Coöperatie en onderlinge waarborgmaatschappij




Algemene kenmerken van de coöperatie en onderlinge waarborgmaatschappij

Onder een coöperatie (vroeger: coöperatieve vereniging) verstaat de wet een vereniging die zich ten doel stelt in bepaalde stoffelijke behoeften van haar leden te voorzien door met hen overeenkomsten te sluiten in het bedrijf dat de vereniging te dien einde ten behoeve van haar leden uitoefent of doet uitoefenen. De onderlinge waarborgmaatschappij kan men opvatten als een coöperatie, met die bijzonderheid dat zij zich ten behoeve van haar leden belast met het verzekeringsbedrijf en dat de overeenkomsten, welke zij met haar leden sluit, verzekeringsovereenkomsten zijn.

De vorm van een coöperatie wordt vaak gekozen wanneer een ondernemer alleen een bepaald doel niet of niet gemakkelijk kan bereiken, maar tezamen met anderen wel. Een voorbeeld is de zogenaamde 'verwerkingscoöperatie'. De leden van de coöperatie (bijv. boeren) sluiten verkoop- of leverancierscontracten met de coöperatie, die hen een vaste afname tegen redelijke stabiele prijzen garandeert. De coöperatie verwerkt de van de leden verworden goederen (bijv. melk) tot producten (bijv. zuivelproducten). Zij verhandelt deze met derden (bijv. supermarkten). De winst die de coöperatie daarmee realiseert, wordt in haar eigen onderneming geïnvesteerd en komt uiteindelijk ten goede aan de leden.

Een ander voorbeeld is de 'verkoopcoöperatie'. Een aantal leden sluit verkoopcontracten met de coöperatie. Die treedt als eenheid naar buiten op en onderhandelt daarbij met de afnemers. De coöperatie neemt daarbij als grote leverancier een sterkere onderhandelingspositie in. Tevens is zij in staat grotere hoeveelheden te leveren. Eventuele tekorten in de aanvoer bij één der leden kunnen door de overige leden worden opgevangen. Op eenzelfde manier werkt de 'inkoopcoöperatie'. De coöperatie bedingt als grote afnemer kortingen van leveranciers en staat jegens hen in voor de betaling van de koopprijs. Na inkoop verkoopt de coöperatie de

Zowel de coöperatie als de onderlinge waarborgmaatschappij kunnen in hun statuten opnemen dat zij de overeenkomsten, die zij met hun leden sluiten (bijv. levering melk), ook met anderen, dus met niet-leden (andere boeren uit de omgeving), mogen aangaan. Dit mag evenwel niet in een zodanige hoedanigheid geschieden dat de overeenkomsten met de leden van ondergeschikte betekenis worden (art. 2:53 lid 3 en 4 BW). Hier wordt geen kwantitatieve maatstaf bedoeld, die in omvang of aantal is uit te drukken. Het gaat erom dat de overeenkomsten met de leden, gezien tegen het totaal van dergelijk te sluiten overeenkomsten, niet zodanig op de achtergrond raken dat zij in feite nauwelijks nog betekenis hebben.



Oprichting coöperatie en onderlinge waarborgmaatschappij

Een coöperatie en een onderlinge waarborgmaatschappij worden opgericht door een meerzijdige rechtshandeling bij notariële akte. In de akte zijn de statuten opgenomen, die tevens de statutaire naam van de coöperatie of onderlinge waarborgmaatschappij dienen te noemen. De statutaire naam van de coöperatie moet het woord 'coöperatief' bevatten, die van een onderlinge waarborgmaatschappij het woord 'onderling' of 'wederkerig' (art. 2:54 BW). De statutaire naam van de rechtspersoon dient aan het slot bovendien de letters W.A., B.A. of U.A. overeenkomstig art. 2:56 BW te dragen.

