponeren. Zodoende hebben buitenstaanders niet zomaar inzicht in de financiële positie van de beroeps- pf bedrijfsbeoefenaar.

Uiteraard dient iedere beroeps- en bedrijfsbeoefenaar wel een fiscale balans en winst- en verliesrekening op te stellen. Aangezien deze fiscale bescheiden als regel veel uitgebreider zijn dan de hierboven bedoelde bedrijfseconomische balans en resultatenrekening, volstaan de meeste beroeps- en bedrijfsbeoefenaars met de opmaak van slechts de fiscale boekhoudkundige stukken. Daarmee is dan vanzelf aan de eerder vermelde boekhoud- en balansplicht voldaan. Ook de fiscale balans en winst- en verliesrekening behoeven niet door een registeraccountant (RA) of accountant-administratieconsulent (AA) te worden opgesteld. Het spreekt voor zich dat deze bescheiden niet gepubliceerd behoeven te worden, aangezien zij slechts betekenis hebben voor de verhouding van de beroeps- of bedrijfsbeoefenaar tot de fiscus. Toch kunnen zij voor derden behulpzaam zijn bij het bepalen van de liquiditeit en solvabiliteit van de beroeps- of bedrijfsbeoefenaar. Een derde die inzicht in de financiële positie van de vrije beroepsbeoefenaar wil verkrijgen, kan - indien zijn onderhandelingspositie hem daartoe tenminste in staat stelt - bijvoorbeeld om overlegging van de fiscale boekhouding vragen en uit die stukken vervolgens de liquiditeit en solvabiliteit van de wederpartij aflezen. Teneinde te kunnen nagaan of de verstrekte fiscale gegevens overeenstemmen met de werkelijkheid, kan de derde tevens inzage verlangen in de laatste (voorlopige of definitieve) belastingaanslag inkomstenbelasting. Het is verstandig daarbij te eisen dat ook de originele aanslag zelf - en zo nodig het bankafschrift waaruit de betaling van die aanslag blijkt - worden getoond.

Soms neemt de derde ook genoegen met overlegging van (een afschrift van) de laatste belastingaangifte inkomstenbelasting. Het overleggen van een dergelijk stuk biedt echter onvoldoende aanknopingspunten om te kunnen vaststellen of de verstrekte gegevens juist zijn. Belastingaangiften kunnen eenvoudig worden opgevraagd en zijn bovendien in de vrije verkoop verkrijgbaar. De betrokkene kan daarop invullen wat hij wil. Het staat zodoende geenszins vast dat de overgelegde aangifte ook de aangifte is die bij de fiscus is ingediend en door de fiscus is gecontroleerd. Onder zulke omstandigheden biedt een inzage in de laatste bankafschriften meer zekerheid.