De bepalingen die in titel 2.2 BW voor de gewone vereniging zijn geschreven, gelden in principe eveneens voor de coöperatie en onderlinge waarborgmaatschappij, voorzover daarvan in titel 2.3 BW niet wordt afgeweken. Dientengevolge beschikken de coöperatie en onderlinge waarborgmaatschappij over een ledenvergadering en een bestuur. De raad van commissarissen is facultatief, tenzij het een zogenaamde 'grote' coöperatie of onderlinge waarborgmaatschappij betreft (art. 2:63a e.v. BW). Niet van toepassing op de coöperatie en onderlinge waarborgmaatschappij zijn art. 2:26 lid 3 en 2:44 lid 2 BW. De coöperatie en onderlinge waarborgmaatschappij mogen de door haarzelf behaalde winst periodiek of bij ontbinding van de rechtspersoon aan de leden uitkeren (art. 2:26 lid 3 BW). Dat art. 2:44 lid 2 BW niet van toepassing is, betekent dat het bestuur of de vertegenwoordigingsbevoegde bestuurders niet beperkt worden in hun externe vertegenwoordigingsbevoegdheid ten aanzien van het aangaan van de in dit artikel genoemde overeenkomsten.



Rechtsbevoegdheid van de coöperatie en onderlinge waarborgmaatschappij

De coöperatie en onderlinge waarborgmaatschappij zijn, evenals de vereniging, volledig rechtsbevoegd, zodat zij iedere rechtshandeling kunnen verrichten die aan hun doel dienstbaar kan zijn en in principe alle rechten en plichten kunnen dragen. Beperkingen van de rechtsbevoegdheid, zoals bij de informele vereniging komen bij de rechtspersonen van titel 2.3 BW niet voor.



De algemene vergadering

Evenals in de vereniging is ook binnen de coöperatie en onderlinge waarborgmaatschappij de algemene ledenvergadering in beginsel het hoogste orgaan. De algemene ledenvergadering neemt daarbij dezelfde positie in als binnen de vereniging. Dit uit zich op de volgende wijzen.

  • bevoegdheden van de algemene vergadering (art. 2:40 BW)
  • bijeenroepen van de algemene vergadering (art. 2:41 BW)
  • ledeninitiatief mogelijk voor bijeenroepen van de algemene vergadering (art. 2:41 lid 2 BW)
  • statutenwijziging en ontbinding dienen door de algemene vergadering te geschieden (art. 2:42 BW en art. 2:43 BW)
  • bekendmaking tekstvoorstel besluit statutenwijziging of ontbinding (art. 2:42 lid 2 BW)
  • stemrecht van de leden in de algemene vergadering (art. 2:38 BW)
  • algemene vergadering bestaande uit afgevaardigden (art. 2:39 BW en art. 41a BW)
  • eenstemmig besluit van alle leden of afgevaardigden buiten vergadering (art. 2:40 lid 2 BW)
  • referendum (art. 2:39 lid 2 BW)

 


Het lidmaatschap

Aangezien de bepalingen uit titel 2.2 BW ('Vereniging') in beginsel eveneens van toepassing zijn op de coöperatie en onderlinge waarborgmaatschappij, moet ter zake van het verkrijgen van het lidmaatschap en de rechten en plichten van de leden in eerste instantie worden teruggegrepen naar de volgende bepalingen uit titel 2.2 BW:

  • toelating van leden (art. 2:33 BW)
  • persoonlijk lidmaatschap (art. 2:34 BW)
  • verbintenissen verbonden aan het lidmaatschap (art. 2:34a BW)
  • einde lidmaatschap (art. 2:35 BW)
  • opzegging lidmaatschap (art. 2:36 BW)
  • stemrecht leden (art. 2:38 BW)

Maar bovengenoemde bepalingen gelden slechts voor de coöperatie en onderlinge waarborgmaatschappij, voorzover daarvan in titel 2.3 BW geen afwijkende regel wordt gegeven (art. 2:53a BW).

Een belangrijk verschil met de vereniging is dat de leden van een coöperatie of onderlinge waarborgmaatschappij aansprakelijk zijn voor een negatief saldo bij liquidatie of insolventie (art. 2:55 BW), tenzij die aansprakelijkheid in de statuten is uitgesloten of beperkt (art. 2:56 BW). Zie ook elders.

Daarnaast bevat titel 2.3 BW een aanvullende bepalingen terzake van de mogelijkheid om aan de uittreding van een lid bepaalde voorwaarden te stellen (art. 2:60 BW).

Voor een coöperatie met volledige aansprakelijkheid der leden en oud-leden (WA) gelden bijzondere regels ten aanzien van het: aanvragen en opzeggen van het lidmaatschap en van het bijhouden van een ledenlijst (art. 2:61 BW).

Voor het lidmaatschap van een onderlinge waarborgmaatschappij gelden tenslotte nog enkele bijzondere regels terzake van het lidmaatschap (art. 2:62 BW).



Het bestuur

Ook voor het bestuur van de coöperatie en onderlinge waarborgmaatschappijen gelden in beginsel dezelfde regels als voor het bestuur van de vereniging (art. 2:53a BW). Dit betekent dat de volgende bepalingen van toepassing zijn op de onderstaande onderwerpen.

  • benoeming van het bestuur (art. 2:37 BW)
  • taak van het bestuur (art. 2:44 lid 1 BW; art. 2:44 lid 2 BW is niet van toepassing: zie art. 2:53a BW)
  • vertegenwoordigingsbevoegdheid van het bestuur en de bestuursleden (art. 2:45 BW)
  • het bestuur kan, indien de statuten daarin voorzien, rechten voor de leden bedingen en te hunnen laste verplichtingen aangaan (art. 2:46 BW)
  • tegenstrijdig belang tussen de vereniging en een bestuurder (art. 2:47 BW).


Raad van commissarissen ('structuurregeling')

Een coöperatie of onderlinge waarborgmaatschappij kan via haar statuten als extra toezichthoudend orgaan een raad van commissarissen instellen (art. 2:57 lid 1 BW). Verplicht is dit echter niet. Wanneer een Raad van Commissarissen is ingesteld, regelt de wat wat diens taken zijn (art. 2:57 lid 2 BW) en hoe de commissarissen worden benoemd (art. 2:57a BW). Wederom laat de wet veel vrijheid om in de statuten een eigen regeling daarvoor op te nemen. Zij staat zelfs toe om aansluiting te zoeken bij de wettelijke regels terzake van de benoeming en taken van commissarissen van zogenaamde structuur-coöperaties (art. 2:63e BW). Zie hieronder.

In geval van een tegenstrijdig belang tussen de coöperatie / onderlinge waarborgmaatschappij en een commissaris kan de algemene vergadering een of meer personen aanwijzen om de coöperatie of onderlinge waarborgmaatschappij te vertegenwoordigen (art. 2:47 BW).

Het voorgaande is slechts van toepassing op de 'gewone' coöperaties en onderlinge waarborgmaatschappijen. Voor grote coöperaties en onderlinge waarborgmaatschappijen (zgn. 'structuur-coöperaties') geeft de wet een aantal eigen regels:

  • begripsbepaling 'afhankelijke maatschappij' (art. 2:63a BW)
  • verplichting tot doen van opgaven indien naar omzet en aantal werknemers een bepaalde omvang wordt bereikt (art. 2:63b BW)
  • wanneer is de structuurregeling van toepassing op een co:operatie of onderlinge waarborgmaatschappij (art. 2:63c BW en art. 2:63d BW)
  • verplichting tot instelling van een raad van commissarissen (art. 2:63f BW)
  • benoeming van de commissarissen (art. 2:63f lid 2 t/m lid 6 BW)
  • bezwaar ondernemingsraad tegen voorgedragen commissaris (art. 2:63f lid 7 t/m 11 BW)
  • benoeming van een commissaris bij het ontbreken van alle commissarissen (art. 2:63g BW)
  • personen die geen commissaris kunnen worden (art. 2:63h BW)
  • aftreden van een commissaris (art. 2:63i lid 1 BW)
  • ontslag van een commissaris (art. 2:63i lid 2 BW)
  • schorsing van een commissaris (art. 2:63i lid 3 BW)
  • besluiten van het bestuur die onderworpen zijn aan de goedkeuring van de raad van commissarissen (art. 2:63j BW)

 


Het handelen van de coöperatie en onderlinge waarborgmaatschappij ('vertegenwoordiging')

Ook de coöperatie en onderlinge waarborgmaatschappij zijn voor hun deelname aan het rechtsverkeer aangewezen op de hulp van één of meer vertegenwoordigers die namens hen de gewenste rechtshandelingen aangaan. Als vertegenwoordigers treden op het bestuur, een individuele bestuurder, twee of meer bestuurders gezamenlijk, statutaire vertegenwoordigers en eventueel gewone gevolmachtigden.

Bij het handelen ten behoeve van de coöperatie of onderlinge waarborgmaatschappij wordt altijd in naam van deze rechtspersonen opgetreden. In het contract wordt dan ook de coöperatie of onderlinge waarborgmaatschappij zelf als partij omschreven, en wel door vermelding van haar statutaire naam en statutaire zetel, zo nodig aangevuld met haar feitelijke vestigingsplaats, haar registratienummer voor het handelsregister en de Kamer van Koophandel alwaar zij is ingeschreven.

Het bestuur van de coöperatie en onderlinge waarborgmaatschappij is aan dezelfde regels onderworpen als het bestuur van de gewone vereniging. Men zie dan ook aldaar. Slechts art. 2:44 lid 2 BW is uitdrukkelijk niet van toepassing verklaard (art. 2:53a BW). Dit betekent dat het bestuur of de - alleen of tezamen met andere - vertegenwoordigingsbevoegde bestuurder van een coöperatie of onderlinge waarborgmaatschappij extern steeds gerechtigd is tot het aangaan van overeenkomsten tot verkrijging, vervreemding en bezwaring van registergoederen, en tot het aangaan van overeenkomsten waarbij de coöperatie of onderlinge waarborgmaatschappij zich als borg of hoofdelijke medeschuldenaar verbindt, zich voor een derde sterk maakt of zich tot zekerheidsstelling voor de schuld van een ander verbindt. Het beginsel dat het bestuur en de vertegenwoordigingsbevoegde bestuurders een algemene vertegenwoordigingsmacht hebben, brengt mee dat hun bevoegdheid te dienaangaande, althans extern, niet aan statutaire beperkingen of voorwaarden onderworpen kan zijn.

In art. 2:57 lid 4 BW vinden we een aanvulling op het bepaalde in art. 2:47 BW voor het geval de coöperatie of onderlinge waarborgmaatschappij over een facultatieve of verplicht gestelde raad van commissarissen beschikt. Behoudens het bepaalde in art. 2:47 BW vertegenwoordigt de raad van commissarissen de coöperatie of onderlinge waarborgmaatschappij in andere gevallen van strijdig belang met een of meer bestuurders dan het sluiten of wijzigen van overeenkomsten zoals deze met alle leden in gelijke omstandigheden worden gesloten. De statuten kunnen van deze bepaling afwijken.

In de statuten kunnen één of meer 'vaste' vertegenwoordigers worden aangewezen. De vertegenwoordigingsbevoegdheid van deze zogenaamde statutaire vertegenwoordigers is geheel in de statuten geregeld en kan op allerlei manieren worden beperkt. Na inschrijving in het handelsregister kunnen deze beperkingen ook aan derden worden tegengeworpen. Daarnaast zijn het bestuur, de bestuurders of de statutaire vertegenwoordigers gerechtigd de aan hen toegekende vertegenwoordigingsbevoegdheid aan anderen door te geven door middel van een daartoe strekkende volmacht. Ook die volmacht kan in het handelsregister worden ingeschreven, maar noodzakelijk is dit niet. Een door het bestuur of een bestuurder aan een ander verleende volmacht kan beperkt zijn tot het verrichten van een of meer nader genoemde rechtshandelingen al dan niet onder nader gestelde voorwaarden. Het is overigens mogelijk dat een bestuurder statutair geen algemene vertegenwoordigingsmacht heeft, maar wel krachtens volmacht een bepaalde rechtshandeling namens de coöperatie of onderlinge waarborgmaatschappij mag verrichten.



Aansprakelijkheid van de coöperatie, de onderlinge en van hun bestuur en leden

De aansprakelijkheidsregels voor de bestuurders en commissarissen van de gewone vereniging gelden in beginsel ook voor de bestuurders en commissarissen van een coöperatie en onderlinge waarborgmaatschappij. Het beginsel van art. 2:5 BW, dat een rechtspersoon uitsluitend zelf voor haar eigen schulden aansprakelijk is, wordt echter in titel 2.3 BW, voor wat de leden betreft, verlaten. Art. 2:55 BW gaat namelijk uit van een wettelijke aansprakelijkheid der leden en oud-leden tegenover de coöperatie en onderlinge waarborgmaatschappij, zij het alleen in geval van een ontbinding of faillissement van de coöperatie. Het is dus niet zo dat leden en oud-leden tussentijds door schuldeisers van de coöperatie of onderlinge waarborgmaatschappij tot betaling kunnen worden aangesproken. Dit kan alleen als bij de vereffening van het totale vermogen van de coöperatie of onderlinge waarborgmaatschappij (dus bij ontbinding of faillissement) blijkt dat er een tekort is om alle schulden van de rechtspersoon te voldoen. De coöperatie of onderlinge waarborgmaatschappij heeft dan de mogelijkheid om zich ter aanvulling van dit tekort te wenden tot de leden en de oud-leden die minder dan één jaar te voren hebben opgehouden leden te zijn. Zij zijn jegens de coöperatie of onderlinge waarborgmaatschappij verplicht dit tekort aan te vullen. Daarmee kan de coöperatie of onderlinge waarborgmaatschappij vervolgens alsnog haar schulden volledig voldoen.

De hierboven omschreven aansprakelijkheidsregeling der leden vormt slechts het wettelijke uitgangspunt. Art. 2:55 BW is van aanvullend recht. De coöperatie of onderling waarborgmaatschappij heeft de mogelijkheid om in haar statuten iedere verplichting van haar leden of oud-leden om in een tekort bij te dragen, uit te sluiten of tot een bepaald maximum te beperken. De leden mogen hierop echter alléén een beroep doen indien de coöperatie of onderlinge waarborgmaatschappij aan het slot van haar statutaire naam in het eerste geval de letters U.A. (uitsluiting van aansprakelijkheid), en in het tweede geval de letters B.A. (beperkte aansprakelijkheid) heeft geplaatst. Zo niet, dan geldt de wettelijke aansprakelijkheid van art. 2:55 BW. Een coöperatie of onderlinge waarborgmaatschappij die de wettelijke aansprakelijkheidsregeling niet statutair heeft aangepast, plaatst de letters W.A. (wettelijke aansprakelijkheid) aan het slot van haar naam (art. 2:56 lid 1 BW).

De coöperatie en onderlinge waarborgmaatschappij zijn, behoudens in telegrammen en reclames, verplicht hun naam volledig te voeren (art. 2:56 lid 2 BW). Dat wil zeggen dat zij bij een schriftelijk optreden de letters W.A., U.A. of B.A. aan hun statutaire naam moeten toevoegen, behalve als het om een telegram of een reclame-uiting gaat. Indien een derde door het onbevoegd weglaten van de letters U.A. of B.A. nadeel lijdt, zal hij de schade op de coöperatie of onderlinge zélf kunnen verhalen overeenkomstig de regels van het gewone vermogensrecht. Zulk een éénmalige overtreding van de verplichting tot het voeren van de volledige naam, leidt echter niet tot een wettelijke aansprakelijkheid van de leden en oud-leden, ook niet ten opzichte van degene jegens wie het bepaalde in art. 2:56 lid 2 BW werd overtreden. Daarvoor is tenminste vereist dat ook in de statutaire naam, zoals vermeld in de notariële akte, de toevoegingen U.A. of B.A. ontbreekt, hetgeen vanwege het notariële toezicht zelden het geval zal zijn. Hierover bestaat overigens geen eenstemmigheid. Sommigen menen dat de leden en oud-leden in geval van een vereffening wél jegens de betreffende derde wettelijk aansprakelijk worden bij een éénmalige overtreding van art. 2:56 lid 2 BW jegens die derde.

Andere personen en rechtspersonen dan de coöperatie en onderlinge waarborgmaatschappij mogen in hun aanduiding geen woorden bevatten die de indruk kunnen wekken dat het om één van deze twee rechtspersonen gaat (art. 2:63 BW).



Bijzonderheden

Coöperaties en onderlinge waarborgmaatschappijen zijn rechtspersonen die zich ten doel stellen in bepaalde stoffelijke behoeften van hun leden te voorzien door met deze leden overeenkomsten te sluiten in het bedrijf dat zij te dien einde ten behoeve van haar leden uitoefent of doet uitoefenen. Tussen de coöperatie of onderlinge waarborgmaatschappij enerzijds en de leden anderzijds bestaat dus altijd een dubbele relatie. De hoofdrelatie is gebaseerd op het lidmaatschap. De bijkomende relatie op de met de coöperatie of onderlinge waarborgmaatschappij gesloten overeenkomsten. Nu zullen de aard en de inhoud van deze overeenkomsten vaak gekoppeld zijn aan de statutaire regelingen van het lidmaatschap. Door wijziging van de statuten en door het nemen van aanvullende besluiten kan, indien de coöperatie of onderlinge waarborgmaatschappij zich deze bevoegdheid heeft voorbehouden, aldus ook de inhoud van de overeenkomst worden veranderd. Op dit punt bevat art. 2:59 BW echter een regeling. Coöperaties en onderlinge waarborgmaatschappijen zijn niet bevoegd door een besluit of statutenwijziging een verandering aan te brengen in de met haar leden in de uitoefening van haar bedrijf aangegane overeenkomsten, tenzij zij deze bevoegdheid in de overeenkomst op duidelijke wijze hebben voorbehouden. Een verwijzing naar de statuten, reglementen, algemene voorwaarden en dergelijke, is voor het maken van zo'n voorbehoud niet voldoende. Het voorbehoud moet in de (schriftelijke) overeenkomst zelf zijn opgenomen. Alleen dan kan door een statutenwijziging of ander besluit éénzijdig verandering worden gebracht in de contractuele band tussen de rechtspersoon en haar leden.

Overigens is het ook toegestaan om in de overeenkomst te bedingen dat de inhoud van het contract op een andere manier dan door een besluit van de coöperatie of onderlinge waarborgmaatschappij eenzijdig kan worden gewijzigd. Zo kan de coöperatie of onderlinge waarborgmaatschappij zich contractueel het recht hebben voorbehouden om abnormale prijsfluctuaties in de oorspronkelijk vastgestelde contractsprijs door te berekenen. De overeenkomst tussen de hier bedoelde rechtspersoon en haar leden verschilt in dit opzicht in niets van een overeenkomst tussen meer willekeurige wederpartijen.

Zoals gezegd mag een coöperatie of onderlinge waarborgmaatschappij ook met niet-leden overeenkomsten aangaan. Op die rechtsverhoudingen is art. 2:59 BW analoog van toepassing.



Jaarrekening en jaarverslag

Voor de verplichting tot het opmaken van een jaarrekening en jaarverslag zijn de volgende bepalingen van belang:

  • opmaken jaarrekening door het bestuur (art. 2:58 lid 1 BW)
  • ondertekening jaarrekening door bestuurders en commissarissen (art. 2:58 lid 2 BW)
  • delging tekort ten laste van reserves (art. 2:58 lid 3 BW)

 


Externe informatie omtrent de coöperatie en de onderlinge waarborgmaatschappij

De bestuurders van een coöperatie of onderlinge waarborgmaatschappij zijn verplicht haar te doen inschrijven in het handelsregister, gehouden door de Kamer van Koophandel, binnen welker gebied de coöperatie of maatschappij haar woonplaats heeft, en een authentiek afschrift van de oprichtingsakte, dan wel een authentiek uittreksel van de akte bevattende de statuten, ten kantore van dat register neer te leggen. Teneinde de toegankelijkheid van het handelsregister te vergroten is iedere coöperatie en onderlinge waarborgmaatschappij gehouden om op van haar uitgaande brieven, orders, facturen, offertes en dergelijke te vermelden onder welk nummer en bij welke Kamer van Koophandel zij in het handelsregister is ingeschreven.

De coöperatie en onderlinge waarborgmaatschappij zijn onderworpen aan het jaarrekeningenrecht van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek. Dit betekent dat zij verplicht zijn een jaarrekening op te stellen en deze in te schrijven (publicatie) in het handelsregister bij de Kamer van Koophandel binnen wiens district hun statutaire zetel ligt.